Gijzelingen in Jemen

‘Ik vertrek zo weer naar Jemen’

Op 31 maart werden Jan Hoogendoorn en zijn vrouw door een lokale Jemenitische stam ontvoerd. Na twee weken onderhandelen met de regering lieten de kidnappers hen vrij.

‘NU ZIJN WIJ aan de beurt’, schoot het door het hoofd van Jan Hoogendoorn toen hun 4WD op een afgelegen stuk van de hoofdweg naar San’a van de weg werd gedrukt door een auto vol gewapende mannen. Hij stopte meteen: ‘Een van hen was gekleed als politieman en bovendien, met al die kalasjnikovs neem je geen risico.’ Een Jemeniet nam het stuur over en in colonne verlieten ze met de 4WD’s van de ontvoerders de hoofdweg. Vijf uur duurde de rit over onbestrate wegen en in hoog tempo naar een dorpje in het hooggebergte ten zuidoosten van San’a.
‘De eerste paar uur was de sfeer heel gespannen’, vertelt Hoogendoorn. ‘Toen ze de auto van de weg hadden gehaald, duwden ze mij nogal hardhandig op de achterbank. Twee kidnappers trokken hun colberts uit, die moesten wij aantrekken en we kregen beiden ook een Jemenitische sjaal om het hoofd gewikkeld. We merkten dat de kidnappers zenuwachtig waren, ze belden voortdurend en leken geen duidelijk idee te hebben over de volgende stap. Later hoorden we dat ze eerst een groep Franse toeristen hadden willen kapen. Toen wij langskwamen, een handzaam echtpaar in een eigen auto met Jemenitisch nummerbord, pasten ze hun plannen aan. Ze hadden eerst ook geen idee wat onze nationaliteit was.’
Jemen heeft een lange traditie in het nemen van gijzelaars als garantie dat afspraken worden nageleefd. In de jaren dertig van de vorige eeuw was het vooral een middel om vijandige stammenfederaties onder controle te krijgen. In 1908 kwam Imam Yahya aan de macht en na het vertrek van de Ottomanen in 1918 maakte Yahya handig gebruik van het ontstane machtsvacuüm om heerser te worden over grote delen van Centraal- en Noord-Jemen.
Historicus Paul Dresch beschrijft hoe de stammen rond Marib, het gebied dat ook nu nog berucht is vanwege de ontvoeringen, als laatste door Yahya onderworpen werden. Elke stam die zich verzette, werd gedwongen gijzelaars te leveren, zodat er in de jaren dertig meer dan vierduizend gevangen zaten. Hun behandeling hing direct samen met het gedrag van hun stam: was dat goed, dan sleten ze hun dagen in luxe en relatieve vrijheid, zo niet, dan verbleven ze soms jarenlang in een ondergrondse kerker.
Heleen Janszen: ‘Wij kwamen terecht in een afgelegen gehucht in de bergen ten oosten van San’a. Daar kregen we een huisje met een hamam, maar zonder stromend water. Al de eerste avond werden we gebeld door Associated Press en een lokale zender, dat hadden de ontvoerders geregeld. Ook vroegen ze ons de Nederlandse ambassade te bellen, maar die is formeel geen partij in de onderhandelingen. Ze kunnen alleen de betrokken partijen aansporen. Aan de overkant van de berg werd een grote tent opgezet en de eerste week was het een komen en gaan van lokale sjeiks als bemiddelaars.
Overdag mochten we vrij rondlopen, ’s nachts sliepen twee bewakers voor de deur. We lazen veel en keken hoe de vrouwen en kinderen van de nabijgelegen boerderij voor de geiten zorgden. Een van de vrouwen kwam op bezoek en probeerde het ons zo goed mogelijk naar de zin te maken. Op een dag slachtten ze voor ons een lammetje, dat was fascinerend om te zien.’
De ontvoering van Hoogendoorn en Janszen was het gevolg van een conflict tussen de Siraj-clan van de Bani Dhabyan-stam en de lokale autoriteiten. Bij het passeren van een checkpoint zes maanden eerder schoot het leger op een auto van de Siraj. Zes stamleden raakten ernstig gewond. De kidnappers eisten bloedgeld, berechting van de hoge militairen die bij het schietincident betrokken waren en een vrijgeleide voor de ontvoerders. Volgens een woordvoerder van de Siraj hadden ze al maanden geprobeerd legale wegen te bewandelen, maar zonder enig resultaat.

