Wat er gebeurde met Michael Moore

Ik was de meest gehate man in Amerika

In zijn dankwoord tijdens de Oscar-uitreikingen in 2003 sprak Michael Moore zich uit tegen president Bush en de invasie van Irak. Dat kwam hem duur te staan. In een exclusief fragment uit zijn nieuwe boek Here Comes Trouble schrijft hij over bommeldingen, lijfwachten en hoe hij terugvocht.

Medium michaelmoore publiciteitsbeeld

‘Ik speel met de gedachte Michael Moore te vermoorden en ik vraag me af of ik het zelf zou kunnen doen of dat ik er iemand voor zou moeten inhuren… Nee, ik denk dat ik het zelf wel zou kunnen. Ik stel me voor hoe hij me aankijkt, weet je, en dat ik hem dan langzaam wurg. Is dat fout? Ik ben gestopt met het dragen van mijn polsband met de tekst “What Would Jesus Do?” en heb geen besef meer van goed en kwaad. Vroeger kon ik zeggen: “Ik zou die Michael Moore wel kunnen vermoorden”, vervolgens naar mijn polsbandje kijken en me afvragen: wat zou Jezus doen? En dan zou ik tot het besef komen: “Nee, ik zou Michael Moore niet vermoorden. Ik zou hem zeker niet wurgen tot hij stikt.” Maar nu, weet je, ben ik daar niet meer zo zeker van.’ (Glenn Beck, live in het programma Glenn Beck_, 17 mei 2005.)_

DE WENS DAT IK VOORTIJDIG zou heengaan leek alomtegenwoordig. Op een mooie juli-ochtend in 2004 leefde hij in elk geval in de gedachten van Bill Hemmer van CNN. Hij had iets gehoord dat hij bij me wilde checken. Terwijl hij tijdens de Democratische Nationale Conventie van 2004 een microfoon onder mijn neus hield, vroeg hij me live op CNN naar mijn mening over de manier waarop het Amerikaanse volk over Michael Moore dacht: ‘Ik heb mensen horen zeggen dat ze Michael Moore dood wensen.’ Hemmer zei het alsof het de normaalste zaak van de wereld was, zo van: natuurlijk wensen mensen jou dood! Hij ging er gewoon van uit dat dit voor zijn kijkers een waarheid als een koe was, zoals de zon opkomt in het oosten en maïs in een kolf groeit.

Om de heer Hemmer recht te doen: ik was me bewust van het feit dat mijn films veel mensen woedend hadden gemaakt. Het was niet ongewoon dat ik door fans spontaan werd aangehouden en omhelsd met de woorden: ‘Gelukkig, je bent er nog!’ En dan bedoelden ze niet in het gebouw.

Hoe kon ik nog in leven zijn? Al meer dan een jaar lang waren er dreigementen, intimidaties, pesterijen en zelfs aanslagen op klaarlichte dag geweest. Het was het eerste jaar van de oorlog in Irak, en een hoge beveiligingsexpert (die door de federale overheid vaak wordt ingeschakeld om moordaanslagen te voorkomen) had me verteld dat er ‘niemand in Amerika, op president Bush na, in groter gevaar verkeert dan jij’.

Hoe had het in vredesnaam zo ver kunnen komen? Had ik het aan mezelf te wijten? Ja, natuurlijk. En ik weet nog precies wanneer het begon.

Op de avond van 23 maart 2003. Vier dagen daarvoor was George W. Bush Irak binnengevallen, een soevereine staat die ons niet alleen níet had aangevallen, maar in het verleden zelfs militaire steun van de Verenigde Staten had ontvangen. Het was een onwettige, immorele, domme invasie, maar het Amerikaanse volk zag dat anders. Meer dan zeventig procent van het volk stond achter de oorlog. En op de vierde avond van deze bijzonder populaire oorlog stond mijn film Bowling for Columbine op de nominatie voor een Oscar. Ik ging naar de uitreiking, maar het was mij, evenals de andere genomineerden, verboden de pers te woord te staan op de rode loper voor het Kodak Theater in Hollywood. De angst bestond dat iemand iets zou zeggen, en in oorlogstijd wordt iedereen geacht de oorlogsinspanningen te steunen en dat alle neuzen dezelfde kant op wijzen.

