Interview filmer Tom Barman

«Ik voel vooral de honger naar méér»

Op het filmfestival in Utrecht gaat ook een Belgische film zonder gehypete Nederlandse sterretjes in première. ‹Any Way the Wind Blows› is gemaakt door Tom Barman, leider van de succesvolle band dEUS. Een gesprek over popmuziek, Antwerpen en de Nederlandse film. «Ik vind dat je alles mag willen kunnen, ik wil niet kiezen.»

Voor sommigen is het nooit en nooit genoeg: Tom Barman genoot al roem en erkenning als frontman van dEUS, maar vond het nodig om in juni dit jaar ook te debuteren als filmmaker. Net voor de Vlaamse première had Barman nog verzucht: «Het belangrijkste is dat de film een leven heeft.» Dat is wel gelukt: Any Way the Wind Blows is alvast de best bekeken Vlaamse film van de laatste twee jaar en was ook op veel buitenlandse festivals te zien.

Tom Barman: « Het schijnt dat er in de cinema een grens tussen noord en zuid loopt: films die het in het noorden goed doen, werken niet in het zuiden en omgekeerd. Die grens loopt blijkbaar dwars door België. Any Way the Wind Blows lijkt dat te bevestigen: de film is enkel verkocht en vertoond in het noorden, terwijl dEUS in bijvoorbeeld Frankrijk en Portugal toch bekend is. Maar aan Engeland en Ierland is de film dan weer wél verkocht, terwijl daar elk jaar maar zo’n twintig niet-Engelse films in de zalen komen. Dat belooft dus wat voor het noordelijk gelegen Nederland, waar de vibe toch al redelijk goed is.»

We treffen elkaar in de Antwerpse stationsbuurt, het decor van Any Way the Wind Blows. Barmans verrassende debuutfilm volgt 32 uur lang acht levens in een poëtische nevenschikking; een ensemblefilm heet zoiets in Cahiers du Cinéma, of een film fleuve: een jonge body-artist weet zijn enthousiasme gedragen door een gunstige wind; een schrijver staat machteloos in het oog van een storm; een filmprojectionist kampt met professionele en relationele tegenwind; de bezigheden van een afficheplakker zijn niet meer dan een scheet in een fles; een styliste probeert de windstilte in haar bestaan te doorbreken; een galeriehouder verkoopt lucht; een computerexpert oogst storm op haar verjaardagsfeestje, en een fenomeen genaamd Windman geniet van een verliefd briesje.

Any Way the Wind Blows snijdt een tranche de vie uit een niet eerder op pellicule vast gelegd Antwerpen, en registreert de hartenklop van te zelden in de cinema geëtaleerde mensen. Maar Barman presenteert gelukkig méér dan een stads stilleven: dialogen, soundtrack en acteerprestaties maken van Any Way the Wind Blows een swingende verkenning van het toeval, gedirigeerd door de grillen van de wind en uiteindelijk neerstrijkend bij wat blijft en niet meer kan worden weggeblazen.

Waarom is onderweg de geplande ondertitel, «Niet alles heeft een reden, maar alles heeft een gevolg», gesneuveld?

Tom Barman: «Dat leek me te clever, hoewel de film er wel nog altijd over gaat. Die gedachte zit nu in de titel: de wind staat voor veranderlijkheid, toeval, grilligheid. Any Way the Wind Blows gáát niet echt ergens over, er is geen overkoepelend verhaal. Er gebeurt van alles naast elkaar, terloops, het is als het leven zelve. Terwijl ik hier nu zit te praten, sterft er elders iemand aan een hartaanval. Dat gevoel wilde ik er absoluut in hebben.