HET GIJZELEN van buitenlanders raakte in de jaren negentig in zwang als een makkelijke manier om druk uit te oefenen op de centrale regering. In 1990 waren Noord- en Zuid-Jemen samengegaan. Er waren vele spanningen tussen de stammen en de regering, die dikwijls toezeggingen deed waarvan weinig terechtkwam. Van de jaren negentig tot nu vonden ruim driehonderd ontvoeringen plaats, die op twee na alle goed afliepen. Een van de ontvoerde buitenlanders van het eerste uur was Jac van der Gun.
De ontvoering van Van der Gun en twee collega’s van TNO in 1994 was grimmiger dan die van Hoogendoorn en Janszen. Nadat ze op een tocht in het bergland een blokkade hadden ontweken, werden ze onmiddellijk achtervolgd, waarbij de kogels hen om de oren vlogen. Ze slaagden erin de achtervolgers af te schudden, maar een half uur later werden ze alsnog klemgereden en gevangen genomen. De ontvoerders brachten hen naar een verlaten plek in de bergen, waar ze in een tent sliepen. Om de paar dagen moesten ze – soms in het holst van de nacht – verhuizen. Lopen mocht alleen tien meter rondom de tent, pas later mochten ze onder gewapende begeleiding langere wandelingen maken. De onderhandelingen met de regering, via de Nederlandse ambassade tot stand gebracht, duurden negen weken.
Jac van der Gun: ‘Na enige weken kregen we via de boodschapper van de stam een pakket van de ambassade, met boeken, schrijfblokken en een radiootje. Dat radiootje was fantastisch, want terwijl wij vastzaten, brak de burgeroorlog uit. We smachtten naar objectief nieuws, net als onze ontvoerders. We vertelden dat de radio bezit was van de Nederlandse staat en waren er kritisch op aan wie we ’m uitleenden. Kort voordat de burgeroorlog uitbrak, omsingelde het leger ons, waardoor de spanning hoog opliep. Tijdens de oorlog werden de soldaten echter teruggehaald en realiseerden we ons dat de ontvoering geen prioriteit meer had.
Uiteindelijk zijn we 65 dagen vastgehouden. Diverse keren werden we met de dood bedreigd. We waren er niet gerust op. We waren immers met z’n drieën, dus de stam zou genoeg wisselgeld overhouden wanneer ze een van ons opofferden. Na een week of zes kreeg een van mijn collega’s hoge koorts, we vreesden malaria. Eerst mocht hij alleen naar een lokale dokter en pas na lang aandringen konden we de ontvoerders overhalen hem terug te brengen naar San’a.’
De ontvoering eindigde onverwacht. Van der Gun: ‘Of er losgeld is betaald, weet ik niet. Het was burgeroorlog, het vliegveld was dicht en na onze bevrijding zijn we direct met een door de minister van Binnenlandse Zaken geregeld vliegtuig het land uit gebracht.’

