Masha Gessen over het lichaam, Amerika en het altijd nabije Rusland

‘Ik voel me vaak een verkeerd soort vreemde’

Een terugkerend thema bij de Russisch-Amerikaanse journalist en schrijver Masha Gessen is dat wat ondenkbaar leek toch realiteit kon worden. ‘Mensen wenden zich tot mijn werk voor dingen die daar niet te vinden zijn. Troost, bijvoorbeeld.’

Medium anp 23651444
Masha Gessen en andere Russische activisten strijden voor homorechten voor het Russisch parlements­gebouw © Kirill Kudryavtsev / AFP / anp

Masha Gessen poogt onmogelijke verhalen te vertellen. Soms is het onmogelijke zo genuanceerd dat het daarom niet gezien wordt. Soms is het onmogelijke ondenkbaar, en wordt dat wat al lang realiteit is geworden alsnog als ‘onmogelijk’ bestempeld. Zo achtte The New York Times het ondenkbaar dat Donald Trump de Amerikaanse verkiezingen zou winnen. De krant bereidde een heel pakket verhalen voor over de ‘eerste vrouwelijke president’, en had niets klaarliggen toen Trump werd gekozen. Gessen komt uit Rusland, waar het onvoorstelbare vaak realiteit wordt en waar het onmogelijke logisch voelt – ‘werkelijke terreur is arbitrair, zinloos en onvoorspelbaar’, beschrijft Gessen de situatie in Rusland.

In De toekomst is geschiedenis: De terugkeer van het totalitaire Rusland, waarmee ze de National Book Award 2017 won, portretteert Gessen vier mensen die opgroeiden na de val van het sovjetregime. Zjanna, Masja, Serjozja en Ljosja hadden slechts enkele jaren om dromen van vrijheid te formuleren, alvorens Vladimir Poetin een ‘totalitaire maffiastaat’ creëerde, een land dat wordt bestuurd als een familie: met een machtige man aan het hoofd die betaalt en bepaalt. Totalitair, omdat alle familieleden actief moeten deelnemen. En eigenlijk kwam dat dromen over de toekomst helemaal niet op gang, want de homo sovjeticus – iemand die zich gedwee gedraagt en niet voor zichzelf nadenkt omdat dit wordt afgestraft, laat staan dat deze persoon kan bedenken dat het zelf nadenken ontbreekt – zat te diep verankerd in de inwoners van Rusland. De Rus raakt niet bevrijd van de homo sovjeticus die in hem huist, zoals Frantz Fanon in De verworpenen der aarde beschreef hoe een gekoloniseerd volk niet zomaar vrij is wanneer dekolonisatie administratief plaatsvindt.

‘En nu?’ vroeg Gessens dochter nadat Trump de Amerikaanse verkiezingen had gewonnen. Gessen dacht dat haar dochter vreesde dat ze weer moesten verhuizen, zoals ze uit Moskou moesten vluchten omdat het voor een queer gezin niet langer veilig was. Maar haar dochter wees haar slechts op een verantwoordelijkheid: ‘Je bent altijd met Poetin bezig.’

Sinds kort schrijft Gessen twee keer per week voor The New Yorker. Met het ‘ondenkbare’ als haar logica analyseert ze de Amerikaanse politiek en het publieke debat. Eerder richtte ze zich inderdaad vooral op Rusland: ze schreef een biografie van Poetin, De man zonder gezicht: De macht van Vladimir Poetin, rapporteerde over het werk van Pussy Riot en lgbtq-activisten. Haar boek in 2015 over de Boston Marathon-bombers was een eerste uitzondering (of deels, want de Tsarnaev-broers kwamen uit Kirgizië), maar meteen ook een mislukt project. ‘Ik was niet lang genoeg in de VS om te begrijpen hoe ik het publiek hier kon bereiken.’ Dat ‘ertussenin’ zitten voelt ze altijd, en is meestal de kracht van haar werk. ‘Dat is wat ik toe te voegen heb. Voor The New Yorker alleen al schrijven tig mensen over het onderwerp van de dag, het is aan mij om een andere logica in te brengen.’