Ik geloof in het toeval, het is mijn religie. Ik breng graag dingen op gang en kijk dan wat er gebeurt. Om die energie gaat het me, dát is voor mij ook regisseren. Een paar van mijn idolen hebben alles altijd perfect in hun hoofd voor ze beginnen, maar ik zou dat ontzettend vervelend vinden. Paul Auster heeft het controleren van het oncontroleerbare geperfectioneerd, ik ben dan ook niet zo zot van zijn boeken. In de film Smoke heeft hij het tegenovergestelde gedaan, en dat vind ik dan weer wél goed. Mij gaat het er niet om het toeval te controleren, maar het te durven herkennen.»

De film speelt in Antwerpen, dat in al zijn particulariteit herkenbaar is, tot in de namen van restaurants toe.

«Als je een film in het Vlaams draait, is het laf en hypocriet om die kleine dingetjes te weren. Dan zou ik mijn afkomst en de mensen over wie het gaat verloochenen. Bovendien kún je eigenlijk niet anders, als je niet terecht wilt komen in een nep-universele pudding die nergens over gaat. De films van Aki Kaurismäki zitten vol Finse moppen die ik niet snap, maar dat maakt niet uit, zolang ik maar weet dat de mensen op het scherm ze snappen. De kijker moet het niet snappen, maar voelen, dáárom heb ik het allemaal heel particulier gehouden.»

Gaat de film ook over Antwerpen, of is de stad louter toevallig het decor?

«Het was gewoon het gemakkelijkste. Het meest hebben we in de stationsbuurt gedraaid, omdat dat mijn lievelingsbuurt is. Ik hou van de échte stad, niet van het Antwerpen waarin de Japanse toeristen rondlopen. Ik woon hier, ik ken de buurt, ik had bij wijze van spreken soms vanuit mijn raam ‹cut› kunnen roepen. Pas onlangs in Montreal, ver van huis, zag ik dat de film heel flatterend is voor de stad. Antwerpen kan ook heel mooi zijn: als je je camera op de Linkeroever zet en naar het panaroma kijkt, krijg je iets moois.

Veel mensen gingen ervan uit dat ik een donkere, hermetische en arty film zou maken. Ik wil dat geweten is dat Any Way the Wind Blows juist een heel toegankelijke film is. Ik wil dat er mensen komen kijken die dEUS niet goed vinden, of zelfs niet eens kennen. Ik wil af van die hokjesmentaliteit. Een goeie film is een goeie film, de rest doet er niet toe. Ik ben niet zo’n snob die vindt dat een film per se klein en Aziatisch moet zijn.»

Maar je wilt niet de geijkte paden bewandelen.

Tom Barman: «Als je graag doet wat je doet, ben je geobsedeerd. Wie geobsedeerd is door film en muziek beluistert veel platen en bekijkt veel films. Dan hoor en zie je veel van hetzelfde, en dan wil je iets anders doen. Het ligt zo voor de hand een film als Any Way the Wind Blows te maken, ik snap echt niet dat het hier zo weinig gebeurt. De Vlaamse film mist een beetje rock-’n-roll. Maar ik heb niet de pretentie met iets geheel nieuws bezig te zijn. Ik mag in de jaren tachtig en negentig dan weinig goede Belgische films gezien hebben, er waren wel mooie voorbeelden: Crazy Love, Brussels by Night, Manneken Pis en vooral La Vie Sexuelle des Belges.»

Ben je milder voor de Nederlandse film? ‹Spetters› noemde je als een van de vijf films die ‹Any Way the Wind Blows› beïnvloed hebben.

«Ik heb heel goede herinneringen aan die film. Onlangs heb ik hem toevallig teruggezien en hij bleef echt wel overeind. Verhoeven wist duidelijk goed hoe hij een film over motorrijdende en rondneukende jongeren moest maken. Hij keek niet op ze neer, maar plaatste ze ook niet op een voetstuk. Spetters is helemaal vanuit het hart gemaakt, het verhaal wordt met veel warmte verteld. Ook de tragiek en de humor bevielen me wel.