De actrice Diane Lane kwam het podium op en las de lijst voor met de genomineerden in de categorie beste documentaire. Ze opende de envelop en kondigde met grenzeloze blijdschap aan dat ik de Oscar had gewonnen. Het publiek in de hoofdzaal, bestaande uit genomineerde acteurs, regisseurs en scenarioschrijvers, stond op en gaf me een lange staande ovatie. Ik had de genomineerden voor de andere documentaires gevraagd of ze met me mee het podium op wilden komen als ik had gewonnen, en dat deden ze. Eindelijk stierf het applaus en nam ik het woord: ‘Ik heb mijn collega documentairemakers die ook genomineerd waren gevraagd met ons het podium op te komen. Ze staan hier uit solidariteit, omdat wij van non-fictie houden. Wij houden van non-fictie, maar leven in fictieve tijden. We leven in een tijd van fictieve verkiezingsuitslagen, met een fictieve president als gevolg. We leven in een tijd waarin iemand ons om fictieve redenen op oorlogspad stuurt. Of het nu de fictie is van plakband of van oranje alarmsignalen: wij zijn tegen deze oorlog, meneer Bush. U moet zich schamen, meneer Bush! U moet zich schamen! En telkens wanneer de paus of de Dixie Chicks zich tegen u keren, is uw tijd om! Mijn dank is groot.’

Ongeveer halverwege deze opmerkingen brak de hel los. Er klonk boegeroep, zeer luid boegeroep, vanaf de balkons en vanuit de coulissen. (Enkele aanwezigen – Martin Scorsese, Meryl Streep – probeerden me vanuit de zaal aan te moedigen, maar kwamen er niet bovenuit.) De producent van de uitzending liet het orkest inzetten zodat mijn woorden werden overstemd. De microfoon zakte weg in de vloer. Een reusachtig scherm met enorme rode letters begon voor me te knipperen: ‘Uw tijd is om!’ Er ontstond op z’n zachtst gezegd tumult, en ik werd van het podium afgevoerd.

Een weinig bekend feit: de eerste twee woorden die iedere Oscar-winnaar krijgt te horen na het in ontvangst nemen van de Oscar zijn afkomstig van twee aantrekkelijke jonge mensen in galakledij die door de Academy zijn ingehuurd om je achter het doek op te vangen. Dus terwijl het onheil en de chaos in het Kodak toesloegen, stond een jonge vrouw in haar designerjurk mij op te wachten, zich niet bewust van het gevaar waarin ze verkeerde, en sprak het volgende woord uit: ‘Champagne?’ Ze reikte me een champagneflûte aan.

De jongeman in strakke smoking naast haar viel haar meteen bij met: ‘Pepermuntje?’ En hij gaf me een pepermuntje.

Champagne en pepermuntje zijn de eerste twee woorden die een Oscar-winnaar te horen krijgt. Maar ik, geluksvogel, kreeg nog een woord te horen. Een woedende toneelknecht ging vlak naast me staan en schreeuwde zo hard hij kon in mijn oor: ‘Asshole!’

Nog meer stevige, woedende toneelknechten namen het tegen me op. Ik hield mijn Oscar krampachtig vast alsof het een wapen was, als een sheriff die een woedende menigte op afstand houdt, of als een eenzame, in een hinderlaag gelokte en omsingelde nachtwandelaar wiens enige hoop de zaklamp is waarmee hij als een bezetene naar de naderende vampiers zwaait. Op dat moment voelde ik me alleen maar eenzaam, niets meer dan een grote en volslagen teleurstelling.

