‘ik teken flauwekul’

‘KINDEREN, OMRINGD door een reuzenwereld, scheppen al spelend een wereld in het klein voor zichzelf die hen past, maar een volwassen man, in een wereld van werkelijkheid die hem dreigend en zonder uitweg omringt, ontdoet haar door een kopie in ’t klein van haar angstwekkende aspecten.’ Met dit citaat uit het essay ‘Oud speelgoed’ van Walter Benjamin besluit Nicolaas Matsier zijn artikel in de laatste aflevering van het onvolprezen tijdschrift Raster, gewijd aan het thema ‘In kaart gebracht’.

Matsiers artikel centreert rond het motief van de miniatuur, de verkleining. Het verhaal dat hij vertelt, over zijn middelbare-schoolfascinatie voor kaarten, reisgidsen, stadsplattegronden en folders, blijkt de opmaat voor een fascinerend relaas over de ‘plans en relief des places du roy’: uiterst gedetailleerde maquettes van vestingsteden van Lodewijk XIV en zijn opvolgers, steden als Maastricht, Doornik, Bergen op Zoom, Ieperen, Namen en Oudenaarde. De generaals van de koning deden er hun voordeel mee tijdens belegeringen, maar de schaalmodellen - het moeten er honderden zijn geweest - dienden ook als vorstelijk speelgoed op het moment dat ze, ter illustratie van de koninklijke macht, werden getoond aan buitenlandse bezoekers en collega-vorsten.
De overzichtelijke miniatuurvestingen van de Franse koningen contrasteren sterk met de chaotische stadspanorama’s van Willem van Genk. De maquettes van de verschillende Lodewijken tonen een overzichtelijk, landelijk geheel van wegen, waterlopen, dijken, boerderijen en stadsmuren. In de getekende metropolen van Willem van Genk is van orde nauwelijks sprake: auto’s, trams en trolleybussen krioelen door elkaar, cirkelen rond pleinen en persen zich samen in nauwe verkeersstromen; indrukwekkende gebouwen, kerken en bruggen torenen uit boven nietige passanten en in de hemel daarboven cirkelen massa’s vliegtuigen en luchtschepen. In enorme stationshallen staan mensen samengepakt op perrons tussen puffende stoomlocomotieven, onder een wirwar van draden en leidingen; buiten razen treinen naar onbekende verten. En overal waar je kijkt zijn teksten en leuzen leesbaar: op gigantische reclameborden en als lichtreclame op de daken van de gebouwen, op de muren van de metrostations en op de borden die richting of aankomsttijd aangeven van binnenlopende treinen - zelfs krantekoppen of merknamen op snoepgoedwikkels in de stationskiosk zijn te onderscheiden. Alles is even minutieus en met evenveel aandacht voor detail in beeld gebracht: de bakstenen van de gebouwen, de bielzen tussen de spoorrails, de ruitjes van de stationsoverkappingen, de tegels op de muren van de metrostations.
Van Genk trekt zich van de normale tekenregels - verdwijnpunten, verschil in detail tussen wat veráf is en dichtbij - niets aan. Hij brengt álles samen in één jaloersmakend totaalperspectief. Zo voelt een god zich in zijn wereld, een koning zich wanneer hij zijn macht ziet samengebald in het miniatuurbeeld van zijn rijk.
Willem van Genk (1927) is een selfmade kunstenaar, een autodidact. Of iemand zijn werk kunst noemt, laat hem volkomen koud. Sterker nog: vaak beklaagt hij zich erover dat zijn tekeningen en schilderingen voor 'kunst’ doorgaan, in galeries te koop zijn en in musea worden vertoond. Zijn werk, zijn tekeningen en collages, vormt één geheel met de diverse verzamelingen - regenjassen, zelfvervaardigde trolleybussen, modelvliegtuigen of speelgoedauto’s - die hij in de loop der jaren heeft opgebouwd en lange tijd heeft gekoesterd in zijn woning aan de Haagse Harmelenstraat; het is van hém en hij geeft het liever niet uit handen, want hij heeft het nodig als bescherming tegen een hem vijandige en bedreigende buitenwereld.
DAT VAN GENK in zijn werk zoveel ruimte geeft aan teksten is gemakkelijk te verklaren. Hij volgde immers een opleiding tot reclameschilder en werkte ook daadwerkelijk korte tijd op een reclamebureau. Maar zijn chefs waren niet bijster gecharmeerd van zijn onbedwingbare neiging om, in de marges van het papier, dóór te werken aan een opdracht wanneer het feitelijke werk al gedaan was. In dat dóórtekenen waren al de signalen zichtbaar van de psychische verwarring die zich na verloop van tijd steeds nadrukkelijker zou openbaren.
