Ik vreet alles

Mijn persoonlijke herinneringen aan Paul de Groot (1899-1986) beperken zich tot dat ene moment in de wandelgangen van het Drieëntwintigste Partijcongres van de CPN, in februari 1970 in vergadercentrum Marcanti.

Hij liep met Joop Wolff, de toenmalige hoofdredacteur van De Waarheid, door de wandelgangen en sprak, voor iedereen verstaanbaar: ‘Valt hier niks te vreten? Nee, die flessies sinas kun je niet vreten.’
Geen erg beschaafd heerschap, zou je denken. Mis, zo blijkt uit de biografie die Igor Cornelissen over De Groot geschreven heeft. Hij was veel beschaafder dan de doorsnee kameraad, die voornamelijk van voetbal en vissen hield. Paul de Groot hield echter van Bach, van Beethoven en van Mozart, hij hield behalve van Stalin véél van Multatuli en van Heinrich Heine.
En daarnaast hield hij van eten. Zijn favoriete tussendoortje was de Kwekkeboomkroket. Met buitenlandse gasten streek hij het liefst neer in de prestigieuze Oesterbar aan het hoofdstedelijke Leidseplein.
Met de Russen heeft De Groot, zoals genoegzaam bekend, lange tijd op gespannen voet gestaan. Dat lag primair aan hun revisionisme. Maar het lag ook aan hun verhouding tot spijs en drank. De bestuurlijke bovenlaag noemde hij een 'stelletje dikgevreten bonzen’, terwijl het Russische proletariaat voor elke beschimmelde banaan urenlang in de rij moest gaan staan. 'Spoetniks hebben ze’, constateerde De CPN-leider schamper, 'vreten hebben ze niet.’
De Groots eigen eetgewoonten zijn beschreven in G.K.van het Reves brievenbundel Nader tot U. Hij at, als wij de schrijver mogen geloven, veel en vies. 'De wijze waarop deze man at, had iets onzedelijks - veel beter kan ik het niet onder woorden brengen. Hij at niet als een hond of een kat, want die eten heel keurig, noch met de kalme drift van een vogel, maar als een onbekend dier, dat zijn gedode prooi nog bij het opeten blijft haten.’
Het is een waarneming die ten overstaan van de biograaf substantieel wordt bevestigd door De Groots stiefzoon Huib. De Groot voelde zich alleen maar op zijn gemak als hij at, zei deze. 'Hij had dan een krant of een boek naast zich en dan genoot hij zichtbaar en hoorbaar. Hij was gek op gekookte vis en dan zoog hij zo'n hele kop af, de ogen inbegrepen.’
Het was een stalinistische manier van tafelen, zou je kunnen zeggen. Behalve lid van de CPN was de Groot dan ook, naar eigen zeggen, aangesloten bij het geheim genootschap Ik Vreet Alles (IVA).
Cornelissen heeft hem nog eens schriftelijk uitgenodigd bij hem gekookte kalfstong met mierikwortelsaus te komen eten, een invitatie waar de CPN-leider niet op is ingegaan.
Raar stuk vreten, die De Groot. Hij heeft nog moeten meemaken hoe zijn CPN, meedeinend op de waan van de dag, veranderde in de CPNFP, de Cultuur Partij Nederlandse Flikkers en Potten. En wat een tragische man, wiens paranoia aan regelrechte gekte grensde. Hij is de ideale hoofdfiguur voor de prachtige, kleurrijke, onthullende biografie, die Cornelissens Paul de Groot, Staatsvijand nr.1 zonder meer geworden is.