Die avond kon ik niet in slaap komen, dus stond ik op en zette de tv aan. Het uur daarna keek ik naar de samenvattingen van de Oscar-avond op de plaatselijke zenders en al zappend hoorde ik de ene na de andere opinieleider mijn geestelijke gezondheid in twijfel trekken, mijn toespraak kritiseren en geregeld uitspraken doen als: ‘Ik snap niet wat hem bezielde!’, ‘Hij zal het moeilijk krijgen in deze stad na deze stunt!’, ‘Met wie denkt hij nog een film te kunnen maken?’, ‘Over carrièresuïcide gesproken!’ Na een uur van dit alles zette ik de tv uit en ging online, waar meer van hetzelfde was, alleen nog erger – vanuit heel Amerika. Ik werd misselijk. Ik zag het teken aan de wand – voor mij als filmmaker was het doek gevallen. Ik zette de computer uit, deed het licht uit en bleef zo zitten in het donker op mijn stoel, malend over wat ik had gedaan. Goed gedaan, Mike. Opgeruimd staat netjes.

Besmeurd met drek

Toen we aankwamen in het noorden van Michigan bleek het plaatselijke ontvangstcomité drie truckladingen paardenmest middelhoog op ons garagepad te hebben gedumpt, waardoor we niet eens ons eigen huis in konden – een huis dat overigens recentelijk was opgesierd met een stuk of tien borden die tegen onze bomen waren gespijkerd: Sodemieter op! Vertrek naar Cuba! Vuile communist! Verrader! Donder op of anders!

Ik was niet van plan te vertrekken.

De hatemail na de Oscar-speech was zo omvangrijk, dat het leek of Hallmark een nieuwe afdeling had geopend met schrijvers van ansichtkaarten die de taak hadden mijn dood toe te juichen. (‘Voor een bijzondere klootzak…’, ‘Word snel beter na je mysterieuze auto-ongeluk!’ en ‘Op een fijne beroerte!’)

De telefoontjes naar mijn huis waren eigenlijk nog enger. Er treedt een heel ander angstmechanisme in werking wanneer een menselijke stem verbonden is met de razernij terwijl je denkt: ‘Deze persoon riskeert letterlijk een arrestatie door dit over de telefoon te zeggen!’ Je moest op z’n minst onder de indruk zijn van hun moed, of hun krankzinnigheid.

Maar het ergste was als mensen naar ons huis gingen. Ze liepen gewoon ons garagepad op en zagen er altijd uit als verstotelingen uit de cast van The Night of the Living Dead, nooit bijzonder snel bewegend, maar altijd met vastberaden doelgerichtheid. Er zaten weinig echte haters onder; de meesten waren gewoon gek. We hielden de hulpsheriffs aan het werk, totdat ze uiteindelijk de tip gaven om privé-beveiliging in te schakelen, misschien zelfs wel een privé-politiekorps. Hetgeen we deden.

We ontmoetten het hoofd van het grootste beveiligingsbureau van het land, een select team zonder voormalige politieagenten, ‘zware jongens’ of uitsmijtertypes. Ze gaven de voorkeur aan louter Navy Seals en andere voormalige Special Forces. Kerels die het hoofd koel hielden en die je met een stukje flosdraad binnen een nanoseconde konden uitschakelen. Aan het einde van dat jaar was ik door de angstwekkende toename van dreigementen en aanslagen op mij omringd door negen voormalige Seals, vierentwintig uur per dag.

Fahrenheit 9/11: de tegenaanval

Na de Oscar-rel en de daaruit voortvloeiende status van persona non grata die ik had als meest gehate man in Amerika, besloot ik te doen wat iedereen in mijn positie zou doen: een film maken waarin ik opperde dat de president van de Verenigde Staten een oorlogscrimineel is.

Ik bedoel: waarom kiezen voor de makkelijke weg? Voor mij was het toch al afgelopen. De studio die had beloofd mijn volgende film te financieren had na het Oscar-dankwoord gebeld en gezegd dat ze het ondertekende contract met mij hadden opgezegd – als het me niet aanstond, kon ik opsodemieteren. Gelukkig nam een andere studio het over, maar ik moest er wel voor waken, zeiden ze, het kaartjes kopende publiek tegen de haren in te strijken. De eigenaar van de studio had de invasie van Irak gesteund. Ik vertelde hem dat ik het kaartjes kopende publiek al tegen de haren in had gestreken en stelde voor een zo goed mogelijke film te maken, rechtstreeks uit het hart – en tja, als niemand hem goed vond, kon hij nog altijd rechtstreeks op dvd worden uitgebracht.