Nadat hij als reclametekenaar min of meer was mislukt had Van Genk verschillende baantjes waarin hij vastliep. Hij werd uiteindelijk tewerkgesteld in een sociale werkplaats. In diezelfde tijd begon hij te klagen over stemmen in z'n hoofd en over het idee dat er tegen hem werd samengespannen. Bij een medische keuring werd geconstateerd dat hij leed aan schizofrenie en aan een vorm van autisme. Maar met tekenen hield hij niet op en hij tekende op ieder stukje papier dat hij te pakken kreeg.
Op aanraden van een van zijn zwagers meldde hij zich aan bij de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten. Daar herkende men een origineel talent: Van Genk kreeg een plaats aan de avondacademie, en de docenten werd verzocht hem met rust te laten. In die jaren kwam Van Genk eindelijk in de gelegenheid te doen wat hij altijd al wilde: reizen. Hij bezocht de grote steden van Europa: Rome, Parijs, Madrid, Kopenhagen, Keulen, Praag en Wenen.
Van Genks vroegste werk is qua compositie redelijk eenvoudig. Meestal gaat het om een stadsgezicht, getekend in potlood en zwarte inkt, geconstrueerd naar afbeeldingen en kaarten in reisgidsen. Geleidelijk wordt zijn werk complexer. Steeds vaker gebruikt hij de collagetechniek. Hij plakt kleinere tekeningen bij elkaar op grote vellen pakpapier of board, tekent óver onderliggende tekeningen heen, en grenst de verschillende fragmenten af met behulp van teksten of ingevoegde beeldmedaillons. Teksten beginnen het beeld te overwoekeren: slogans, slagzinnen en merknamen, geciteerd in verschillende talen, die lijken te refereren aan grote ideologische systemen (communisme, fascisme, kapitalisme).
Maar Van Genk registreert meer dan hij interpreteert. Feitelijk doet hij met de teksten hetzelfde als wat hij deed met de gebouwen waaruit hij zijn imaginaire stadspanorama’s opbouwde: hij isoleert fragmenten uit hun gebruikelijke context en monteert ze in een nieuwe constellatie. Waarschijnlijk let hij bij de selectie van zijn teksten eerder op de associatieve waarde die ze voor hemzelf hebben dan op de oorspronkelijke betekeniscontext.
DE KUNST VAN Willem van Genk staat te boek als outsiderkunst en dat is een term die vanwege de pejoratieve lading van eerder gehanteerde termen als 'naïeve’ of 'primitieve kunst’ verre de voorkeur verdient. Desondanks zijn er in zijn werk wel degelijk naïeve elementen aan te wijzen. De voorkeur die hij aan de dag legt voor treinen, stations en luchtschepen bijvoorbeeld lijkt toch wel erg op een sublimatie van het kinderlijk spel. Maar wanneer je die spoorwegen en trolleybussen, die stationshallen en metrostations koppelt aan Van Genks klaarblijkelijke voorliefde voor ideologische leuzen, voor rasters, voor het ingewikkelde lijnenspel en de complexe constructie ontstaat een ander beeld.
Van Genk is gefascineerd door de schakelsystemen van de macht, door het geheimzinnig net van onzichtbare connecties, gesymboliseerd in de draden van een elektriciteitsnet dat zich als een spinneweb boven straten en pleinen heeft geweven. In die dooreengeweven draden drukt zich het vermoeden uit van verband én verwarring, het vermoeden dat dit ingewikkelde lijnenspel een patroon verbergt dat, eenmaal opgespoord, tot ontrafeling van een of ander geheim zal leiden.
De fascinatie met de symbolen van de macht is redelijk gewoon in de schizoverbeelding, net zoals het vermoeden van een samenzwering die tot doel heeft de binnenwereld van de schizoïde persoonlijkheid binnen te dringen. Die invasie tot staan brengen, dat is de opgave voor de schizopersoonlijkheid: macht uitoefenen over een buitenwereld om macht te behouden over de eigen binnenwereld. En wellicht is dat de ambivalentie waaraan de 'schizokunstenaar’ zich overgeleverd voelt.
Van Genk moet dat in een van zijn lucide buien hebben ingezien toen hij zichzelf en zijn werk als volgt beschreef: 'Wat ik schilder en teken is flauwekul, dat ben ik zelf (…) Maar tegelijkertijd kan je de leider van de trolleybussen zijn, ook al ben je zenuwzwak. De koning der stations, de keizer van de pleinen, van de treinen die over de wereld en door m'n kop razen, alles wat ik schilder is van mezelf (…)’.
Van Genks stadspanorama’s, waarin alles met alles wordt verknoopt, zijn gigantische luchtschepen en zijn machtig-voortrazende treinen roepen een gevoel van het sublieme op, dat gemengde gevoel van gruwel en genot. Maar Van Genk is er niet op uit een dergelijk gevoel op te roepen bij de museum- of galeriebezoeker: hij tekent en schildert om zijn persoonlijke verlangens, angsten en obsessies te lijf te gaan.