Hoewel er van Gessen genoeg te lezen is – met negen boeken op haar naam en nu dus met regelmaat een column online – kan ik geen genoeg krijgen van haar werk en logica. Ze combineert een ontvankelijk, empathisch soort denken met een gedurfd, consequentierijk redeneren. Ik zoek haar online op, luister naar haar lezingen en zie haar bij talkshows verschijnen. Amerikaanse interviewers leggen haar grote vragen voor, meestal met een dramatische, bombastische toon. Gessen reageert kalm, begint haar antwoord met ‘Zo zou ik het niet zeggen’ om vervolgens uiteen te zetten hoe zij erover denkt.

Een tijdje geleden verscheen Gessen op een podium met een van de ‘karakters’ uit De toekomst is geschiedenis: Ljosja. Als homoseksuele academicus woont Ljosja nu een paar jaar in New York. Samen spraken ze voor een klein, voornamelijk Russisch publiek in een galerie aan Broadway, Manhattan. Er waren hapjes die voor de meeste aanwezigen naar huis verwezen. Er werd veel verwezen naar een context die ik niet herkende – Russische namen, politieke actualiteit – waardoor het ineens voelde alsof ik geen Engels verstond. Er werd veel gelachen om grapjes die ik niet begreep. En dat was prettig; ik ervoer dat er veel betekenissen waren die ik niet meekreeg – een uitnodiging om een realiteit te leren kennen die je vanuit je eigen perspectief niet eerder opmerkte.

Ljosja vertelde dat het soms onmogelijk lijkt om zijn levensverhaal goed te vertellen, omdat Amerikanen al bij de eerste zinnen ‘Oh my God’ roepen, zo absurd en vreselijk vinden ze het geweld en de surveillance die hij als homo in Rusland heeft meegemaakt. Het is een bijna onmogelijk verhaal, omdat zijn verhaal ondenkbaar, onbegrijpelijk is voor wie de context zelf niet heeft meegemaakt. Hoe vertel je dan toch nog je eigen verhaal? Het publiek knikte instemmend. Ik dacht aan de wijze waarop vreemdelingendiensten, zoals de ind in Nederland, vluchtelingen trachten te toetsen.

Soms doet Gessen me aan Hannah Arendt denken. Die achtte het onmogelijke – nuance – waar: de Joodse Raden waren betrokken bij de uitlevering van Europese joden. Ook betoogde ze dat Eichmann nauwelijks ideologisch gemotiveerd was. Hem als een monster benaderen, bracht geen inzicht. De joods-Duitse Arendt vluchtte in 1941 naar New York, waar ze tot haar dood in 1975 bleef wonen en werken. Gessen werd in 1967 geboren in Moskou. Op haar vijftiende vertrok het gezin naar Amerika, maar tiener Masha had ondertussen een fantoomleven in haar geboorteland: omdat het vertrek van de familie Gessen geheim moest blijven, deed haar achtergebleven oma alsof Masha in een klein dorp in Rusland was gaan studeren. Toen zij later hoorde welke universiteit haar oma voor haar had bedacht – een kleine, weinig indrukwekkende school – ervoer zij dat als een belediging. In de Verenigde Staten had Gessen een veel spannender leven: ze liep weg van huis, kraakte en ervoer ‘een thuisgevoel’ in de queer gemeenschap. Als journalist trok ze naar Rusland, bleef, kreeg kinderen, en na vijftien jaar keerde ze weer terug naar de VS, naar New York. Ze noemt zich een Rus in Amerika en een Amerikaan in Rusland.

Ik ontmoet Gessen voor een interview. We spreken af in het zuiden van Manhattan, in een café waar de ober haar naam op het omslag van het boek ziet en vertelt dat hij een tijd in Moskou heeft gewoond. Hij danste er vijf uur per dag ballet, en volgde Russische les. Hij komt uit Colorado en spreekt nauwelijks over zijn ervaringen in Rusland: ‘Iedereen hier hoort “Rusland” en denkt: ze zijn gek daar.’

Gessen komt aan op een racefiets, ze draagt een helm, een zonnebril die naarmate we elkaar langer aankijken lichter wordt. Ze is te laat, het duurde allemaal langer dan gepland, ze moest een nieuw paspoort halen: haar huidige paspoort zat vlug vol vanwege het reizen. Dat is wat de National Book Award winnen met je doet.