Met al dit tumult op de achtergrond begon ik Fahrenheit 9/11 op te nemen. Ik vertelde de leden van mijn ploeg te doen alsof dit ons laatste project in de filmbusiness zou zijn. Dat was niet bedoeld als inspirerende toespraak, ik geloofde echt dat dit het einde was. En zo maakten we in de daaropvolgende elf maanden onze filmische veroordeling van een regering en een land die waren doorgedraaid.

De release van de film in 2004, iets meer dan een jaar na het begin van de oorlog, kwam op een moment dat de grote meerderheid van de Amerikanen nog achter de oorlog stond. We lieten de film in Cannes in première gaan, waar we de hoofdprijs wonnen, de Gouden Palm, dankzij een internationale jury die werd voorgezeten door Quentin Tarantino. Voor het eerst in bijna vijftig jaar had een documentaire die prijs gewonnen.

De eerste overweldigende reactie op Fahrenheit 9/11 joeg het Witte Huis van Bush de stuipen op het lijf en overtuigde degenen die zijn herverkiezingscampagne leidden dat een film het duwtje kon zijn dat hem ten val zou kunnen brengen. Een enquêteur moest uitzoeken welk effect de film op de kiezer had. Nadat de film door drie verschillende groepen mensen in drie steden was gescreend, ontving Karl Rove een slecht bericht. De film was niet alleen de zo noodzakelijke oppepper voor het Democratische contingent kiezers (razend enthousiast over de film), het had vreemd genoeg ook een opvallend effect op vrouwelijke Republikeinse kiezers.

Uit het eigen enquêteonderzoek van de studio was al gebleken dat maar liefst eenderde van de Republikeinse kiezers na het zien van de film beweerde dat ze de film zouden aanraden. Maar de enquêteur van het Witte Huis meldde nog iets wat nóg verontrustender was: tien procent van de Republikeinse vrouwen gaf aan dat ze na het zien van Fahrenheit 9/11 hadden besloten ofwel op John Kerry te stemmen of thuis te blijve

n. In een verkiezingsstrijd die door slechts enkele procentpunten kon worden beslist, was dit schokkend nieuws.

De film zou in heel Noord-Amerika binnenkomen op nummer 1. En, om het allemaal nog erger te maken voor het Witte Huis, hij stond op 1 in alle vijftig staten, zelfs in het diepe zuiden. Hij stond op 1 in militaire stadjes als Fort Bragg. Soldaten gingen er met hun familie heen en volgens velen was het de meest bekeken kopie door de troepen in Irak. Het verbrak het record dat lang op naam stond van de Star Wars-film Return of the Jedi als grootste openingsweekend ooit voor een film die in duizend of minder bioscopen in première ging. Het was, in het jargon van Variety, een major boffo, een juggernaut.

En dankzij dit alles was ik een doelwit geworden.

De daaropvolgende aanslagen op mij leken bizarre verzinsels, het waren gestoorde, uit de duim gezogen aantijgingen waarop ik weigerde in te gaan omdat ik geen prestige wilde verlenen aan het geruis. Op tv, de radio, de opiniepagina’s, internet, overal suggereerde men dat Michael Moore Amerika haatte, dat hij loog, dat hij een samenzweringsidioot en een croissantjesvreter was. De campagne tegen mij was bedoeld om te voorkomen dat er te veel Republikeinen naar mijn film zouden gaan.

En het werkte. Natuurlijk hielp het ook niet dat Kerry een beroerde kandidaat was. Bush won met één staat, Ohio.

Verder was er nog schade aangericht door de vele tegen mij gerichte scheldkanonnades van Republikeinse opiniemakers. Ze hadden als treurige en tragische bijwerking alles wat al een beetje loszat uit zijn hengsels te lichten. En zo werd mijn leven niet meer alleen geplaagd door hanepotige scheldbriefjes, maar ook door ferm uitgevoerde fysieke aanslagen – en erger.

