Ik was de enige vrouw in zijn leven!

Clara Eggink, Leven met J.C. Bloem (1976); Simone de Beauvoir, Het afscheid: Een kroniek van Jean-Paul Sartre’s laatste jaren & gesprekken over literatuur, filosofie, politiek, vriendschap, liefde (1981); Renate Rubinstein, Mijn beter ik. Herinneringen aan Simon Carmiggelt (1991); Connie Palmen, I.M. (1998). ..LE Het is inmiddels al haast een genre: schrijversweduwen die schrijven over hun overleden geliefde. Clara Eggink deed het, Simone de Beauvoir, Renate Rubinstein, en nu dus Connie Palmen. En waarover schrijven zij? Hij is van mij, van mij, van mij! ..LE MAN EN VROUW - je moet elkaar kunnen vertrouwen. Schrijft Renate Rubinstein in februari 1978 als ze net Clara Egginks Leven met J.C. Bloem heeft gelezen. Waarmee ze maar wil zeggen dat ze het eens is met Eggink, die in haar boek aankondigt de schriften met tweehonderd jeugdgedichten van Bloem te zullen vernietigen. Uit naam van de dichter.

De literaire kritiek hapt in het aas dat Eggink haar voorhoudt. Maarten ’t Hart: ‘Wil mevrouw Eggink echt de geschiedenis ingaan als de dochters van Bach die bonenstokken omwikkelden met de partituren van hun vader?’
Rubinstein vindt het een belachelijke reactie en geeft Eggink groot gelijk. Sterker nog: ze zou hetzelfde doen. 'Ik heb Kafka’s brieven aan zijn verloofde, Felice gelezen’, schrijft ze. 'En ik weet zeker dat hij zou krimpen van schaamte als hij wist dat deze vaak driemaal dagelijkse zwaktebetuigingen door meer dan ÇÇn paar ogen gelezen zijn.’ Als Felice echt van Franz had gehouden, had ze die brieven nooit laten publiceren. De grootste eer bewijs je iemand nu eenmaal soms door er het zwijgen toe te doen.
ALDUS Renate Rubinstein, in de periode dat haar geheime verhouding met de meest getrouwde man van Nederland net was ontsproten. Nog zo'n tien clandestiene jaren zouden volgen, vol steelse visites, lange zoenen en vooral vÇÇl kaarten en brieven. Een correspondentie waarvan niemand enig vermoeden had hoeven hebben, als niet Rubinstein zelf ermee voor de dag was gekomen in haar postuum verschenen herinneringen aan Simon Carmiggelt, Mijn beter ik.
Inmiddels liggen de brieven en kaarten in het archief van het Letterkundig Museum te wachten op 'biografen en andere pluisers’ (Egginks formulering). Waarom? 'Kennelijk eis ik postuum mijn rechten op’, schrijft Rubinstein in de inleiding van Mijn beter ik, alsof hier een macht gaande is die groter is dan zijzelf.
'LATEN WE er iets bijzonders van maken’, zegt Ischa Meijer tegen Connie Palmen. 'Sartre en Simoontje, weet ik veel.’ Ironisch spiegelt Meijer zich aan het clichÇ van de moderne relatie, waarin volledige vrijheid en totale overgave een verbintenis voor het leven moeten aangaan. Nog niet vermoedend dat zijn verhouding met Palmen een paar jaar later la Sartre-De Beauvoir tot het openbare domein zou gaan behoren, hoe klein dan ook in vergelijking met het wereldtoneel van Sartre en De Beauvoir. De weduwe Meijer schreef I.M., zoals De Beauvoir vlak na Sartres dood naar buiten kwam met Het afscheid.
'Zijn dood scheidt ons’, schrijft De Beauvoir in Het afscheid. 'Mijn dood zal ons niet verenigen.’ 'Mijn man is dood,’ schrijft Palmen in I.M. 'Ik ben afgesneden van mijn leven met hem, dat leven is voorbij.’ Rubinstein over Carmiggelt: 'Voor mij ging met hem alles verloren dat het leven lieflijk maakt.’ Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij, om met Bloem te spreken, betreurd door Eggink: 'Wij hadden bij elkaar moeten blijven, J.C. Bloem en ik.’