Wanneer ik haar vraag waarom ze zo’n ‘outliner’ is (Gessens werk is altijd heel helder ingedeeld, haar lezingen hebben hoofdstukken en sub-hoofdstukken en zelfs in talkshow-optredens antwoordt ze gestructureerd, bijvoorbeeld door meteen te noemen hoeveel argumenten ze paraat heeft), verstaat ze dat ik haar een ‘outsider’ noem. Beide classificaties vormen een voorwaarde voor het schrijven. Zonder outline kan ze niet denken. ‘Dat is de enige manier: eerst verzin ik de hoofdlijnen van een boek, dan van elk hoofdstuk en dan van elke alinea en dan is het boek klaar.’ Schrijven is begrijpen, een logica vinden.

‘Als je je lijf achter woorden verstopt, ben je beschermd tegen een regime dat je lichaam in de gaten houdt’

Was ze geen outsider, dan had ze niets toe te voegen. ‘Ik ben dankbaar voor dit buitenstaandersperspectief, maar ik zou niet willen zeggen dat ik er bewust aan vasthoud. Vaak genoeg voel ik me een verkeerd soort vreemde.’

Gessen en Arendt gebruiken beiden een volledig eigen, heldere, nuchtere taal. Enerzijds lijken ze bereid om na te denken over alles wat in de publieke opinie belangrijk wordt gevonden, anderzijds wijken ze daarin geen moment af van hun eigen koers. Stel je een vraag, dan volgt daarop een volledig onverwacht en tegelijkertijd volledig eigen antwoord. Het is typisch Gessen, maar niet typisch in de zin van ‘voorspelbaar’.

‘Eigenlijk doe ik wat Eve Kosofsky Sedgwick formuleerde in Privilege of Unknowing: in een tweetalige situatie is het de persoon met de minste taal die domineert. De truc is: blijf je eigen taal spreken. Het is een menselijke, natuurlijke neiging om naar de ander toe te trekken, om de taal te gaan spreken van degene tegenover je. Maar als zij de verkeerde taal spreken, dan moet je je eigen taal blijven spreken. Ik kan dit alleen als ik het heel bewust doe, anders wint het verlangen om te communiceren. Dat is een bewuste methode.’

Maar er is nog iets wat haar helpt, stelt Gessen: ‘In deze tijd en op deze plek wordt het mij toegestaan dat ik niet echt vrouw ben en niet echt man.’ Ze draagt een colbertje en overhemd, haar nagels zijn royaal blauw gelakt. Haar stem is anders dan de meeste vrouwen die op televisie verschijnen. Lager. ‘In Rusland werd ik meestal telefonisch geïnterviewd. Ik wist het altijd meteen wanneer ik met een lesbo sprak. Het is iets in de stem.’ Ik weet welk iets ze bedoelt, dus ik knik en vraag niet door. Dat is wellicht het probleem van iets herkennen of weten: het voelt bijna onvoorstelbaar dat je het niet zou herkennen of weten en dus lijkt verder vragen onnodig.

Small gettyimages 141815552
Masha Gessen © David Levenson / Getty Images

De vorige keer dat ik een Russische activist ontmoette waarvan ik diep onder de indruk was, betrof het Nadja Tolokonnikova, een van de oprichters van Pussy Riot. Na onze ontmoeting probeerde ik de stippen eyeliner die zij onder haar ogen tekende, over te nemen. Bij Tolokonnikova was het net alsof ze vier in plaats van twee pupillen had, agressief en uitnodigend tegelijk. Bij mij dachten de meeste mensen dat ik was uitgeschoten met mijn mascara. Sinds ik Gessen voor het eerst live meemaakte in de Russische galerie draag ik blauwe nagellak. Er zijn vele manieren om je te verbinden; het lichaam is daar een van.