Leven met lijfwachten

De voormalige Navy Seals trokken bij ons in. Als ik buiten op straat liep, vormden zij een kring om mij heen. ’s Avonds droegen ze een bril met nachtvizier en andere speciale apparatuur die maar weinig mensen buiten het hoofdkwartier van de CIA ooit gezien zullen hebben.

Het bureau dat mij beschermde had een afdeling die de dreigementen analyseerde. Het was hun taak onderzoek te doen naar iedereen die mij geloofwaardig bedreigde. Op een dag vroeg ik of ik het dossier mocht inzien. Het hoofd van de leiding begon de lijst met namen en de bijbehorende dreigementen voor te lezen, en het risico dat volgens het bureau aan deze personen was verbonden. Na de eerste tien mensen hield hij op en vroeg: ‘Wilt u echt dat ik doorga? Het zijn er nog 429.’

Ik kon de deur niet meer uit zonder een incident. Het begon met kleine dingen, bezoekers in een restaurant die vroegen of ze aan een andere tafel mochten als ik naast hen ging zitten, een taxichauffeur die midden in het verkeer stopte om mij uit te schelden. Het verbale geweld werd snel fysiek, en de Seals waren inmiddels in opperste staat van alertheid. Om veiligheidsredenen wil ik er niet al te gedetailleerd op ingaan, deels op advies van het bureau, deels omdat ik deze criminelen geen greintje meer van de aandacht wil geven die ze wilden hebben:

– In Nashville sprong een man met een mes op het podium en kwam op me af. De Seal greep hem van achteren bij een riemlus en zijn kraag en slingerde hem van de voorkant van het podium naar de cementen vloer eronder. Het bloed moest worden opgedweild nadat de Seals hem hadden weggehaald.

– In Fort Lauderdale zag een man in een fraai pak mij op de stoep en ging uit zijn dak. Hij haalde het deksel van zijn beker en smeet kokendhete koffie richting mijn gezicht. De Seal zag het aankomen, maar had niet die halve seconde die nodig was om de kerel bij zijn kraag te grijpen, dus hield hij zijn gezicht voor het mijne en ving zo de klap op. De koffie verbrandde zijn gezicht zo ernstig dat we hem naar het ziekenhuis moesten brengen (hij had tweedegraads brandwonden) – maar niet dan nadat de Seal de man met zijn gezicht tegen het trottoir had gesmeten, zijn knieën pijnlijk in zijn rug had geplant en hem in de boeien had geslagen.

– In New York City, waar ik buiten voor de bioscoop waar Fahrenheit 9/11 werd getoond een persconferentie hield, trok een woedende voorbijganger het enige wapen dat hij op zak had – een bijzonder scherp geslepen potlood. Terwijl hij op me afstormde om me ermee aan te vallen, zag de Seal hem en op het allerlaatste moment stak hij zijn hand tussen mij en het naderende potlood. Het potlood ging dwars door de hand van de Seal. Ooit gezien hoe een Navy Seal doorstoken wordt? De blik in zijn ogen is vergelijkbaar met die van ons wanneer we ontdekken dat de shampoo op is. De potloodtrekker bekeerde zich die dag waarschijnlijk tot de papierloze samenleving, nadat de Seal had afgerekend met hem en zijn zestiende-eeuwse schrijfgerei.

De eenzame bommengooier

En toen was daar Lee James Headley. Alleen in zijn woning in Ohio had Lee grootse plannen. De wereld werd, volgens zijn dagboeknotities, gedomineerd en verpest door linkse rakkers. Zijn opmerkingen leken rechtstreeks afkomstig uit een willekeurige aflevering van The Rush Limbaugh Show. Lee had een lijstje samengesteld. Het was een korte lijst met mensen die weg moesten. Boven aan de lijst stond zijn belangrijkste doelwit: ‘Michael Moore’. Naast mijn naam schreef hij ‘Marked’ (als in ‘marked for death’, zou hij later uitleggen).

