Ik was niet gek (of hoogstens tijdelijk)

JACCO PEKELDER
SYMPATHIE VOOR DE RAF: DE ROTE ARMEE FRAKTION IN NEDERLAND, 1970-1980
Mets & Schilt, 367 blz., € 25,-

De jaren zeventig zijn weer helemaal in. De muziek wordt driftig gerecycled, modeontwerpers grijpen gretig terug op wanstaltige patronen en kleurencombinaties uit die jaren, er verschijnen films en momenteel zijn er zelfs twee tentoonstellingen gewijd aan dit decennium. In het Noordbrabants Museum in Den Bosch is Wauw! Nederland in de jaren zeventig te zien, en in het Nijmeegse museum Het Valkhof concentreert de expositie 70’s in Nijmegen zich op de wijze waarop in dit voormalige linkse bolwerk de ‘tien krejatieve aksiejaren’ werden beleefd.

Nu wordt er vroeg of laat op vrijwel elke periode vol nostalgie teruggeblikt, maar je vraagt je onwillekeurig toch af waarom die jaren zeventig in godsnaam zo aantrekkelijk zijn. Een deel van de verklaring bestaat er wellicht uit dat dit het decennium was van het simpele gelijk. De wereld leek nog eenvoudig in elkaar te zitten. Voor Telegraaf- en _Elsevier-_lezers was Joop den Uyl een onverantwoordelijke sinterklaas die de belastingcenten van hardwerkende burgers over de balk smeet ten behoeve van antiautoritaire ‘kresjes’, communistische dictaturen en allerlei langharig, werkschuw tuig dat de godganse dag ‘verdovende drugsmiddelen’ gebruikte en ontucht bedreef.

Het wereldbeeld van links was nauwelijks genuanceerder. De wereld werd naar de kloten geholpen door gewetenloze kapitalisten, die hierbij werden geholpen door machtsbeluste politici die elk democratisch initiatief de kop in drukten en de bevolking in toom wilden houden door middel van controle- en repressietechnieken waarvan zelfs Orwell niet had kunnen dromen.

Achteraf bleek de wereld toch heel wat complexer en na verloop van tijd deed vrijwel iedereen flinke scheuten water bij de ideologische wijn. Men werd sadder but wiser, wat op zich een heuglijk verschijnsel is. Veel mensen hebben echter de neiging om te doen alsof ze eigenlijk toen al verstandig waren, dat zij nooit van die rabiate denkbeelden hebben gehad, dat het wat hun betreft niet zo’n vaart liep. Ik ken zelfs mensen die beweren dat ze alleen maar lid zijn geworden van de cpn om die club op te heffen. En wie geen lid is geweest van een of andere extremistische club en niet onder eigen naam stukjes heeft geschreven in allerlei sektarische krantjes komt daar ook vrij gemakkelijk mee weg. Daarom konden twee jaar geleden, toen in De Balie Antoine Verbij’s boek Tien rode jaren werd gepresenteerd, veel aanwezigen beweren dat er in Nederland vrijwel niemand was geweest die begrip had getoond voor de linkse terroristen van de Rote Armee Fraktion.

Hè, was ik nou gek geworden? Waar waren ze dan gebleven, die lieden die, net als ik en mijn kameraden uit het comité tegen Berufsverbote van onze studentenvakbond, van mening waren geweest dat de raf weliswaar een verkeerde strijdwijze had gekozen, maar dat wat zij deden toch veel minder zorgwekkend was dan de wijze waarop de West-Duitse overheid het linkse terrorisme meende te moeten bestrijden? Had ik in die jaren niet tal van pvda’ers, psp’ers, ppr’ers en cpn’ers ontmoet die er net zo over dachten als ik? Dan had ik al die artikelen met dezelfde teneur – van gerenommeerde journalisten als Martin van Amerongen, Wouter Gortzak en Johan van Minnen – zeker verzonnen? Dan had filosoof en pvda-bestuurder Lolle Nauta, toen hij uitriep dat links zich solidair diende te verklaren met de raf, zeker voor een lege zaal staan praten?

Het verschijnen van Jacco Pekelders boek Sympathie voor de RAF was voor mij dan ook een enorme opluchting. Ik was niet gek, althans niet op die avond in 2005. Wel was ik rond 1977 het zicht op de werkelijkheid een beetje kwijt geweest, maar ik was toen pas achttien en bovendien maakt Pekelder duidelijk dat ik bepaald niet in mijn eentje dwaalde.

Het boek begint met woeste schietpartijen in Utrecht en Amsterdam Osdorp, waarbij de raf-leden Knut Folkerts, Christof Wackernagel en Gert Scheider werden gearresteerd. De eerste had hierbij de Nederlandse politieman Arie Kranenburg gedood. Dat was in oktober 1977, vlak nadat in West-Duitsland werkgeversvoorzitter Schleyer was ontvoerd en vermoord, een gekaapt Lufthansa-toestel in Somalië met geweld was ontzet en de drie belangrijkste leden van de raf in de gevangenis van Stuttgart-Stammheim zelfmoord hadden gepleegd. Het was de periode die de geschiedenisboeken inging als de ‘Duitse herfst’.