Het verhaal van vier weduwen, en het drama van de achterblijvers tekent zich af. Ingegeven door verdriet, trots en woede, verlangend naar troost, erkenning en wraak, schrijven de min of meer offici‰le vrouwen-van hun herinneringen op aan hun man. Die ene moeilijke man die zich zo slecht liet kennen, tot wiens kern niemand kon doordringen, maar van wiens zieleleven zij de schatbewaarster waren. Zij alleen. Het levert proza op dat in zijn wanhopige poging een uniek leven en een unieke liefde tot leven te wekken, onverwacht eenstemmig klinkt. Eenstemmig obsessief, vals, vrouwelijk, reikend naar het patent op echte liefde.
LIEFDE IS… een boek over hem schrijven als hij dood is. Volgens de tekenaar Peter van Straaten, zowel bevriend met Rubinstein als met Carmiggelt, was Rubinstein direct na Carmiggelts dood ervan overtuigd over hem te zullen schrijven. 'En ik g† erover schrijven, ik g† erover schrijven’, zou ze hem vanuit haar rolstoel hebben toegebruld. Het is een extraverte variant op het bezwerende 'boek, boek’ dat Connie Palmen door het hoofd zingt als ze op weg is naar het ziekenhuis waar het lichaam van Ischa Meijer is heengebracht. Clara Eggink kost het tien jaar haar herinneringen aan Bloem op papier te krijgen. Vier eerdere versies van het boek sneuvelden, omdat ze haar niet bevielen. Vanaf het moment dat Simone de Beauvoir wordt geconfronteerd met een waggelende Jean-Paul Sartre die tegen dingen aanloopt ook zonder dat hij te veel heeft gedronken, houdt ze in een dagboek nauwkeurig zijn gezondheidstoestand bij alsof ze die daarmee in de hand kan houden. Haar aantekeningen zullen zich uiteindelijk uitstrekken van 1970 tot en met 1980, het jaar waarin Sartre sterft, en vormen de basis van het een jaar later verschijnende La cÇrÇmonie des adieux.
LIEFDE IS… weten wat hij vindt, ook al is hij dood. 'Natuurlijk heb ik mij vaak afgevraagd of hij het goed gevonden zou hebben dat ik mijn herinneringen aan hem ophaal’, schrijft Rubinstein halverwege Mijn beter ik. 'Eerlijk gezegd denk ik niet alleen dat hij ze toegejuicht zou hebben, maar ook dat hij van mij niet anders verwacht heeft.’ 'God, wat waren we gelukkig,’ schrijft ze over haar jaren met Carmiggelt. Dat mag niet vergeten worden en d£s schrijft zij het op, voordat een ander het verkeerd doet.
Eggink heeft last van een slecht geweten. Ze weet dat Bloem vond dat alles wat er over hem te weten valt, in zijn gedichten staat. 'Ik hoop nu maar dat hij niet bij me komt spoken als straf voor deze publicatie’, schrijft ze. Haar excuus: de academici zouden anders maar tot rare conclusies komen over dit dichtersleven.
Voor De Beauvoir is het gezamenlijk leven en denken van Sartre en haar een uitgemaakte zaak. 'De wereld, die beleefde ik met u’, laat ze Sartre zeggen in een van de gesprekken die achterin Het afscheid zijn opgenomen. Zij zegt haar boek bedoeld te hebben voor Sartres vrienden die meer over zijn laatste jaren willen weten. Zichzelf heeft ze er zo veel mogelijk buiten gehouden. Palmen onttrekt zich bij voorbaat aan postume toorn door haar memoires tot 'roman’ te bestempelen. 'Hij is veroordeeld tot mijn geheugen’, schrijft zij over Ischa Meijer, om er meteen nogal dubbelzinnig aan toe te voegen: 'En ik haat die macht.’