Gedurende het voorjaar van 2004 verzamelde Headley een enorme hoeveelheid wapens, hamsterde hij duizenden kogels en verschillende materialen om een bom te maken. Hij kocht The Anarchist’s Cookbook en de racistische roman The Turner Diaries. Zijn notities bevatten tekeningen van raketwerpers en bommen, en hij schreef voortdurend: ‘Vechten, vechten, vechten, moorden, moorden, moorden!’

Op een avond in 2004 had hij met een van zijn kalasjnikovs per ongeluk een kogel afgeschoten in zijn huis. Een buur hoorde het schot en belde de politie. De politie arriveerde en trof zijn schat aan wapens, munitie en bomingrediënten aan.

Ik kreeg het telefoontje een paar dagen later van mijn beveiligingsbureau.

‘We dienen u in te lichten dat de politie iemand in hechtenis heeft genomen die van plan was uw huis op te blazen. U bent nu niet meer in gevaar.’

Ik werd heel stil. Ik probeerde te verwerken wat ik zojuist had gehoord. Ik… ben… nu… niet… meer… in… gevaar. Voor mij was dat de druppel. Ik stortte in. Mijn vrouw verkeerde al in haar eigen staat van wanhoop om het verlies van het leven dat we vroeger leidden. Ik stelde me opnieuw de vraag: waar had ik dit aan verdiend? Aan een film? Had een film iemand zo ver gekregen om mijn huis op te blazen? Wat is er gebeurd met de ingezonden brief?

In de maanden daarna werd het aanhoudende tromgeroffel tegen mij alleen maar luider, ook na de herverkiezing van Bush. Toen Glenn Beck vertelde dat hij had overwogen mij te vermoorden, kreeg hij geen boete van de Raad voor de Journalistiek en werd hij niet gearresteerd door de politie van New York. In feite deed hij een oproep mij te vermoorden, en niemand in de media maakte er in die tijd melding van.

Op een avond, toen ik niet thuis was, betrad een man wederrechtelijk ons perceel en liet buiten iets achter onder ons slaapkamerraam. Mijn vrouw schrok zich een ongeluk. Hij maakte zelfs een filmpje van wat hij deed.

Toen de politie de zaak onderzocht, zei hij dat hij een ‘documentaire’ aan het maken was. De titel luidde: Shooting Michael Moore. Als je zijn website bezocht, en de woorden ‘Shooting Michael Moore’ verschenen op het scherm, hoorde je de knal van een geweerschot. De media smulden ervan, en de man was in veel praatprogramma’s te zien (onder meer in de show van Sean Hannity bij Fox News). ‘Zo meteen, iemand die Michael Moore een koekje van eigen deeg geeft. Moore wordt nu zelf op zijn huid gezeten!’ (Cue voor geluidseffect: ka-boem!) Daarna liet hij aan de hand van filmpjes en plattegronden zien hoe je onbevoegd ons terrein kon betreden.

Ik zal niet met u delen wat voor impact dit destijds op mijn privé-leven had, maar het volstaat te zeggen dat ik dit niemand toewens. Meer dan eens heb ik mezelf afgevraagd of het al mijn werk wel waard was. Zou ik, als ik het mocht overdoen, het weer zo doen? Zou ik, als ik dat Oscar-dankwoord kon hernemen, gewoon het podium op gaan om mijn agent en de ontwerper van mijn smoking te bedanken en het daarbij laten? Als dat betekende dat mijn familieleden zich geen zorgen hoefden te maken om hun veiligheid en dat ik niet voortdurend in gevaar verkeerde – nou ja, ik vraag het u, wat zou u doen? U weet wat u zou doen.