Voor Gessen is het lichaam aanwezig en afwezig tegelijk. ‘Schrijven is een heel fysiek proces. Je denkt vast dat ik gek ben, maar ik schrijf alles eerst met de hand. Ik kan niet aan een artikel of boek beginnen voordat ik de juiste opschrijfboekjes heb gevonden. Als de inkt te waterig is, of het papier te dun, dan lukt het niet. Maar het fysieke proces van het schrijven contrasteert sterk met de manier waarop ik opgevoed ben. In de cultuur waar ik vandaan kom, is schrijven juist een manier om los te komen van het lichaam. Om te overleven is dat van groot belang. Mensen worden vermoord, manuscripten overleven. Als je je lijf achter woorden kunt verstoppen, ben je beschermd tegen een regime dat je lichaam in de gaten houdt of vermoordt. Het is mijn instinct om mijn schrijven te zien als iets wat gescheiden van mij tot leven komt.

In De toekomst is geschiedenis heb ik geprobeerd te verdwijnen. Ik zag het voor me als een film met twee perspectieven: vanuit het vogelperspectief en vanuit de geïnterviewde, het karakter, bezien. Het was mijn doel om niet voor de lens te lopen. Zo heb ik er bijvoorbeeld voor gekozen om geen aanhalingstekens te gebruiken. Door te citeren, markeer je je aanwezigheid. Het is best riskant, want ik neem veel vrijheid door gewoon rechttoe, rechtaan te vertellen alsof ik het karakter ben. Maar niemand heeft het opgemerkt.’ Zo onzichtbaar is haar poging om onzichtbaar te vertellen dus.

In haar boek zijn het de personages die spreken. Ook introduceert ze een psychoanalyticus, een socioloog en een filosoof die op hun situatie en land reflecteren. Gessen formuleert zelf geen gedachten. In interviews vertelt ze theoretischer, analytischer. Ze beschrijft de homo sovjeticus en Erich Fromms onderscheid tussen ‘vrijheid om’ (iets te doen of na te streven) en ‘vrijheid van’ (niet gestuurd door een duidelijke autoriteit). De ‘vrijheid om’ is positief, maar de ‘vrijheid van’ kan een ondraaglijke angst veroorzaken: zonder vaste plaats en positie lijkt het leven dreigend onbegrensd en verkiezen mensen al gauw een autoritaire leider.

Naarmate ze langer in de VS woont, lijkt haar relatie tussen het lichaam en het schrijven te veranderen. Onlangs heeft Gessen toegezegd om samen te werken met het Belarus Free Theatre, wat ook betekent dat ze mee het podium op gaat. ‘Ik speel mezelf’, lacht Gessen. Het Belarus Free Theatre is een bijzonder collectief: het gezelschap heeft geen vaste plek; alleen nomadisch zijn zij enigszins veilig. Ze zetten verhalen op het toneel waarvan Noord-Europese en westerse critici al gauw zeggen dat het geen kunst kan zijn, omdat het zo’n directe verbeelding is van een pijnlijke werkelijkheid. De enige voorstelling van hen die ik tot nog toe heb kunnen zien is Burning Doors. De voorstelling verbeeldde het geweld waarmee kunstenaars worden opgejaagd en gevangen genomen. Soms voelde het stuk als ‘too much’, te overdreven, te veel een constante stroom van geweld. De vraag is of dat een kwestie van regiekeuze is of dat het mijn ongeloof betreft over een realiteit die bijna niet te bevatten is en daarom ‘overdreven’ lijkt.

Voor sommigen leidt de confrontatie met het ondenkbare tot ressentiment. Gessen beschrijft een Russische psychoanalyticus die voor het eerst met westerse academici in aanraking komt. Ze realiseert zich wanhopig waartoe ze allemaal geen toegang heeft; haar universiteit volgt een streng curriculum en alles wat daarbuiten valt wordt al snel als ‘te weinig’ kritisch beschreven. Te weinig kritisch betekent: niet patriottisch genoeg. Of neem de activisten die uit Rusland migreerden, omdat ze dachten dat het sovjetregime nooit zou vallen. Vlak na hun vertrek gebeurde precies dat en moesten zij van ver aanschouwen waarop ze zo hadden gehoopt.

