Ik verdom het

Identificatieplicht op het werk. Ook Martin van Amerongen moet voor elk klusje deze ‘eigentijdse vorm van een Arier- verklaring’ overleggen. Hij doet niet mee.
HET IS NU precies vijfentwintig jaar geleden, geen jaar meer en geen jaar minder, dat er in Nederland een explosieve discussie werd gevoerd over de volkstelling, een van overheidszijde geinitieerde poging om het volk in een zogenaamde ‘nationale rontgenfoto’ te vereeuwigen. Iedere volwassen Nederlander werd verplicht een honderdtal vragen te beantwoorden. Tamelijk onschuldige vragen naar bijvoorbeeld het beroep, de voornaamste bron van inkomen, de oppervlakte van de keuken en het al dan niet beschikken over een toilet-met-waterspoeling. Er werd in die tijd inderdaad verontrustend veel op de openbare weg gescheten, zodat het inderdaad in ons aller belang was dat dit verschijnsel op infrastructurele wijze in kaart werd gebracht.

De angel van deze massa-enquete was de invaliditeitsparagraaf benevens de vraag naar de levensbeschouwelijke gezindheid. ‘Wat had de overheid te maken met de vraag over welke kunstledematen ik beschik?’ redeneerde menigeen. 'Waarom moet worden geadministeerd of ik Rozenkruiser, vrijmetselaar, Jehova-getuige of jood ben?’ vroegen anderen.
Er zat, achteraf gezien, wat overdrijving in de discussie. De overheid bedoelde het waarschijnlijk niet zo kwaad. Zij was vast niet van plan om de tachtig miljoen ponskaarten die voor deze nationale rontgenfoto nodig waren, aan de CIA door te spelen, zij was slechts verslaafd aan haar eigen regelneverigheid.
Hoe het ook zij, de kinderen van de culturele revolutie op het breukvlak van de jaren zestig en zeventig voelden er niets voor zich zo gedetailleerd te laten registeren en liepen massaal te hoop. In bijvoorbeeld de (toen nog) Nieuwe RAI, waar in november 1970 door een aantal verstandige en minder verstandige mensen over de materie werd gediscussieerd. Ik herinner mij een kunstenares, die met verdriet constateerde hoe de 'creatieve mens’ steeds meer veranderde in een passieve formuliereninvuller. En ik herinner mij de toen al hoogbejaarde anarchist Arthur Lehning, die opriep om met het simpele woordje 'neen’ een einde 'aan deze hele ondemocratische, totalitaire onzin te maken’.
Het aantal neenzeggers bedroeg uiteindelijk slechts 23.000, wat een tegenvaller was. Het merendeel van de bevolking had geen boodschap aan onze principiele overgevoeligheden en liet zich gewillig ondervragen. Overigens werd die 23.000 dwarsliggers de sanctie op weigering - twee weken gevangenisstraf - haastig vrijgescholden, want de regelneverige overheid kon moeilijk de hele Nederlandse links-liberale intelligentsia in de cel stoppen, hoe graag men dat wellicht ook had gewild.
HET GING - toen al - over onze privacy, onze gemengde gevoelens over het feit dat ergens in Den Haag een dossier zou liggen met gegevens waarmee de overheid in feite niets te maken heeft. Daarnaast ging het over inefficiency: dat Nederland zuchtte onder woningnood en werkloosheid hoefde werkelijk niet statistisch te worden bewezen. Daarnaast had de discussie een emotionele component. De oorlog lag toen, in 1970, slechts vijfentwintig jaar achter ons, de oorlog die door een aantal van ons - geestelijk gestoorden, zigeuners, joden, halfjoden en driekwartjoden - was verloren omdat het bevolkingsbestand met bureaucratische precisie was bijgehouden.
Inmiddels, een kwart eeuw later, is een tweede oorlog verloren: de oorlog tegen de computerfreaks van Reader’s Digest en het Centrum voor Consumenten Informatie, die inmiddels honderd maal meer van ons weten dan die brave volkstellers in 1970. De overheid is sindsdien echter ook honderd maal informatiehongeriger geworden, met het verschil dat het toen over ons ging en thans over anderen gaat.
Het zijn de vluchtelingen die inmiddels tot nationaal probleem nummer een zijn uitgeroepen, al weet ik zeker dat de problemen van deze vluchtelingen - legaal en illegaal - vele malen groter zijn dan die van de ambtenaren die in hun verblinding hebben bedacht dat elke financieel- administratieve handeling onzerzijds inmiddels met een kopie van ons persoonsbewijs gedocumenteerd moet worden. Op straffe van inhouding van zestig procent van ons salaris, het zogenaamde anoniementarief.