LIEFDE IS… balanceren op de rand van de goede smaak. Nooit meer kan de naam van Carmiggelt vallen zonder bijgedachten aan zijn hobby (naaktlopen in het huis van zijn minnares), zijn voorkeur voor lange 'kussen’ en zijn leugenachtig gedraai. Van Sartres geworstel met groeiende fysieke onmacht blijft ons geen detail bespaard: vallen, kwijlen, knoeien met eten, plas laten lopen. Tegelijkertijd blijft hij grenzeloos zuipen en met vrouwen in de weer ('Ik heb nog nooit zoveel succes gehad bij de dames als nu’).
Ook Bloem weet er weg mee. Met de fles wel te verstaan. Het huwelijk met Eggink loopt in eerste instantie op een scheiding uit, als het tot haar begint door te dringen dat hij eigenlijk iedere avond 'min of meer dronken’ is. 'Na een hoeveelheid jenever verstarde hij zozeer, dat hij niet meer te benaderen was en alleen nog maar vriendelijke geluidjes maakte.’ Het zal even duren voordat de gekromde wijsvinger van Ischa Meijer (’(“home”, gilde hij klaaglijk’) uit het collectieve geheugen is verdwenen, evenals meer in het algemeen de doorkijkjes op zijn 'diepste’ motieven en angsten.
GETUIGENISSEN van weduwen, men lust er pap van en kan er wel op spugen. De schaamteloosheid om over het intieme leven van jezelf en de ander uit te pakken, roept bewondering op en afkeer. Wat de een rauw, authentiek en troostend vindt, is voor de ander ongepast, ontluisterend en leugenachtig. Plaatsvervangend maakt men zich zorgen om degene die zich niet meer kan verweren. Karel van het Reve over Carmiggelt: 'Hij hield, geloof ik, meer van gedenkschriften die wat gedempter van toon zijn.’ Een criticus over Leven met J.C. Bloem: 'Wie dat al niet was, wordt wel genezen van bewondering voor dichters.’ Zelfs De Beauvoir, toch bij leven al een icoon van haar tijd, krijgt een emmer modder over zich heen. Men vond dat ze Sartre voor de laatste keer voor haar karretje had gespannen, door een wreed beeld van hem te schetsen, namelijk dat van een verslagen en vervallen man. 'Waarom die gruwelijke details die niets toevoegen aan een voltooide carriŠre?’ zo vraagt een journalist van LibÇration zich af. Het zijn dezelfde vragen die nu worden gesteld over Connie Palmens I.M.
Met eerlijkheid heeft dat prijsgeven van al die intieme details niet zo veel te maken, met genadeloosheid evenmin. Wel met het opeisen van het weduwschap. Een bÇÇtje man zet namelijk niet iedere avond de vuilniszakken buiten, maar laat bij zijn dood minstens twee weduwen achter. Ich war Tucholskys Lottchen is de triomfantelijke titel die Lisa Matthias haar herinneringen aan Tucholsky meegaf. Ik was het! Het is die triomfantelijke ondertoon die Rubinsteins Mijn beter ik af en toe niet te pruimen maakt. Niet te hebben, om met Connie Palmen te spreken. Carmiggelt mocht dan getrouwd zijn, dat was niet langer van harte, want zijn hart, dat bezat zçj, Renate Rubinstein.
Clara Eggink voert vooral een strijd met de hooggeleerde heren die maar van alles over Bloem beweren zonder h††r te raadplegen. 'Ik meen te mogen zeggen dat ik de enige nog levende mens ben, die deze dichter in zijn intimiteit gekend heeft en zelfs mij liet hij daar ternauwernood toe.’ Op iedere bladzijde in I.M. wordt Ischa Meijer in de mond gelegd dat 'Con’ de enige, de echte, de eerste en de laatste is. De rest is Spielerei, zwakte, vergissing.
De onderkoelde toon van Simone de Beauvoir in Het afscheid doet een wereld aan rancune vermoeden. Rancune ten opzichte van Arlette Elkaãm-Sartre, de jonge vrouw die door Sartre was geadopteerd en die de laatste jaren van diens leven niet van zijn zijde week. Zelfs waarschuwt zij De Beauvoir niet als de situatie van Sartre in het ziekenhuis verslechtert, zodat deze, o gruwel, pas arriveert als hij al gestorven is.
