De eerste zin van een boek

«Ik was achttien toen er gebeld werd»

De eerste zin van een roman zet de toon. Aan de hand van die eerste paar woorden beslist de lezer: doorlezen of wegleggen. Misschien kan een onderzoek naar beginzinnen uit de Nederlandse literatuur iets van het geheim ontsluieren.

Je hebt lezers die voor ze aan een roman beginnen eerst de laatste zin lezen, dan weten ze tenminste hoe het afloopt en waar het over gaat. Toch kun je ook uit eerste zinnen heel wat afleiden over thema en afloop van het boek. Schrijvers hebben de neiging op de eerste zin van hun werk extra hun best te doen waardoor ze te uitleggerig worden en het thema van het boek, of het geheim daarvan, al direct in het begin prijsgeven, wat niet de bedoeling was. Eerste zinnen, net als laatste trouwens, kunnen vaak worden weggelaten, omdat ze veel te veel uitleggen. Weglaten helpt natuurlijk niet omdat er dan een volgende eerste of laatste zin staat die ook weer weggelaten kan worden.

Er zitten dus risico’s aan eerste en laatste zinnen. Ik wil die hier laten zien bij eerste zinnen. Hoe kun je die risico’s vermijden? En wat is de mooiste eerste zin uit de Nederlandse literatuur?

Nelleke Noordervliets nieuwe roman Pelican Bay begint met: «De magistraat zit zwetend te paard.» We belanden midden in het verhaal, «in medias res» heet dat in het potjeslatijn dat bij de bestudering van literatuur schijnt te horen, midden in de zaak dus; geen geïntroduceer, geen voorgeschiedenis, maar plompverloren, boem, beginnen: «De magistraat zit zwetend te paard.» Ook zonder verder te lezen kun je door deze zin vermoeden dat in de roman magistraten in het algemeen zwetend te paard zullen zitten, dat deze zin dus laten we zeggen min of meer «symbolisch» is voor de te verwachten lading van het boek. Dat in deze roman «magistraten» ter discussie staan, dat ze het moeilijk hebben. Deze vermoedens komen uit, want Noordervliets roman probeert een discussie aan te gaan over kolonialisme en postkolonialisme. Over machtsuitoefening en het ondergaan van macht. De zin is kenmerkend voor de inhoud van de roman. Niet helemaal voor de stijl trouwens. Noordervliet gebruikt in haar roman twee stijlen: de verhaallijn van het personage Ada is in langere zinnen geschreven, die van de slavenhouder Jacob in korte afgemeten zinnen. De eerste zin is dus typerend voor één van de stijlen uit de roman, niet voor het geheel. Maar of dit een bezwaar is, weet ik niet zeker, de zin is in elk geval pakkend, dwingend, hij trekt de aandacht.

De eerste zin is de zin die telt, hier gaat het om: dit is de zin die de toon zet, die aandacht trekt, die de lezer bij zijn kladden moet grijpen, die geen onnodige verwarring mag scheppen, die geen Zinloze Feiten mag bevatten, die niet mag liegen over wat volgt maar ook niet alles moet prijsgeven. In de eerste zin komt de schrijver voor alle keuzes van zijn roman te staan. Noordervliet is erin geslaagd een pakkende zin te schrijven, ook wat klank en metriek betreft, eentje die aandacht trekt, hij zet de toon, maar wellicht expliciteert hij te veel de bedoelingen van haar roman. Hij roept overigens herinneringen op aan een voortreffelijke andere beginzin uit de Nederlandse literatuur, die van W.F. Hermans uit Nooit meer slapen: «De portier is een invalide.» «De magistraat zit zwetend te paard.» De zinnen zijn verwant, het verschil zit ’m in het lidwoord; bij Hermans is sprake van «een invalide», bij Noordervliet van «de magistraat». Misschien zit in dit verschil van het gebruik van bepaalde of onbepaalde lidwoorden het verschil in schrijverschap tussen Hermans en Noordervliet: Hermans wil detailleren, Noordervliet veralgemeniseren.