‘Op de verjaardag van Hitler willen sommige Russen wel eens mensen van de Kaukasus vermoorden’

Gessen liep tegen de grenzen van haar eigen verbeelding op toen ze terugkwam in de Verenigde Staten en de queer gemeenschap veranderd zag: haar ontmoetingen met transgenders deden haar beseffen dat ze niet ver genoeg had doorgedacht. Vanwege een erfelijk gen heeft ze haar borsten en eierstokken operatief moeten laten verwijderen. Omdat de hormoonproductie stopte, moest ze oestrogeensupplementen nemen. Nu vroeg ze zich ineens af: ik heb me nooit per se vrouw gevoeld en mijn hormonen komen sowieso uit een zakje, hoezo heb ik er niet aan gedacht om testosteron te nemen?

Nu plakt ze om de dag een pleister met twee milligram. Dat is een lage dosis, ‘maar ik heb geen natuurlijke oestrogeenproductie meer, dus misschien is het effect bij mij sterker’. Een week nadat ze met de testosteron begon, belde The New Yorker. ‘Ik heb er even aan gedacht om de column als “man” te gaan schrijven, zodat ik het niet eng zou vinden om twee keer per week te leveren.’ Uiteindelijk koos ze zelfs niet voor M. Gessen. Het bleef ‘Masha’.

Haar studenten in Massachusetts vragen haar welke pronouns ze verkiest. ‘Ik zeg hun dat ze het zelf mogen weten, mij maakt het niet uit. Ik begin er wel altijd over, dat is een didactische tactiek, natuurlijk hoop ik dat studenten zich daardoor vrijer voelen in hun zoektocht.’ Vooral het zoeken is daarin belangrijk, ‘de keerzijde van het feit dat het steeds normaler wordt om jezelf inclusief “pronouns” te introduceren, is dat het vragen en zoeken tegengaat’.

Gessen weet niet of de testosteron haar werk beïnvloedt. ‘Ik heb meer energie en ik kan met minder slaap. Misschien dat mijn geest wel wordt aangetast door de korte nachten, maar dat de testosteron mij dusdanig veel zelfvertrouwen geeft dat ik denk dat het hartstikke goed gaat. Mannen twijfelen immers ook nooit of ze wel iets te zeggen hebben.’ Het is een grapje, verduidelijkt ze, ‘je kunt niet essentialistisch over gender praten’. Het sociale effect is belangrijker.

Wel brak ze het snelheidsrecord op de fiets. Ik ben vooral verbaasd dat ze dit bijhoudt: ‘Ja, ik ben een serieuze fietser.’ Ze fietste met haar dochter van Amsterdam naar Haarlem omdat ze nu in Harlem, New York wonen. Haarlem leek in niets op Harlem, lacht ze. Ik verzeker haar dat Breukelen ook in niets op Brooklyn lijkt.

Ik denk aan een interview met James Baldwin, toen hij begin jaren tachtig een kort bezoek aan Amsterdam bracht en de interviewer confronteerde met de Nederlandse onverschilligheid over hoe het er elders in de wereld voor stond. Of beter gezegd: de Nederlanders stonden daar niet zozeer onverschillig tegenover, ze wilden graag weten hoe mooi of hopeloos het er elders aan toeging, maar ze erkenden hun eigen verbinding met dat elders niet. Ze/we wilden hoogstens als helden of redders optreden, maar het complexere verhaal – hoe Nederland verbonden is aan dat elders en hoe we zelf bepalen wat we als ‘elders’ zien – werd/wordt vermeden. Hoe denk je dat Harlem in New York terechtgekomen is? woedelacht Baldwin, als de interviewer naar de armoede daar vraagt.

In Harlem is Gessen wit geworden, vertelt ze. In Rusland is ze naar eigen zeggen zwart. ‘Wie eruitziet alsof-ie van de Kaukasus komt, wordt als zwart gezien. Ik zie er Kaukasisch uit, en joods. Joods is niet zwart, joods is joods. Maar het is zeker niet wit. Net zo min als joden in dit land wit waren.’ Ze vertelt over haar zoon, wat het betekent om er ‘Kaukasisch’ uit te zien. ‘Op 21 april, de verjaardag van Hitler, liet zijn muziekleraar hem niet naar huis wandelen, omdat Russen – ik bedoel, sommige Russen, niet alle Russen! – op die dag nog wel eens mensen van de Kaukasus willen vermoorden. Vooral tienerjongens, op straat.’ Gessen was niet bezorgd, ze was boos: ‘Dat zijn muziekleraar hem vertelde dat hij onveilig was! Ongelooflijk. Hij hoefde maar twee straten te lopen. Het risico om een kind te vertellen dat het gevaar loopt is veel groter dan dat kleine stukje alleen over straat!’

