Interview Geertrui Daem

«Ik trek een ferme neus»

Geertrui Daem, Vlaams schrijfster van verhalenbundels, toneelstukken en laatstelijk een roman, ‹Koud›. Daarmee is ze genomineerd voor de Libris-prijs. Kenmerkend in haar werk zijn de sappige Vlaamse dialogen. «De basis van de taal die ik gebruik, is de taal van mijn jeugd.»

Dachten we dat Nederlandse schrijvers gebukt gingen onder een literaire maffia, in België is het allemaal nog veel erger. «‹De Fonskes› noemen we ze», zegt de Vlaamse schrijfster Geertrui Daem. Haar roman Koud werd in België genegeerd, maar is in Nederland genomineerd voor de Libris-prijs die 8 mei aanstaande zal worden uitgereikt. Ze laat de brief zien die ze twee jaar geleden ontving van «de Fonskes», oftewel de vier mannen die niet alleen werkbeurzen toekennen of afwijzen namens het Vlaams Fonds voor de Letteren, maar ook recenseren voor de belangrijkste kranten én in de literaire jury’s zitten. Daem: «Als ik de Libris-prijs win, ga ik uit deze brief voorlezen.»

In de brief van het Vlaams Fonds voor de Letteren wordt toegelicht waarom Daem niet langer in aanmerking komt voor een werkbeurs. Waar in Nederland een afwijzing hoogstens wordt omlijst met de standaardformulering «wegens onvoldoende literaire kwaliteit», en een auteur alleen op uitdrukkelijk verzoek een meer uitgebreide argumentatie krijgt toegezonden waartegen dan eventueel protest kan worden aangetekend, winden de Vlamingen er geen doekjes om. «De commissie meent dat het werk van deze auteur zowel formeel als inhoudelijk erg mager is», zo begint de brief. Vervolgens wordt in een luttel aantal zinnen de laatst verschenen verhalenbundel met de grond gelijk gemaakt. De schrijfster wordt verweten het steeds over hetzelfde te hebben, en er een «eng naturalistisch wereldbeeld» op na te houden. «De stereotypering lijkt met elk boek groter te worden.» Exit Geertrui Daem.

Daem krijgt er nog tranen van in de ogen. «Ik kan u verzekeren dat ik daar niet goed van was. Het is alsof het geschreven is óm iemand te kraken, met plezier. Ik kreeg tot dan toe een kleine toelage, zeven jaar lang. Niet dat ik daarvan kon leven, maar het was een morele genoegdoening. Mensen zeggen soms tegen mij: ‹Ge hebt het toch ver geschopt, ik sta nog altijd aan den dop.› En dan durf ik bijna niet te zeggen: Ik ook! Ik sta ook nog altijd aan den dop!» («Aan den dop staan» is een stempeltje halen voor een uitkering — mp)

Tien jaar geleden debuteerde ze met de verhalenbundel Boniface. De toen veertigjarige Daem werd als een vrouwelijke Louis Paul Boon binnengehaald. Daem: «Ik heb dat nooit als waar aangevoeld. Het is natuurlijk mooi als ze dat in een kop schrijven: nieuwe vrouwelijke Louis Paul Boon. Maar ze duwen je ook iets in de nek waarop je niet bedacht bent. Het enige wat wij echt samen hebben is dat we uit de Denderstreek afkomstig zijn. De mensen en de taal van de Denderstreek zijn heel herkenbaar.»

Kenmerkend voor het werk van Daem, die naast schrijfster actrice is en ook toneelstukken schrijft, zijn de sappige dialogen, gesteld in een al even sappig Vlaams. «De basis van de taal die ik gebruik, is de taal van mijn jeugd. Maar dan zo geschaafd dat overblijft wat ik er mooi en krachtig aan vind. Eigenlijk idealiseer ik die taal. Het is een taal die iedereen in Vlaanderen zou verstaan; in Nederland is er wat goodwill voor nodig.»

In Koud, waarmee ze zich na alle verhalenbundels voor het eerst aan het romangenre waagt, springt de eigen taal van de personages nog meer in het oog. Het vertelperspectief ligt afwisselend bij een oud-Koreastrijder en zijn dochter, een rebellerende puber. «Ik wilde dit keer geen commentaar leveren als verteller, maar helemaal in de huid kruipen van de personages. Ik denk dat dat ook de kracht is van het boek: dat je bij die mensen direct in het hoofd kijkt.»

De tragische figuur van de oud-Koreastrijder kent ze uit haar jeugd. «Het conflict tussen de vader en de dochter moest op een of andere manier scherp gesteld worden. Ik wilde niet dat de vader zomaar een rechtse klootzak was. Hij moest een man zijn met een verleden, iemand die vergissingen had gemaakt. Bij ons in het dorp liep zo’n gast rond. Hij liep trots te paraderen, met een roodbruine muts van de paracommando’s op. Ik zat nog op de lagere school, maar wist dat er iets met die man was. Hij was uitschot, want hij had gevochten; er werd heel besmuikt over gedaan. Dat intrigeerde mij. Voor deze roman ben ik veel gaan lezen over de Belgen in Korea. Ik heb bijvoorbeeld het dagboek gelezen van Crahay, de leider van de Belgische troepen. Ik ben gaan praten met een Gentenaar die in Korea heeft gezeten. Wat steeds terugkomt is het gevoel van miskenning, nooit gerespecteerd te zijn, misbruikt te zijn. Vietnam heeft de herinnering aan Korea weggedrukt, terwijl er waanzinnig veel mensen zijn omgekomen of beschadigd voor de rest van hun leven.»