OOK DE VRIJLATING van Hoogendoorn en Janszen ging gepaard met onduidelijkheid. ‘Nederlands echtpaar bevrijd na een vuistgevecht tussen kidnappers en sjeiks’ kopte de Yemen Observer op 13 april. Een paar uur later had Janszen de NOS aan de lijn, die haar feliciteerde met haar vrijlating. ‘U weet meer dan ik’, reageerde ze verbaasd.
Janszen: ‘Pas midden in de nacht werden we gewekt en begon de terugtocht naar San’a. De weg was slecht en moeilijk begaanbaar. Bovendien was de benzine van onze eigen auto halverwege op. Toen San’a al in zicht kwam, stopten de ontvoerders om een schaapje te slachten en een feestje te bouwen. Pas ruim twee uur later reden we verder. Zeven uur na ons vertrek kwamen we onder overweldigende lokale belangstelling bij het gouvernementsgebouw aan.’
Die avond zond de Jemenitische staatstelevisie een discussieprogramma uit, getiteld: Ontvoering en terrorisme zijn twee kanten van dezelfde munt. Na een uitleg van de Koran, waarmee werd aangetoond dat terrorisme het werk van de duivel is, werden tientallen zwart-witfoto’s van gezochte terroristen getoond. Jemen heeft een probleem met al-Qaeda, hoewel een woordvoerder van het ministerie van Binnenlandse Zaken verklaarde dat het terrorisme vrijwel onder controle is. Door de open grenzen met Saoedi-Arabië en de geringe controle van de regering over grote delen van het land is Jemen een geschikte vrijplaats voor al-Qaeda-aanhangers die elders zijn verjaagd. Nog in februari kwamen vier Koreaanse toeristen bij een zelfmoordaanslag om het leven.
Hoewel de titel van het programma anders suggereert, is er slechts een enkele keer sprake geweest van een aantoonbare relatie tussen lokale ontvoeringen en internationaal terrorisme. In december 1998 kwamen drie ontvoerde Britten en een Australiër om bij een bevrijdingspoging door het Jemenitische leger. De kidnappers, het islamitische leger van Aden-Abyan, eisten onder meer vrijlating van zes Engelse islamisten, die onder het mom van een cursus Arabisch naar Jemen waren gekomen. Toen een lokale sjeik, zoals gebruikelijk bij ontvoeringen, wilde bemiddelen, werd hij weggestuurd met de opmerking dat het ‘hogerop geregeld werd’: de leider van de ontvoerders had tijdens de gijzeling direct contact met de extremistische Abu Hamza van de Londense Finsbury Park-moskee.
Bij de vrijlating van Hoogendoorn en Janszen verklaarden verschillende sjeiks van de Bani Dhabyan op televisie dat zij ontvoeringen afkeurden en dat het alleen wat rotte appels zijn die zich hier nog mee bezighielden. Een oude sjeik met een stevige baard zei echter ook dat er ‘oorzaken zijn voor de ontvoeringen en dat de regering die oorzaken moet wegnemen’. De hoofdbemiddelaar, Abdel Qawi as-Sharif, bezwoer dat er een Mithaq Sharaf, een erecode, binnen de Bani Dhabyan was afgesloten dat er geen ontvoeringen meer zullen plaatsvinden.
Hoe lang die erecode zal standhouden is echter de vraag, want hoewel de regering ontkent, schrijven verschillende Arabische media over een losgeld dat de Jemenitische regering betaald zou hebben: 50.000 dollar voor de vrijlating en nog 275.000 dollar erna. Bovendien zou ze de de garantie hebben gegeven dat de ontvoerders vrijuit gaan. Ook de stamgenoten van de Siraj die de regering direct na de ontvoering van Janszen en Hoogendoorn in gijzeling had genomen, zouden weer op vrije voeten zijn. Zolang het rechtssysteem van de staat slecht blijft functioneren, lijkt het ontvoeren van buitenlanders nog steeds een van de weinige middelen om resultaat af te dwingen.
Hoogendoon en Janszen zijn inmiddels terug in Nederland. ‘We zijn goed behandeld en hebben geen moment het gevoel gehad in levensgevaar te verkeren’, verklaart Hoogendoorn. ‘Mijn contract voor Vitens was net afgelopen, maar als het verlengd zou worden, vertrek ik zo weer naar Jemen.’ Zijn vrouw knikt bevestigend.