Pekelder beschrijft niet de gehele geschiedenis van de raf, maar gebruikt de arrestaties in Nederland om te laten zien hoe hier werd gereageerd op de ontwikkelingen bij onze oosterburen. De wijze waarop in linkse kringen tegen de raf werd aangekeken kende in Nederland ongeveer hetzelfde patroon als in Duitsland. Aanvankelijk was er vooral veel kritiek op het geweld, maar toen de staat het terrorisme bestreed met klopjachten, het in de gaten houden van allerlei radicaal-linkse groeperingen en het isoleren van gevangen raf-leden, nam de sympathie toe. Misschien was het gebruik van geweld niet zo slim, de raf deed tenminste iets en zorgde ervoor dat de staat zijn democratisch masker liet vallen en zijn in wezen totalitaire karakter blootgaf. De wijze waarop de door de sociaal-democraten gedomineerde West-Duitse regering het terrorisme bestreed, werd vergeleken met de repressie in het Derde Rijk. Het detentieregime dat op de raf-leden werd toegepast, en dat in werkelijkheid lang niet zo streng was als de Duitse overheid naar buiten toe presenteerde, werd omschreven als Isolationsfolter en Vernichtungshaft. Duitsland was blijkbaar, in de woorden van Martin van Amerongen, ‘een land geworden om weer bang voor te zijn’.

In de linkse media werden oude anarchisten als Arthur Lehning en Anton Constandse, die bij herhaling beweerden dat de situatie in Duitsland deed denken aan de nadagen van de Weimarrepubliek, vol ontzag geciteerd. Ook fungeerde de linkse pers vaak als podium voor de advocaten van raf-leden. Een aantal van hen beschouwde zichzelf als ‘politieke advocaat’ en fungeerde niet alleen als spreekbuis voor de cliënten, maar verleende ook tal van hand- en spandiensten, zoals het onderhouden van contacten tussen verspreid gevangen zittende terroristen. In Duitsland was Klaus Croissant de bekendste en in Nederland vereenzelvigde Pieter Herman Bakker Schut zich vergaand met zijn cliënten. In het rechtse weekblad Accent werd de laatste een ‘terrorist in toga’ genoemd, waarmee het blad er niet ver naast zat.

De rechtse pers had overigens sterk de neiging de omvang en de dreiging van de terreur te overdrijven. Hier werd niet steeds de parallel met de jaren dertig getrokken. Daar had men natuurlijk ook gelijk in, maar hiermee benam men wel het zicht op het zelfbeeld van de raf en haar sympathisanten.

Behalve door advocaten werden de terroristen ook bijgestaan door artsen, wetenschappers en activisten die de doelstellingen van de raf onderschreven. Zij waren georganiseerd in het Medisch Juridisch Comité voor Politieke Gevangenen. De psychiater Frank van Ree zag de raf-leden als ‘slachtoffers in de tweede graad’ van het nazisme en had bewondering voor deze ‘verzetsstrijders’, omdat zij, anders dan hijzelf, wél de wapens durfden op te nemen. Arts-assistent Joke Sacksioni, de vriendin van Bakker Schut, bezorgde terroristen die nog op vrije voeten waren valse papieren. Overigens ging niet iedereen die de raf-terroristen ondersteunde zo ver. De jonge advocaat Gerard Spong kwam in conflict met zijn ideologisch bevlogen confraters, omdat hij van mening was dat hij de politieke boodschap van de raf niet behoorde uit te dragen en alleen zijn werk als jurist moest doen.

Voor wie in de jaren zeventig links was, is dit af en toe een pijnlijk boek. Het dwingt namelijk tot nadenken over het standpunt dat men toen innam. Ongetwijfeld zullen mensen vallen over het feit dat Pekelder (geboren in 1967) een zeer ruime definitie geeft van het woord ‘sympathisant’. Hij hanteert het als een ‘neutraal verzamelbegrip’ voor iedereen die enige sympathie had voor de raf. Daaronder vallen volgens hem ook de mensen die het politieke programma en het geweld van de raf afwezen, maar het toch opnamen voor de gevangen zittende terroristen en wier bezwaren in de eerste plaats het overheidsoptreden golden. Ze werden gedreven door uiteenlopende motieven, waaronder het gevoel dat ze zelf eigenlijk tekortschoten in het verwezenlijken van hun linkse idealen, oprechte bezorgdheid over de toekomst van de rechtsstaat, en diepgewortelde anti-Duitse sentimenten. Belangrijker nog is volgens Pekelder het feit dat veel linkse mensen ervan overtuigd waren dat zich in het Westen een ‘preventieve contrarevolutie’ voltrok. Door middel van ‘repressieve tolerantie’, het van bovenaf gestimuleerde consumentisme, indoctrinatie in het onderwijs en disciplinering van de werknemers, zou elk potentieel verzet tegen het kapitalistische systeem in de kiem worden gesmoord. En wanneer enkelen dan toch in verzet kwamen – zoals de raf in Duitsland en de Rode Brigades in Italië – sloeg de staat genadeloos toe en toonde zijn ware, totalitaire gezicht.

Het lijkt een karikatuur, maar wie de moeite neemt oude vpro- of Vara-programma’s te beluisteren en jaargangen van De Groene Amsterdammer, Vrij Nederland of De Nieuwe Linie door te nemen, zal moeten toegeven dat deze geluiden veelvuldig te horen waren. Het was een wereldbeeld dat even eendimensionaal was als dat van huidige moslimradicalen of neoconservatieven, en het zorgde ervoor dat nogal wat mensen het zicht op de werkelijkheid kwijtraakten en de ‘fascistoïde’ tendensen in Duitsland en Nederland mateloos overdreven.