Film

Ik trakteer

Film: Het Zwijgen

Bij de vertoning van Het Zwijgen op het Rotterdams Filmfestival viel een man op de rij voor mij in slaap. Toen hij zachtjes begon te snurken, stiet ik hem aan en wekte hem. Daarvan had ik later spijt. Het Snurken was interessanter dan Het Zwijgen. Ik had bovendien een medemens een verkwikkend tukje ontnomen.

Het Zwijgen lijkt sterk op het televisiedrama uit de jaren zeventig en tachtig, zoals dat werd gemaakt door regisseur Bram van Erkel (Q&Q, Duel in de diepte, Het wassende water). Het is echter een productie voor de vpro, van een gereputeerde producent (Waterland), gemaakt door een regisseursduo, Schrover en Van Hout, dat enige jaren geleden de aardige film De arm van Jezus maakte. Daarin werden documentairemateriaal en drama-elementen vernuftig door elkaar heen gesneden; ze wonnen er een Tiger Award mee.

Het Zwijgen is te zien als een schoolvoorbeeld van een ontwikkelingsproces waarin alles meezat en waarvan het resultaat toch beneden peil is. Er was geld, er was een inhoudelijk kader – een project van vpro en Filmfonds voor films over de Nederlandse identiteit, de makers hadden een mooi cv en ze hadden een korte documentaire gemaakt over een man van het Meertens-instituut die onderzoek deed naar Drentse volksliederen over moord en doodslag. Uit die constellatie werd een plot gesmeed: een volkenkundig onderzoeker erft een afgelegen huisje in Drenthe waar een driedubbele moord is gepleegd. Het dorp weet er meer van, maar doet er het zwijgen toe. De sleutel tot de toedracht is een oude smartlap, maar op de enige opname daarvan ontbreekt het laatste couplet. De nieuwsgierige onderzoeker banjert door de porseleinkast, begint spoken te zien, krijgt klappen, sneuvelt. De vormgeving is mistig. Ik durf te wedden dat in de eerste outline de term _«Twin Peaks-_achtige sfeer» is gebruikt.

Het is gemakkelijk de schouders op te halen over het resultaat – houterig, ouderwets, schematisch, waterkoud, spanningsloos drama. De plot klopt van geen kant. De acteurs zijn matig op dreef. De situering op het nevelige platteland is één groot cliché: als er een schaap in beeld komt, klinkt er altijd geblèr, een slagersvrouw hanteert altijd een groot hakmes, de norse veerman is ook de doodgraver. Als een fietser midden op de hei een lekke band krijgt, is hij in een spijkertje gereden. De man uit de grote stad bestelt in een dorpsslagerij een onsje «mortadella», waarmee maar gezegd is dat hij een flapdrol is die niets begrijpt van het platteland – ook al is hij al honderd jaar volkenkundige.

De constituerende elementen die op papier overtuigend moeten hebben geleken, schieten allemaal te kort. Hoe kan dat? Te vermoeden valt dat de regisseurs – gezien hun achtergrond – niet echt gevoel hebben voor drama, maar waarschijnlijk ligt het probleem dieper. Er zijn in Nederland niet zo veel mensen die een echt goed scenario kunnen schrijven. Er zijn er nog minder die een scenario echt goed kunnen lezen en er zijn er maar twee of drie die met hun vuist op tafel durven te slaan en te zeggen: «Jongens, lees dat nou nog eens. Iemand bestelt anno 2005 drie biertjes in een dorpscafé en zegt: ‹Ik trakteer.› We zijn toch niet Q&Q The Movie aan het maken?»

Het Zwijgen is nu in roulatie