Ik wantrouw

Ik zap langs een aantal zenders, zie opeens een Amerikaanse dominee en hoor hem zeggen: ‘Geloven is ook vertrouwen.’

Snel naar een andere zender.

Maar de zin blijft in mijn hoofd hangen.

Nee, ik geloof niet in God en dat soort zaken, allemaal onzin, maar er zijn zoveel andere dingen die ik maar moet geloven en in goed vertrouwen moet aannemen. Ik noem er een paar.

Medium opheffer 40 2013 wantrouwen

– Dat democratie de beste staatsvorm is.

– Dat bezuinigen noodzakelijk is.

– Dat Europa ons voordelen ­oplevert.

– Dat ons leven zinvoller wordt door cultuur.

– Dat het belangrijk is wat er in Den Haag gebeurt.

– Dat je geld veilig is bij bekende banken.

– Dat mijn vrouw niet vreemdgaat.

Al die zaken weet ik niet echt. Ik geloof het maar. Ik vertrouw erop. Het is alleen vervelend als ik keuzes moet maken, want die keuzes bepalen mijn identiteit.

En wat voor identiteit wil ik?

Ik weet nooit ­welke ­argumenten ­doorslaggevend zijn en welke niet

Ik kan wel kiezen voor een dictatuur, omdat ik solidair ben met de kansarmsten in onze samenleving, maar als ik dit zo stel, zullen er behoorlijk veel lezers zijn die beweren: ‘Je bent de weg kwijt. Als je solidair wilt zijn met de kansarmsten moet je nooit een dictatuur wensen, want die houdt niet van kansarmen. Je moet dan lid worden van een vakbond, of van een politieke partij die voor die kansarmen opkomt.’

Ik geloof dat dus weer niet, en ik wantrouw dat.

En ik wantrouw een dictatuur ook.

Het zal altijd wel een probleem voor mij blijven: ik weet nooit welke argumenten doorslaggevend zijn en welke niet. Bij wetenschap weet je dat wel – tot het moment dat er iets nieuws wordt uitgevonden of aangetoond, geldt het vorige als waarheid.

Een mooi voorbeeld daarvan vind ik het volgende. Als Romeinse soldaten niet gedood maar gewond waren, werden ze door de legerarts behandeld met geneeskrachtige planten die op de wond werden gelegd. Tot er een Romeinse wetenschapper zei: ‘Je moet geen kruiden op die wond leggen, maar je moet het zwaard van de gewonde naast hem leggen met het handvat bij zijn hoofd. Alle energie van het zwaard stroomt dan naar de soldaat.’ En ziedaar: er stierven veel minder gewonde soldaten. En lange tijd werd het zwaard naast de gewonde soldaat gelegd. Nu – een paar eeuwen later – is dat logisch: we weten dat die geneeskrachtige kruiden infecties in de wond veroorzaakten, terwijl als je niks deed de kans op overleven groter was. De artsen hadden net zo goed een dansje kunnen doen en ‘oehoe-geluiden’ kunnen maken, wat in sommige culturen ook gebruikt wordt om te genezen. Pas sinds de uitvinding van de penicilline kunnen we zwaardere wonden genezen.

Vermoedelijk had ik destijds ook geloofd dat je het zwaard langs de gewonde moest leggen. Waarom zou ik dat wantrouwen en niet geloven?

Wantrouwen was beter geweest als ik had willen weten hoe ik nog meer soldaten had kunnen genezen.

Geloven en vertrouwen zijn noodzakelijk om een bestaan op te bouwen. Maar ongeloof en wantrouwen zijn even belangrijk!

Daartussen speelt zich het drama van ons leven af.

Ik wantrouw meer dan ik vertrouw en zie dat als een slechte karaktereigenschap voor een beter leven dan ik heb.

Ik wantrouw