Ik heb in het algemeen het gevoel dat er in Nederland eerlijker en losser werd omgegaan met de mensen die in films geportretteerd worden dan in Vlaanderen. Het leek me allemaal veel authentieker. Abel vind ik ook een absoluut meesterwerk. En De lift, Turks Fruit, Brandende Liefde, Kort Amerikaans, alle Wolkers-verfilmingen vond ik fantastisch. Ik ben ook meer opgegroeid met Nederlandse schrijvers dan met Belgische. Gerard Reve en Jan Wolkers waren mijn helden.»

Heb je, net als een miljoen Nederlanders, ‹The Discovery of Heaven› gezien?

«Vond ik helemaal niet goed. Zelfs Hennie Vrienten, die ik ongelofelijk hoog inschat, heeft de soundtrack volledig overdone gemaakt. Brrr, al die strijkers.»

Er komen veel levenswijsheden in je dialogen voor: «Bij ieder schoon wijf loopt er altijd een lelijk spook.»

Tom Barman: «Jacques Dutronc heeft dat opgemerkt, en erbij gezegd dat het in zo’n geval zaak is het lelijk spook aan te spreken en met haar een relatie aan te gaan, zodat het schoon wijf zich vragen begint te stellen en een beetje onzeker wordt, en dán moet je haar attaqueren.»

Nog eentje: «Mannen hebben geen geheimen, alleen dingen waar ze zich voor schamen.»

«De schrijver Garcin beweert dat, maar ik beaam het graag: wie naar het mysterie van mannen zoekt, komt geheid van een kale reis thuis. Ik vind mysterieuze mannen oersaaie aanstellers. Ook dat vrouwen mysterieus zouden zijn, vind ik een cliché als een kathedraal, maar ze zijn het toch net iets meer dan mannen.»

Je hebt de muziek een dragende rol gegeven.

«Puristen als Bergman vinden dat muziek gebruiken te gemakkelijk is of rap alles kapotmaakt. Misschien hebben ze wel een punt, maar voor mij is klank in het algemeen en muziek in het bijzonder part of the experience. Muziek is er niet om een gevoel op te wekken, maar om het gevoel te kanaliseren dat door een dialoog of een scène is opgewekt.»

dEUS zit ook in de film, zij het vermomd in drie gsm-beltonen.

«Dat zijn inside jokes. Ook al zal zestig procent van de kijkers het niet merken, ze zitten er wel in en dragen bij aan het gevoel. Nog zoiets, het enige personage dat echt over een film spreekt, Assault on Precinct 13, een cultfilm van John Carpenter, is de blinde. Met dat soort details amuseer ik me.»

‹Any Way the Wind Blows› ademt ook dezelfde sfeer als dEUS.

«Ik hoop het, want dat wil zeggen dat er coherentie in mijn bezigheden zit. De manier van werken bij deze film was dezelfde als die bij dEUS. The Ideal Crash was een heel persoonlijke plaat, Any Way the Wind Blows is een persoonlijke film, ik zit zelf dus onvermijdelijk óók in de film. Al schrijvende maak je een melange: je stopt er wat van jezelf in, wat van je moeder en je vrienden, wat van wat je zou willen zijn of doen, en wat fantasie, en je hoopt dat het leeft. Ik heb niet zo’n rijke verbeelding. Als ik een kader moet kiezen, kom ik al gauw bij een afficheplakker en een filmprojectionist terecht, omdat ik hun wereld ken. Men gaat er volgens mij altijd veel te vlug vanuit dat er hier niks te vertellen valt. Ik ben vertrokken van mijn eigen leefwereld.»

Er wordt nogal wat coke gesnoven.

«Natuurlijk heeft dat ook met mijn leefwereld te maken. Er worden drugs gebruikt en pillen geslikt, er wordt te veel gezopen en strontzat autogereden, zo is het leven. Er is geen enkele reden om dat te censureren, het hoort er gewoon bij.»

Naar verluidt stond je op de set alsof je nooit iets anders gedaan had. Had je het gevoel thuis te komen?