Cor Vos begint zijn roman Lydia met: «Mijn eerste jaren in Amsterdam waren lang niet zo veelbelovend als ik had verwacht.» Wel een zin om even bij te giechelen, juist vanwege die grote maar toch gefnuikte verwachtingen die eruit spreken. Bovendien vraag je je ook af hoe het dan zal gaan met de volgende jaren in Amsterdam. Maar een bezwaar is dat met deze eerste zin de bedoeling van het boek al direct te expliciet is prijsgegeven. Dit wordt een boek over niet uitgekomen verwachtingen, en zo gaat het ook. De tweede zin van deze kleine roman luidt: «Ik was eenentwintig en huurde een voorkamer in Oud-West van een werk loze.» Wat een voortreffelijke eerste zin had dit kunnen zijn, maar Vos heeft hem jammer genoeg tot tweede zin gedegradeerd. Hij had deze zin moeten gebruiken omdat hierin al de hele sfeer van het boek is uitgedrukt zonder dat de bedoeling geëxpliciteerd wordt. Een gemiste kans. Misschien vond Vos het een bezwaar deze zin voorop te zetten omdat hij hem te veel deed denken aan een van de mooiste eerste zinnen uit de Nederlandse literatuur, van Harry Mulisch: «Ik was achttien toen er gebeld werd.»

De eerste zin uit Kees de jongen gaat als volgt: «Vele mensen schijnen Kees Bakels niet eens te hebben gekend, en dat is eigenlijk niet goed te begrijpen.» Theo Thijssen kiest hier voor de meer brede introductie van zijn hoofd figuur, niet voor een plompverloren sprong naar binnen. Het lijkt alsof hier een getuige aan het woord is, de biograaf, die verslag gaat uitbrengen en die zich eerst verontschuldigt voor de onbenulligheid van zijn onderwerp. Een bekende truc in de literatuur, zeker waar het om de eerste zin van een roman gaat: je zo bescheiden mogelijk voordoen (ik weet niet veel van mijn onderwerp, dat onderwerp stelt ook niet veel voor) en vervolgens oeverloos toeslaan in een dundrukwerk van achthonderd pagina’s, al valt dit bij Kees de jongen wel mee, het telt maar 368 bladzijden. De tweede zin laat er overigens geen gras over groeien: «Is hij niet zowat de belangrijkste jongen geweest, die ooit bestaan heeft?» Toch ook hier weer die bescheidenheid, die juist als effect heeft dat wij lezers wel beter weten: die jongen Kees, dat is een zeer belangrijk figuur. Thijssen schrijft niet: hij ís de belangrijkste jongen die ooit bestaan heeft. Dat is wel de bedoeling van de roman: Kees is een voorbeeld voor ons allen. Maar hij stelt er een terloopse vraag over. Ook met het gebruik van woorden als «eigenlijk» en «zowat» en «schijnt» houdt Thijssen allerlei slagen om de arm. Hij speelt hier een ironisch spel met beginzinnen uit helden- en ridderromans waarin het belang en de grootsheid van de held juist worden benadrukt en woorden als «eigenlijk» en «zowat» uit den boze zijn. Maar in elk geval is de toon gezet. Thijssen is in zijn eerste twee zinnen volkomen duidelijk over zijn ironische intenties: juist het benadrukken van de onbenulligheid van zijn personage versterkt de belangstelling van een potentiële lezer. Je schrijft nu eenmaal niet een roman over een of ander lulletje rozen water, al weet ik dat bij het personage Kees achteraf toch niet helemaal zeker.