In het Libris-juryrapport over Koud wordt een link gelegd tussen vroegere en hedendaagse VN-interventies. Of ze door het verleden te beschrijven naar het heden verwijst, daarover is Daem uitgesproken. «Tuurlijk. Het gaat om dezelfde mentaliteit. Die oorlog is symbolisch, en kan iedere oorlog zijn. Toen was het Korea, nu zijn het andere landen. Ze waren er destijds ook van overtuigd dat ze een Derde Wereldoorlog wilden tegenhouden.»

In de verhalen die ze de afgelopen jaren publiceerde, onder andere Een vader voor Elizabeth (1994), Geboeid door liefde (1996) en Zotverliefd (1997), gaan heel wat dromen aan diggelen. Vooral de wereld van pubermeisjes, en hun seksuele initiatie, beschrijft ze beeldend. Bij alle ontgoocheling die ze oproept, weet ze toch een soort lichtvoetigheid te bewaren. Daem: «De pubermeisjes die ik beschrijf dateren uit mijn eigen jeugd. Ik hoop dat de meisjeswereld nu niet meer zo vol van extreme angsten is, al is een zweem daarvan waarschijnlijk universeel en tijdloos. Het gaat mij juist om het verwachtingsvolle dat niet wordt ingelost. Dat zal altijd wel blijven. Ik weet niet of het aangeboren is, misschien zit het in de genen, maar ik denk dat mannen en vrouwen een totaal verschillend verwachtingspatroon hebben. Ze zijn verbaal ook heel verschillend ingesteld. Mijn verhalen gaan over de onmogelijkheid van communicatie tussen mensen. Iedereen weet dat alles op mislukken zal uitdraaien, en toch beweegt men maar verder. Die onmacht probeer ik te vangen.»

Het menselijk drama is altijd voorhanden. In de stationsrestauratie van Antwerpen waar dit gesprek plaatsvindt, heeft ze een drietal gespot van wie ze vermoedt dat het een moeder is met haar twee zonen. Alle drie hoogbejaard, en gestoken in zelfgebreide vestjes. Daems verbeelding over hun bedoeninkje is onmiddellijk geactiveerd. «Ik probeer van situaties altijd de dualiteit te laten zien. Ik zet een moment stil en vergroot het uit. Dat doe ik ook bijvoorbeeld als ik over seks schrijf. De grootste moeilijkheid daarbij is dat je dat op een manier moet doen die niet déjà vu is. Je moet verder gaan dan een zuivere beschrijving van de seks, want bij seks hoort dubbeldenken. Van degene die aan seks doet, of die met of tegen haar zin wordt gebruikt of misbruikt. Daarop wil ik de nadruk leggen, niet op de handeling zelf. Op de dingen waaraan je niet kunt ontsnappen. Dat is voor mij het vlees aan het bot, oftewel de prikkel tot schrijven. Geen mens is zonder dualiteit. Ik heb altijd gekeken naar mensen, als meisje al, geluisterd naar wat zij zeggen, gezien wat zij doen en gemerkt dat het bij elkaar niet klopt. Ik heb een sterke herinnering aan het eerste besef daarvan: dat het niet klopt.»

Voor de Libris-prijs moet Koud van Geertrui Daem het opnemen tegen het werk van twee Nederlandse coryfeeën, Siegfried van Harry Mulisch en Kreutzersonate van Margriet de Moor, en tegen Een soort Engeland van Robert Anker, Voel maar van Jan Brokken en Over de grens van Chaja Polak. Gelezen heeft Daem die boeken nog niet. «Misschien doe ik dat later nog wel. Ik ben met een nieuw boek bezig, en dan kan ik niet goed lezen. Ik heb wel in de andere boeken gebladerd. Zonder pretentieus te willen zijn, denk ik wel dat mijn boek anders is. De vorm die ik heb gekozen is niet traditioneel beschrijvend.»

Al eerder maakte ze het prijzencircus in Nederland mee. In 1995 werd ze voor haar bundel Een vader voor Elizabeth genomineerd voor de toenmalige AKO-prijs, die uiteindelijk werd gewonnen door Connie Palmen met De vriendschap. Het boek dat Daem nu aan het schrijven is, schrijft ze met steun van het Nederlandse Fonds voor de Letteren. «Blijkbaar zien ze me in Holland liever dan in Vlaanderen. Ik ben niet meer sant in eigen land («sant» is heilig — mp). Op traditionele vertelkunst wordt denigrerend gereageerd. Het is alles ‹postmodern› wat de klok slaat. Weet je dat Koud zelfs niet besproken is in De Standaard der Letteren? De recensent van De Standaard zit in de beoordelingscommissie van het Vlaamse Fonds voor de Letteren. Dit keer heeft hij ervoor geopteerd om mijn boek niet de grond in te boren, maar het dood te zwijgen. Dat is nog veel erger. Toen ik die afwijzingsbrief kreeg, heb ik een brief teruggeschreven, te mijner verdediging, met allerlei bewijzen erbij dat de mensen die moeten beslissen over mijn werkbeurs mijn werk niet lusten. Dus waarom zouden zij mij dan een toelage geven? Ik ben zeker niet de enige die geen geld meer krijgt, of veel minder. Maar anderen waren zo slim om ook een beurs in Nederland aan te vragen. Als ze mij hadden gewaarschuwd dat ik niets meer zou krijgen, had ik dat ook al eerder kunnen doen. Het is een ferme neus die ik zal trekken, mocht ik de Libris-prijs winnen. Maar eigenlijk, met deze nominatie, trek ik die nu al.»

Geertrui Daem

Koud

Uitg. The House of Books, 220 blz., € 14,-