Ze vertelt verder over haar zoon: ‘Toen kwamen we naar Harlem en ineens is hij een witte jongen. Al zijn vrienden zijn zwart, ze lezen Ta-Nehisi Coates op school. Hij beseft dat het nu voor hem veilig is om over straat te lopen. En dat terwijl hij naar hun buurt komt, naar hun land.’

Gessens meest recente boek verscheen begin 2018. Het betreft een samenwerking met een fotograaf, getiteld Never Remember. Twintig foto’s begeleiden Gessens essay. ‘Ik wilde schrijven over vergeten. Een van de mensen in het boek zegt daarop iets heel bruikbaars. Zij zegt: nee, nee, vergeten gebeurt hier niet, want om te vergeten moet je eerst herinneren. Toen het sovjetregime viel dachten we te kunnen beginnen met herdenken, maar dat was onzin: we keken in een doorlopend heden. Je kunt niet herdenken en herinneren, tenzij je een levendig verschil ervaart tussen het verleden en het heden. Je kunt niet vergeten tenzij je herinnert. Heling, herstel en vergeving zijn onderdeel van vergeten. Voor je dat kunt bereiken moet het verleden wel het verleden kunnen worden. Dat is in Rusland niet mogelijk, omdat er geen katalyserende gebeurtenis aan te wijzen valt. Er is geen militaire coup geweest, er is niets om naar te kijken, er is niets waaruit je duidelijkheid kunt halen. Met het nazistische regime was dat bijvoorbeeld anders. Je kon zeggen wie aanviel, wie de slachtoffers waren, wie lijdzaam volgde. Je kunt je bedenken hoe de wereld eruitzag vóór het gebeurde. Russen hebben het zichzelf allemaal aangedaan, slachtoffers en daders zijn één. Er is niemand die de schuld op zich kan nemen.’ En: ‘Je komt niet aan heling toe als je nog altijd onder de bus ligt. Er is geen wond om naar te kijken als de verwonding nog gaande is.’

Haar volgende boek – nu nog een ‘project’ – gaat over nieuwe initiatieven die erop gericht zijn om het ondenkbare, het onvoorstelbare vorm te geven. Gessen is bijvoorbeeld geïnteresseerd in de Deense politieke partij Feministisk Initiativ. Ook bezocht ze architecten in Detroit, een stad waar iedereen in een ‘voortdurend heden’ leeft. ‘Het is daar zo groot en ruimtelijk dat ieder die iets nieuws wil beginnen gewoon achterlaat wat-ie heeft opgebouwd. Er wordt niet aan herinneren of behoud gedaan, omdat men gewoon steeds opnieuw begint.’ Nu is er een plan om een deel van de Packard Plant, een oude fabriek van een mijl lang, te behouden voor social network-doeleinden. Tien procent van het gebouw moet worden onderhouden. Gewoon voor toeristen, bezoekers, rondleidingen. ‘Dat is echt nieuw in Detroit.’ Het onvoorstelbare is context-gebonden.

Gessens heden zal niet zo succesvol voortduren als het nu gaat, verwacht ze: ‘Mensen wenden zich tot mijn werk voor dingen die daar niet te vinden zijn. Verlichting en troost, bijvoorbeeld. Schrijven en verhalen kunnen troost bieden, maar niet voor lang. Het is heel fijn om gelezen te worden, maar ik heb wel een idee hoe deze film zal eindigen: slecht. Als je ineens zo geliefd bent als ik nu ben, zul je mensen teleurstellen.’ Ineens gelooft ze niet in de logica van het ondenkbare – ik weet hoe deze film afloopt. Daarmee illustreert ze perfect hoe moeilijk het is om het onvoorstelbare te verbeelden.


Masha Gessens De toekomst is geschiedenis wordt hier besproken