President Bush als redder

In de daaropvolgende tweeënhalf jaar ging ik niet vaak het huis uit. Van januari 2005 tot mei 2007 verscheen ik niet één keer in een praatprogramma. Ik stopte met het geven van college tours. Ik verdween gewoon van de kaart. In het jaar daarvoor had ik aan meer dan vijftig universiteiten lezingen gegeven. In de twee jaar daarna slechts aan één. Ik bleef dicht bij huis en werkte aan enkele plaatselijke projecten in Michigan, waar ik woonde. En toen verscheen de president als mijn redder in nood. Hij zei iets dat me hielp eruit te breken. Ik had het hem eerder horen zeggen, maar toen ik het die keer hoorde, was het alsof hij zich direct tot mij wendde. Hij zei: ‘Als we zwichten voor de terroristen, winnen de terroristen.’ En hij had gelijk. Zijn terroristen wonnen! Van mij! Wat zat ik daar maar thuis te zitten? Ik trok de jaloezieën open, klom uit de put van zelfmedelijden en ging weer aan de slag. Ik maakte drie films in drie jaar, zette me in voor de verkiezing van Barack Obama en droeg ertoe bij dat twee Republikeinse Congresleden uit Michigan uit hun functie werden gezet. Ik zette een populaire website op en werd gekozen als lid van hetzelfde bestuur van de Academy Awards dat mij had uitgejouwd.

Ik koos ervoor niet bij de pakken neer te zitten. Ik wilde maar al te graag bij de pakken neerzitten. In plaats daarvan werkte ik aan mijn conditie. Als je me nu een stomp zou geven, verzeker ik je dat er drie dingen gebeuren: 1) Je breekt je hand. Dat is het mooie als je elke dag een half uurtje aan je musculoskelatale structuur werkt – die verandert in kryptoniet; 2) Ik val boven op je. Ik werk nog aan problemen met mijn kern en evenwicht, dus nadat je naar mij hebt uitgehaald, tuimel ik voorover en verpletter ik je; 3) Mijn Seals spuiten traangas of hun zelf gebrouwen ongediertespray op Mexicaanse peperbasis in je ogen terwijl jij op de grond ligt. Als pacifist bied ik bij voorbaat mijn excuses aan – en gebruik nooit, maar dan ook nooit meer geweld tegen mij of wie dan ook.

Uiteindelijk zat ik weer sinds lange tijd in The Tonight Show. Toen ik het podium verliet, kwam de man van de hengelmicrofoon op me af.

‘Waarschijnlijk herkent u me niet’, zei hij zenuwachtig. ‘Ik had nooit gedacht dat ik u ooit weer zou zien of de gelegenheid zou krijgen om met u te praten. Het is niet te geloven dat ik het nu kan doen.’

Wat kan doen? vroeg ik me af. Ik bereidde me voor op de weldra brekende hand van de man.

‘Ik had nooit gedacht dat ik de kans zou krijgen u mijn verontschuldigingen aan te bieden’, zei hij, terwijl er een paar tranen in zijn ogen opwelden. ‘Ik ben die vent die uw Oscar-avond heeft verpest. Ik was die vent die asshole in uw rechteroor schreeuwde toen u net van het podium kwam. Ik… Ik… [hij probeerde te kalmeren]. Ik vond dat u de president aanviel, maar u had gelijk. Hij heeft tegen ons gelogen. Ik loop hier nu al die jaren mee rond, het spijt me zo…’

Op dat moment had hij het niet meer, en het enige wat in me opkwam was een arm naar hem uitsteken en hem warm omhelzen.

‘Het is oké, man’, zei ik met een brede glimlach. ‘Excuses aanvaard. Maar je hoeft je voor mij niet te verontschuldigen. Jij geloofde jouw president! Je wordt geacht je president te geloven! Als dat niet het minste is wat we kunnen verwachten van degene die dat ambt bekleedt, shit, dan zijn we verloren.’

‘Dank je wel’, zei hij, opgelucht. ‘Bedankt voor je begrip.’

‘Begrip?’ zei ik. ‘Dit is geen kwestie van begrip. Ik vertel deze grappige anekdote nu al jaren, over de eerste twee woorden die iedere Oscar-winnaar te horen krijgt, en dat ik een bonuswoord te horen kreeg! Man, dat verhaal neem je niet van me af! Iedereen smult ervan!’ Hij lachte, en ik lachte.

‘Ja’, zei hij, ‘er zijn niet veel van zulke smakelijke anekdotes.’


Vertaling: Frans van Delft.

Here Comes Trouble verschijnt in maart in het Nederlands bij De Arbeiderspers