Met whisky en valium houdt De Beauvoir zich op de been na Sartres dood. Onverkwikkelijke ruzies en onduidelijkheden over de nalatenschap doen haar eens te meer beseffen dat Sartre echt is verdwenen en dat het beste deel van haar leven voorbij is. Om zijn dood te kunnen accepteren, zet ze zich tot schrijven. Je bent tenslotte schrijfster of je bent het niet.
DAT SCHRIJVERSCHAP hebben De Beauvoir, Rubinstein, Eggink en Palmen gemeen. Dat schrijverschap onderscheidt hen van een andere bekende literaire weduwe, Mieke Vestdijk-van der Hoeven, wier Afscheid van Simon niet toevallig als ondertitel heeft: Leven met een nalatenschap. Zij schreef dit boek ruim twintig jaar na Vestdijks overlijden, vooral uit behoefte een aantal 'grove onjuistheden’ recht te zetten. Met een klaagzang van het hart heeft dit boek niets te maken.
Echte schrijvers houden zich in staat van radeloosheid, behalve aan fles en valium, vast aan hun pen. Het schrijven moet afstand scheppen en vorm geven aan iets wat eigenlijk niet te beschrijven is. Simone de Beauvoir: 'Je kunt het niet uitspreken, je kunt het niet opschrijven, je kunt het niet vatten; je beleeft het, dat is alles.’ Rubinstein: 'Ik wil om mij te troosten en hem te eren doen waar een weduwe voor is: een monumentje bouwen.’ Eggink: 'Ik heb getracht op te schrijven wat ik gezien heb.’ Palmen: 'Het zal worden wat ik ervan maak.’
Het drama voltrekt zich echter pas ten volle als de weduwe haar pen heeft neergelegd, of het mechanische schrijfbloc heeft dichtgeklapt. Nu heeft haar liefde een gestolde vorm gekregen. Dit is het, dit was het.
WAT DAT BETREFT is het goed voorstelbaar dat sommige schrijvende weduwen de laatste zin nooit schrijven. Zo is het de weduwe van de dichter Martinus Nijhoff, de schrijfster A.H. (Netty) Nijhoff, niet gelukt over de dichter te schrijven terwijl ze dat wÇl van plan was. Te zeer bleef zij zich bewust van de zwaarte van haar opdracht. 'Als ik dit schrijf’, schreef ze aan haar uitgever Bert Bakker, 'zal er waarschijnlijk van mijn hand nooit meer wat over Pom (koosnaam van Martinus - mp) verschijnen. Ik hecht er dus aan dit zo zuiver en goed mogelijk te doen.’ Binnen de tijd die de uitgever of zijzelf zich gunde, kreeg ze het niet voor elkaar.
Er uiteindelijk het zwijgen toe doen, mag soms het hoogste eerbetoon zijn, het grote sterven ligt op de loer. Zoals Rubinstein het in het nawoord bij Mijn beter ik als een laatste rechtvaardiging voor het schrijven van deze herinneringen formuleert: 'Alles zou verloren gegaan zijn, vergeten worden, tot stof weergekeerd als ik het niet vastgelegd had.’
'Aardig hŠ?’ vraagt Rubinstein aan haar lezers als ze net weer een staaltje van de mateloze verliefdheid van Carmiggelt heeft weergegeven. 'Jaloersmakend hŠ?’ vraagt Connie Palmen aan haar interviewster, als ze net heeft verteld hoeveel keer per dag ze werd opgebeld door Ischa Meijer. Het afscheid gunt ons voor de laatste keer een blik op de mythische relatie tussen De Beauvoir en Sartre, zoals zij die zag. Leven met J.C. Bloem vertelt ons alles over de 'fatale gebondenheid’ die twee bijzondere mensen gevangen kan houden. Wij gewone stervelingen mogen even door het raam naar binnen kijken om ons te vergapen aan dit geluk, deze liefde, dit onverbrekelijk verbond. Wat de weduwe tijdens het leven van haar man niet lukte, heeft zij nu tot stand gebracht: ze zal tot in alle postumiteit de enige vrouw in zijn leven zijn.