Het is uiteindelijk gericht tegen de allochtonen onder de bevolking die geen legale status hebben. Het is gericht tegen de zwartwerkers onder hen die ongetwijfeld eveneens een probleem vormen, zij het niet zo'n groot probleem als mijn autochtone benedenbuurman, mijn autochtone bovenbuurman en mijn autochtone overbuurman die sedert jaar en dag, met behoud van uitkering, zo schaamteloos in het zwartwerkerscircuit bezig zijn dat de Bijlmer er van verbleekt.
Het zijn onmiskenbare misstanden, misstanden waar wat aan moet worden gedaan. Van de zijde van de overheid - die immers de taak heeft over ons aller lusten en lasten te waken. Het is niet de taak van de individuele burger. Die kan niet worden gedwongen als getuige a charge tegen het schlemielige, zij het wellicht illegale deel van de samenleving op te treden. Ik althans zou mij werkelijk kapot generen om ten burele van mijn werkgever zo'n eigentijdse vorm van een Arier-verklaring te deponeren.
IK HEB OVERIGENS gemakkelijk praten. De overheid weet best dat ik geen heel tot half criminele, overdag zwart werkende en ’s nachts onder de Berlagebrug slapende Somalier ben. De overheid weet alles van mij, tot en met mijn stemgedrag en mijn exotische seksuele voorkeuren, en op het moment dat ik op repressief-tolerante wijze mijn tanden laat zien en nee zeg, zijn de dames en heren van het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Binnenlandse Zaken best in staat mijn formulier in te vullen.
Anderen hebben het moeilijker. Mensen met een freelance bestaan, die niet een maar tien werkgevers hebben. Werkloze toneelspelers, die bij Gods gratie een bijrolletje in een derderangs blijspel krijgen. Mensen die van een uitkering afhankelijk zijn en er een paar gulden bij proberen te verdienen. Ambtenaren wier werkgever de strenge, allesbestierende overheid zelve is. Met instemming en hoogachting citeer ik de ingezonden brief in NRC Handelsblad van 25 maart jongstleden, geschreven door de ambtenaar die door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen werd gesommeerd een kopie van zijn paspoort op zijn werkplek in te leveren. 'Dat doe ik dus niet’, liet hij weten. 'Ik sta in ik weet niet hoeveel overheidsbestanden en niet- overheidsbestanden geregistreerd en dat lijkt mij voldoende. Ik wil geen verlengstuk van justitie worden in de jacht op illegalen en andere zwartwerkers. Die politiepet past mij niet. Op mijn werk ben ik, op een uitzondering na, de enige die geen kopie van zijn paspoort heeft ingeleverd. En dat is toch wat vreemd op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.’
TANDENKNARSEND HEB ik dat ingezonden stuk gelezen, des te meer omdat ik helemaal niet zeker weet of ikzelf tegen dit soort druk bestand zal zijn. Ik ben, net als het overgrote deel van de bevolking, gemakkelijk van overheidswege te intimideren. Ik sta stil voor het rode stoplicht, overschrijd (als niet-automobilist) nooit de maximumsnelheid, voldoe aan mijn morele stemplicht, laat mijn vaten spoelen door een - geloof het of niet - legale huishoudelijke hulp en brengt jaarlijks meer dan de helft van mijn salaris naar de fiscus zonder daarover kleinburgerlijk te mekkeren. Toen kreeg ik gisteren een brief van de Nederlandse Programma Stichting, de opvolger van de NOS, waarvoor ik een paar weken geleden een klusje heb opgeknapt. En ja hoor, of ik, alvorens mij mijn honorarium zou worden uitbetaald, een kopie van een 'geldig reisdocument’ wilde verstrekken. 'Dit is noodzakelijk omdat werkgevers verplicht zijn de identiteit van werknemers vast te stellen zodra de inhoudingsplicht ontstaat.’ En je ziet hoe het mechanisme werkt. Het fiere antwoord 'Ik verdom het!’ vergt een ingewikkelde brief met veel argumentatief gedonderjaag. De klus betrof trouwens een schertsbedrag, zoals te Hilversum gebruikelijk. Maar hoe moet het straks met de firma X waarvan ik nog heel wat meer geld tegoed heb? En hoe moet het overmorgen met uitgeverij Y die eveneens voor een aanzienlijk bedrag bij mij in het krijt staat, geld dat ik, zoals wij allen, maar al te goed kan gebruiken?
Ik doe mijzelf niet flinker voor dan ik ben. Niettemin kies ik eveneens voor het 'Ik verdom het!’ Zijn die lui godverdomme een beetje belazerd! Niettemin ben ik niet het type om dit principiele conflict tot aan de Hoge Raad uit te vechten. Mocht ik uiteindelijk toch voor de chantage van de overheid bezwijken, dan vraag ik uw begrip, uit naam van mij en mijn twee hongerende bloedjes van kinderen.