Ik-tijdperk

Christopher Lasch, The Culture of Narcissism. Warner Books, 447 blz., 38,90. Bij Antiquariaat De Slegte.
In 1979 verscheen The Culture of Narcissism van de Amerikaanse cultuurfilosoof Christopher Lasch. Het boek, dat de tijdgeest heette weer te geven, werd een bestseller. Tom Wolfe schreef in die dagen zijn essay ‘The Me-Decade’. Overeenkomende visies. De HP verkocht in zijn Kerstnummer De Amerikaanse trend van Wolfe, Lasch en anderen onder de bezielende leiding van John Jansen van Galen door als Het Ik-tijdperk. De kreet maakte school.

In welke tijd leven we nu? En tien jaar terug? Dat is al een stuk onduidelijker. De jaren tachtig waren misschien pomo, de jaren negentig hebben geen naam. Voor hetzelfde geld leven we nog steeds in het ik-tijdperk. De subtitel van The Culture of Narcissism staat voor de sombere sfeer aan het einde van de jaren zeventig: ‘American Life in An Age of Diminishing Expectations’. De trauma’s van Watergate en Vietnam waren nog maar vijf jaar jong, men leed onder de zwakke president Carter en een blamerend Iraans gijzeldrama. Er was nog geen Golfoorlog gewonnen. Gemeenschappelijke belangen leken verdwenen, dus trok men zich terug in het eigen ego. Althans, volgens Lasch. Hij heeft het zelfs over een 'dying culture’, waarin het narcisme geldt als de hoogste vorm van geestelijke verlichting.
Lasch schrijft traag, herkauwend. Hij zoekt de weg terug naar vroeger tijden, ook al vindt hij de nostalgie van anderen - nogal hautain - een teken van vervreemding. Zijn hang naar de achttiende-eeuwse, protestantse, kleinschalige samenleving zal hij met nog meer omhaal uitwerken in zijn merkwaardige maar fascinerende laatste boek, The True And Only Heaven (1991). Er gaat gek genoeg een grote charme uit van die on-modieuze schrijfstijl, die zo zwaar op de hand is, zo ironieloos, zo academisch. In The Culture of Narcissism wordt het soms oude-herengebrom, als hij zich beklaagt over het niveau van het onderwijs en het morele failliet van de sport. Wat die zijpaden met zijn onderwerp te maken hebben is, zeker anno nu, volstrekt vaag, al vallen ze qua cultuurpessimistische inslag weer niet uit de toon.
Laschs kritiek richtte zich op de invloed van het staatsapparaat, die hij zag toenemen. Dat zien we nu anders. De staat heeft het allang verloren van een internationaal, structuurloos kapitalisme, waarbij boven- en onderwereld verstrengeld zijn geraakt. Politiek denken in de ouderwets-ideologische zin wordt in het licht van de op hol geslagen vrije-marktdynamiek volstrekt futiel. Kennelijk leek dat in 1979 niet zo'n onderwerp. Of verkeerde Lasch in te intellectuele kringen om aandacht te besteden aan iets banaals als de realiteit van de straat. Ik vrees dat laatste.