Tom Barman: «Het werk op de set ging me goed af. Af en toe heb ik een geregeld leven nodig, anders loopt het helemaal mis. Maar ik voel me op een podium net zo goed. Ik vind dat je alles mag willen kunnen, ik wil niet kiezen. Ik denk dat ik mooie nummertjes kan schrijven én mooie films kan maken. Tot nog toe heb ik de twee goed kunnen combineren. Met dEUS beginnen we in november opnieuw, dat gaat sowieso door. Ik heb het optreden enorm gemist. We hebben goesting, iedereen is er klaar voor.»

Voel je je zo stilaan niet koning Midas, die alles wat hij aanraakte in goud zag veranderen?

«Midas is heel wreed gestorven… Ik zie nog altijd snel de zwakke punten in wat ik doe, en ik voel vooral de honger naar méér: meer doen, meer leren, meer maken. Ik besef dat ik geluk gehad heb dat ik een film en platen heb mogen maken. Dat neem ik absoluut niet for granted, geloof me.

Ik heb veel te danken aan mijn uiterst open opvoeding: bij ons thuis was er kunst, was er oog voor menselijkheid, was er oor voor muziek. Dat voedt me tot de dag van vandaag. Ik ben er mijn moeder en mijn vader eindeloos dankbaar voor, hoewel normaliteit niet bepaald het kernwoord van mijn opvoeding was.»

Je moeder komt in de film voor.

«Zij moest er ergens in, en niet gewoon als figurant maar met één of andere beschouwing. We hebben haar scène op de laatste draaidag opgenomen, ik was een beetje zenuwachtig; ik vreesde dat ze amok ging maken, want mijn moeder steelt graag de show. Ik legde haar uit wat ze moest doen en zeggen en waar de camera was, en zij zei: ‹Is dat alles?› Terwijl ik haar wel de laatste woorden, tenminste vóór de generiek, gegeven heb: ‹Merde, er is geen zuchtje wind vandaag.› Een pleidooi voor dynamiek, beweging, actie, uit de mond van een 72- jarige.»

Groet je je overleden vader ook in de film?

«Via mijn moeder natuurlijk, want die twee waren verliefd. Mijn vader zou heel hard gelachen hebben met de cameo van mijn moeder.

Garcin is gebaseerd op iemand anders, maar zijn gevoel voor humor heeft hij wel van mijn vader. Garcin is een leraar Frans, maar hij zit wel op een hip feestje, drinkt lustig mee en kent zijn wereld. Zo herinner ik me ook mijn vader: hij kende zijn wereld, werd af en toe geplaagd door zelfmedelijden maar counterde dat met humor en heel veel charme.»

Tot slot: vrees je de vergelijking niet met ‹Short Cuts› van Robert Altman, de laatste grote ensemblefilm die iedereen gezien heeft?

«Ik vind die vergelijking ronduit obsceen, om drie redenen. Short Cuts is de dertigste film van een meester; de film duurt drie uur, en hij is gebaseerd op grote schrijfsels van Raymond Carver.

Je kunt niet om Altman heen als je het over ensemblefilms hebt, maar ik heb heel bewust voor verschillen gezorgd: Short Cuts bestrijkt drie weken, Any Way the Wind Blows 32 intense uren; bij mij komen de personages als bij toeval op hetzelfde feestje terecht, in Short Cuts zijn er veel met de haren erbij gesleurde ontmoetingen tussen de personages. Die zijn voor mij een smet op die film: het mooie aan de verhalen van Carver is juist het gebrek aan drama, Altman had ze echt niet hoeven te dramatiseren.

Ik wilde geen typische ensemblefilm maken, het moest soms ruw zijn en met horten en stoten gaan. Ook in boeken kan ik ontzettend ontroerd worden door iets onafs waar ik toch poëzie in vind.»

Nog een verschil: in ‹Short Cuts› toont Julianne Moore haar volle glorie, in ‹Any Way the Wind Blows› komt amper één borst voor.

«Dat is niet commercieel, zeker? Ach, deze film is gewoon sexy, niet seksueel.»