Menno Schenke, Vaan, het bewogen bestaan van C.B. Vaandrager

Ik was naïef met wijven. Ik kon niet dansen.

Menno Schenke

Vaan, het bewogen bestaan van C.B. Vaandrager

De Bezige Bij, 465 blz., e 35,-

Ik heb nog een Gard Sivik van maart-april 1962, nr. 25, literair avant-gardetijdschrift, zesde jaargang, aflevering 1. Blauw-wit omslag, de bladzijden beginnen ernstig te bruinen, nog twintig jaar en ze zijn helemaal weggerot. Het tijdschrift opent met gedichten van Hans Verhagen, Het nieuwe Zeeland, ik herinner me ze nog als ik ze lees: «Ik/ in mijn dode 1tje, maar op een voltage voor 3./ Het brein/ een crematorium voor mijn besmette bemanning». Goed vond ik ze destijds. Als artistiekeling, zo heette dat toen, van achttien jaar in Nijmegen las je deze gedichten. Ze zijn «voor Hans Sleutelaar & Cornelis Bastiaan Vaandrager». Let op dat &, het hoorde erbij. Verder in het nummer onder meer werk van Vinkenoog, Armando, Willy Roggeman, Bob den Uyl en Joop van Tijn (dé Joop van Tijn?). Vaandrager (1935-1992) heeft niks bijgedragen, jammer. Ik was toen al into Vaandrager en ben het nog steeds, al weet ik niet precies waarom.

In mijn exemplaar van Vaandragers roman De Hef uit 1975 zit een vergeeld knipsel van een bespreking van J.F. Vogelaar uit De Groene Amsterdammer van 10 december 1975. Met een foto van Vaandrager. Hij heeft een soort vaas in zijn hand, een penseel, zijn bril bestaat uit een licht en een donker glas. Altijd de clown uithangen natuurlijk, image building, nu heet dat anders: publiciteit maken. Vogelaar las het boek met stijgende verbazing. Hij probeert het eerst samen te vatten, houdt daarmee op, psychologie moet je er ook maar niet op loslaten, vindt hij. En toch is er iets met dit boek, het heeft hem gepakt, al zegt hij dat niet zo. Is het dan een verslag van een literaire generatie? De Zestigers? Misschien daarom de «sprakeloze woede» die omhoog stijgt uit deze fragmenten? En dan besluit hij met wat hij natuurlijk al de hele tijd wilde schrijven: «Er is aan dit boek oneindig meer te beleven dan aan de romans die dit najaar alom besproken en bewierookt zijn.»

En zo is het nog steeds. Ik heb De Hef herlezen, er is geen touw aan vast te knopen, maar wat een krankzinnig boek, nog steeds veel meer aan te beleven dan aan de hele romanproductie van het afgelopen half jaar, inclusief de buitenlandse. De reus van Rotterdam (1971) gaat echt nergens over en toch glinstert het van taal- en schrijfverlangen, net als al het andere werk van deze schrijfkunstenaar. Als het over Vaandrager gaat, word ik sentimenteel, dat is wel duidelijk. Ik weet best dat het niks helpt wanneer ik hier zijn werk aanprijs, niemand gaat het ineens lezen, men kijkt wel uit, dat gelul allemaal. Dit hoort bij het werk van Vaandrager, hij wist het uiteraard, al hoopte hij wel eens op een wonder, maar volgens mij kon het hem niks schelen. Nu lachen we wat om het gedicht: «De kroketten in het restaurant/ zijn aan de kleine kant». Of om: «Ik was naïef met wijven./ Ik kon niet dansen». (Stiekem schater ik er nog steeds om.)

Altijd wist ik dat Vaandrager de schrijver was waar het om ging, ook wanneer hij flauw was, of rancuneus, of totaal onnavolgbaar. Bij Armando’s gedichten dacht ik toch ook steeds dat ik te maken had met een reclamecampagne, bij Vaandrager nooit. Vaandrager was de laatste der mohikanen, de laatste schrijfperformance kunstenaar die alles tot schrijven bombardeerde. De eerste was natuurlijk Rimbaud, maar die hield het maar een paar jaar vol. Vaandragers leven stond in dienst van schrijven, zijn leven was het aambeeld waarop hij schreef. Natuurlijk dacht ik dat ik het ook kon, schrijven als Vaandrager. Het was niks en het werd niks. Kapot heb ik me geërgerd aan de dichtbundel die Herman Brood in 1988 publiceerde, Zoon van alle moeders, compleet jatwerk, nog slecht ook, tot en met de fonetische schrijfwijze en de taal. Waardeloos. Juist hij, deze alom goedgekeurde kunstposeur, had van Vaandrager af moeten blijven. Ik had me voorgenomen niet kwaad te worden, beleefd te blijven, met twee woorden te spreken, maar als het over Vaandrager gaat lukt het me niet.

Menno Schenke schreef over diens leven een mooie biografie, ik zeg dit met enige schroom. In mijn hart vind ik namelijk dat men met zijn poten van Vaandrager af moet blijven. Ik wil niets over zijn leven weten, ben bang dat ik dan ineens de verbazing kwijtraak, een rare blijdschap ook nog, die ik altijd heb wanneer ik Vaandragers werk lees. Neem nu het eerste gedicht uit een van zijn laatste bundels, Zij het gehavend uit 1986, ik moet erbij lachen en nadenken en dan weer lachen. Dit is een prachtig gedicht en ik ben niet van plan ooit uit te leggen waarom dat zo is. Zoek het zelf maar mooi uit! Het liefst wil ik dat Vaandragers leven een gerucht blijft, een verhaal over een Rotterdamse jongen die zijn leven in dienst van literatuur stelde, prachtige boeken schreef en die ten slotte door nare omstandigheden aan lager wal raakte, aan de drugs raakte. Aan de drugs raken, ik wil het bij hem allemaal niet precies weten, ik wil mijn kop in het zand blijven steken, liefst zo lang mogelijk.

Maar gelukkig houdt Schenke Vaan drager overeind, als ik nu nog te volgen ben, hij geeft aan zijn boek een mooie laconieke toon mee, hij maakt er geen larmoyante toestand van, al zat ik soms met het zweet in mijn handen. Vaan dragers werk, daar blijft hij van af, hij heeft het er natuurlijk wel over, maar we krijgen god zij dank geen ultieme verklaring van hoe het kwam en ging en was. Je voelt gewoon dat hij dat werk in stand wil houden en niet weg wil zetten bij het vuilnis van de literaire geschiedenis. Ik hoefde niet kwaad te worden, zal ik maar zeggen. Geen moment. Dit is bedoeld als een groot compliment.