Couperus beschikt over een groot scala aan openingszinnen. Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan begint als volgt: «De diepe basstem van Steyn klonk in de vestibule.» Wat een mooie zin. Weer in medias res, we vallen midden in het verhaal, maar Couperus houdt al zijn troeven in zijn binnenzak, geen uitgeleg, geen toelichting, geen stilistisch kunststukje, een zeer gewone zin, die juist door die gewoonheid volop in de aandacht komt en direct het realistische gehalte van de roman benadrukt. Wie is Steyn? Waarom die basstem? Zijn we in die vestibule bij de hogere kringen over de vloer? Daar willen wij altijd meer van weten, van die hogere kringen, want daar schijnt het nooit helemaal pluis te zijn, gauw verder lezen. Het gaat ook wel eens anders bij Couperus, neem bijvoorbeeld de beginzin uit De berg van licht: «In de zoele nacht van nazomer triltintelden over Emessa aan wijd effen hemel van wolkenloze nachtkleur de duizenden en duizenden kristallen sterren, en tussen de schitterendste vulde de hemelafgrond zich met fijner gepoeier van licht, terwijl daar omheen weer kleinere dan die zongrote, maar grotere dan zó poeierfijne geprikt waren in onbenaderbare overdaad, als waren van starrenweelde de goden dronken geweest, als hadden zij allen, de goden, alle de starren uitgezaaid in zwijmelende lichtdronkenschap.» Hier dus niet een binnenval in het verhaal, maar een algehele-sfeerintro dat duidelijk de toon zet, zo moet je dit verhaal verwachten, geen direct realisme maar impressionistische beschrijvingskunst. Couperus houdt ook hier zijn belangrijkste troeven op zak, we weten nog niet waar dit verhaal heen zal gaan, hij nodigt de lezer min of meer uit dit taalrijk te betreden. Hij geeft een demonstratie van zijn kunnen — kijk, dit moet je verwachten — en maakt de lezer zo rijp voor de rest. Bij Couperus weet je waar je aan toe bent. Wie afhaakt, kan dat het beste nu doen.

De meeste moderne romans beginnen midden in het verhaal, volgens het Noordervliet-systeem dus, maar daar zijn risico’s aan verbonden: ik zei het al, je hebt de kans dat je eerste zin toch te veel van je bedoelingen prijsgeeft. Mijn roman De revue begint met de volgende zin: «Tussen mij en het theater stroomt een trage rivier.» Een in medias res-constructie: de held staat aan een rivier en aan de overkant is een theater. Een symbolische interpretatie ligt voor de hand: de ik is gescheiden van het theater, hij kan het niet bereiken, hij wordt belemmerd door de trage rivier, die opgevat kan worden als: «het dagelijks leven» of «de remmingen» van de ik, of zijn «algehele lulligheid». In ieder geval is het onderwerp van de roman prijsgegeven: de poging van een figuur het theater te bereiken, waarbij je het theater zeker ook als «het leven», of «het utopische» of een vermomming daarvan kunt opvatten. Of een vergissing daarover. Deze eerste zin geeft lezers gelegenheid aan het interpreteren te slaan over de bedoelingen van het boek. Schrijvers hebben inderdaad wel wat van bordeelhouders die gelegenheid geven, maar je moet je hand niet overspelen. Ik heb lang met deze zin geworsteld. Als ik hem had weggelaten, had er een beschrijving gestaan van een sluizencomplex dat midden in de rivier de Amstel ligt, tegenover Carré, want de tweede zin van mijn roman gaat als volgt: «Midden in het water liggen resten van een sluizencomplex: een stuk of wat looppieren, groene huisjes, oude houten staketsels van draaiwielen waarmee lang geleden verdwenen sluisdeuren open en dicht werden gedraaid.»

Deze zin kan zeker een goeie eerste zin zijn, dat staat vast, let ook op de onbepaalde lidwoorden, hij is minder expliciet, minder wanhopig dan de eerste, de kaarten blijven meer op zak, maar toch wilde ik beginnen met een meer aandacht trekkende zin, en dus koos ik uiteindelijk, na veel peinzen en schaven voor die andere eerste zin. De eerste bladzijde van De revue is trouwens toch verreweg het vaakst herschreven van het hele boek. Overigens staat in de eerste met de pen geschreven versie van de roman een heel andere eerste zin. Die ging zo: «De gelukkigste tijd van mijn leven woonde ik achter een groot theater.» Volkomen terecht verworpen, een echte eersteversiezin, maar ik wilde toen ik aan de roman begon zowel in de eerste als in de laatste zin het woord «geluk» laten voorkomen. Daar moest toen het boek over gaan, zoals dat heet. En de slotzin had ik al voordat de roman geschreven was, die moest luiden: «Want meisjes moeten gelukkig zijn.» Ook deze zin heeft het boek niet gehaald, al vind ik het nog steeds een prima slotzin.

Wat is de beste of mooiste beginzin uit de literatuur? Kort geleden werd door een groep schrijvers het allerbeste boek van de hele wereld uitgekozen: Don Quichot van Cervantes. Hoe gaat de eerste zin? «In een plaatsje in La Mancha waarvan de naam me niet te binnen wil schieten, leefde niet lang geleden zo’n edelman met een lans in z’n wapenrek, een antiek leren zwaard, een magere knol en een hazenwind.» Ja, mooie zin, hij introduceert breed, de toon is gezet, met veel onbepaalde lidwoorden erin, dat is belangrijk, met een paar mooie details waarvan we nog veel meer willen weten. Er is ook sprake van een soort samenzweerderige toon: de schrijver gaat ervan uit dat we het allemaal al weten — ja, kijk, weet je wel, zo’n edelman bedoel ik. Een mooie eerste zin, maar toch niet de mooiste.

Want die staat aan het begin van een van de schitterende, nog steeds onderschatte romans van Simon Vestdijk. De eerste zin uit De koperen tuin. Hij luidt als volgt: «Het eerste wat ik mij van W… herinner, waar even na mijn vijfde verjaardag mijn vader tot rechter was benoemd, is de warme voorzomermiddag, toen de bal van mijn broer over de ijzeren krullen van het balconhek vloog, de verlaten huiskamer in.» De camera richt zich niet op mensen maar op een bal, dat is het eerste wat de held zich herinnert. De broer van de held speelt op straat met een bal en die bal belandt via het balkon in de huiskamer. De bal komt van buiten naar binnen. Als je de tweede zin leest, krijgt de eerste een nog grotere emotionele lading. Daar staat: «Op de grond, vlakbij het balcon had ik in een sprookjesboek zitten lezen.» Dus die huiskamer was niet verlaten, de held had in een sprookjesboek zitten lezen. De broer van de held is buiten, de held is binnen. In de roman is het verschil tussen twee broers een belangrijk thema. En de bal in de huiskamer laat de held ontwaken uit zijn sprookjeswereld, de held wordt door de bal gedwongen het werkelijke leven in te gaan, hij betreedt de wereld van de realiteiten, die eigenlijk niet zijn eigen wereld is, want dat is de wereld van het sprookjesboek.

Twee werelden schetst Vestdijk hier: schijn en wezen, realiteit en droom, bal en sprookjesboek, en precies daarover handelt deze schitterende roman. De hele thematiek van De koperen tuin is hier niet onder woorden gebracht maar verbeeld: deze roman schetst de vergeefse poging van een held zich staande te houden binnen de realiteit en niet weg te vluchten in sprookjesboeken, in zelfbedrog. Daarbij functioneert de bal als het grillige noodlot. Het hele boek in een fabuleus beeld gevangen. Dit is schitterend schrijven, omdat Vestdijk niet expliciteert, de symboliek is verborgen, hij geeft de lezer een beeld van deze roman, een startbeeld, geen uitgeleg. En lees dan verder hoe Vestdijk de route van de bal beschrijft, dit instrument dat de held uit zijn lethargie verlost en dat hem zijn eigen levenslot voortovert. Graag eindig ik met dit weergaloze fragment:

«Hoe verwonderlijk, ja zelfs sprookjes achtig, waren de sprongen, waarmee de bal de kamer doorkruiste. Wanneer men dacht dat hij tot rust zou komen en in een bepaalde richting verderrollen, tot op dat geheim zinnige punt, waar een bal helemaal is uitgerold, bereikte hij opnieuw aanzienlijke hoogten. Ik weet nog hoe hij vlak naast de water karaf op de tafel neerkwam: de karaf bleef ongedeerd, de bal begaf zich naar een boslandschap in gouden lijst. Natuurlijk was ik geschrokken; maar het gedrag van de bal, zo schrander en behoedzaam, zo jong en veerkrachtig tevens, stelde mij in zekere mate gerust, alsof een onzichtbare goochelaar met mij en de breekbare dingen wel rekening wilde houden.»