Interview met Shlomo Venezia  

‘Ik was nummer 182727’

Shlomo Venezia overleefde Auschwitz. Hij was pas in staat zijn memoires te schrijven na een nieuwe ‘bevrijding’, die begon met protest tegen het wangedrag van Italiaanse voetbalsupporters.

47 jaar had Shlomo Venezia gezwegen, totdat het gedrag van Italiaanse voetbalsupporters hem teveel werd. Het schreeuwen van antisemitische leuzen en het brullen dat de tegenstander naar de gaskamer moet, is helaas niet het monopolie van Feyenoord- en FC Utrecht-hooligans. Berucht zijn in dit opzicht vooral de Irriducibili, de fanatieke aanhangers van Lazio Roma, die dikwijls de fascistengroet brengen en de spelers en supporters van hun grote rivaal AS Roma toewensen dat zij worden afgevoerd naar Auschwitz.

Shlomo Venezia: ‘Het was al jaren aan de gang, maar in 1992 was ik het zat. Het deed zo’n pijn, ik vond het zo’n schande voor Rome. Ik heb toen een brief naar de burgemeester geschreven dat dit niet kon. Dat gebrul over Auschwitz. Eén van de spelers van Lazio bracht zelfs de fascistengroet. Ik zag dat de overheid niets deed, en daardoor gingen die lui steeds verder. Na een tijdje werden er zelfs hakenkruizen en antisemitische leuzen op joodse winkels geschilderd. Ik vond dat dit niet kon, daarom protesteerde ik. En toen werd ik uitgenodigd om met die voetballers te praten. Eerst met die van Lazio en toen met die van Roma. Ik heb toen verteld wat ik had meegemaakt, wat er in Auschwitz was gebeurd, hoeveel mensen er vermoord waren, en hoe dat in zijn werk was gegaan. Die kerel die de fascistengroet had gebracht zat er bij als een kleine schooljongen, met zijn hoofd omlaag. Hij durfde me niet aan te kijken.’

Van het verhaal van Venezia word je ook wel stil. Wanneer je, hoe pervers ook, een zekere rangorde zou willen aanbrengen in de gruwelijkheid van getuigenissen van overlevenden van de shoah, dan scoort Venezia heel hoog. Hij behoort namelijk tot de zeer weinigen die het Sonderkommando van Auschwitz-Birkenau hebben overleefd. Hij werkte in een van de crematoria en was onder meer belast met het afknippen van het haar van vergaste vrouwen. Soms moest hij ook oude mensen begeleiden, die door een verdekt opgestelde SS’er met een nekschot werden afgemaakt. Door zich bij de evacuatie van Auschwitz in januari 1945 te mengen tussen andere gevangenen ontkwam hij aan de liquidatie die elk lid van het Sonderkommando wachtte. Na de gruwelijke ‘dodenmars’ bracht hij de maanden tot aan de bevrijding door in drie Oostenrijkse concentratiekampen. Meer dood dan levend – hij had onder meer tuberculose opgelopen – werd hij door de Amerikanen bevrijd, waarna hij zeven jaar doorbracht in ziekenhuizen en sanatoria.

In de jaren tachtig was Venezia, die in Rome als hotelier werkte, begonnen aan zijn memoires. Hij was echter niet in staat deze te voltooien. Net zo min als hij met zijn vrouw of zijn kinderen kon praten over wat hij had meegemaakt, was hij in staat zijn ervaringen op papier te zetten. Om eindelijk te kunnen spreken was een nieuwe bevrijding nodig, die begon met protest tegen het wangedrag van de Lazio-supporters.

Venezia: ‘Na mijn gesprekken met die voetballers werd ik ook uitgenodigd om voor studenten en scholieren te spreken. In 1992 ben ik ook voor het eerst teruggegaan naar Auschwitz. Eerst wilde ik niet, ik kon niet terug naar die plek. Maar na een tijdje besloot ik dat ik wel wilde gaan, als een vriend van mij meeging. Die had ook in Auschwitz gezeten.

Toen we kwamen lag er allemaal sneeuw, en ik kon het crematorium helemaal niet vinden. Ik wist niet dat Duitsers vlak voordat de Russen kwamen de gaskamers en crematoria hadden opgeblazen. Tegenwoordig ga ik vier of vijf keer per jaar met studenten naar het kamp. Toen ik in 1992 voor het eerst ging, ontdekte ik dat het beter voor me was om er naartoe te gaan. Het voelde als een soort bevrijding, dat gevoel heb ik nog steeds als ik weer thuiskom.’

Vorig jaar verschenen dan eindelijk zijn herinneringen, verteld aan de Franse journaliste Béatrice Prasquier, en die nu ook in het Nederlands zijn vertaald. Het is een ijzingwekkend boek, waarin Venezia zo feitelijk mogelijk vertelt wat hij heeft gezien en meegemaakt. Dat dit een immense opgave moet zijn geweest, komt doordat hij in het crematorium juist zijn uiterste best deed zich zo veel mogelijk van alles af te sluiten: ‘Als ik had geweten dat ik ooit uit deze hel zou komen, dan zou ik alle namen, alle datums, alle details hebben opgeschreven. Maar we wisten daar niet eens wat voor dag het was.’

Shlomo Venezia werd in 1923 geboren in Thessaloniki, als kind van Italiaanse joden. Zijn vader stierf toen hij jong was en zijn moeder had de grootste moeite om het hoofd boven water te houden. Als Italiaanse staatsburgers liepen ze in het begin van de oorlog minder gevaar. Omdat Thessaloniki in de Duitse bezettingszone van Griekenland lag, werden de Venezia’s gedeporteerd naar het in de Italiaanse bezettingszone gelegen Athene. Na de val van Mussolini was het met de relatieve veiligheid gedaan en in maart 1944 werden Shlomo, zijn moeder, broer en drie zusters naar Polen gedeporteerd. Zijn broer en oudste zuster zouden het overleven, zijn moeder en twee jongere zussen werden onmiddellijk vergast.

Een van de aangrijpendste scènes uit het boek speelt zich af vlak nadat de Venezia’s in Auschwitz waren aangekomen. Hij hoorde zijn naam roepen en herkende de stem van zijn broer, maar hij zag hem niet. Toen hij zag welke man zijn naam riep, herkende hij zijn broer niet. En zijn broer herkende hem niet. Het was een van de meest droevige momenten die hij in de kampen heeft meegemaakt.

Venezia: ‘Het was een combinatie van woede, machteloosheid, uitputting, desoriëntatie. We waren zomaar opgepakt, terwijl we toch geen gangsters waren. Alleen maar omdat we joods waren. En toen kwamen we in Auschwitz aan, na elf dagen in de trein, in van die veewagens. We waren zo boos dat we niet bij machte waren om iets te doen, om ons te verzetten. De hele ontvangst daar was erop gericht om andere mensen van ons te maken, die niet meer dezelfde waren als daarvoor. Ze schoren ons kaal, ook op ons lichaam, wat heel ruw ging en bijzonder pijnlijk was, en daarna moesten we onder de douche en kregen we ons nummer, hier op onze linkeronderarm. Toen kregen we kleren, die natuurlijk niet pasten, zodat we wanhopig probeerden iets te ruilen. Ik was toen vrij groot en mijn jasje paste helemaal niet.

En toen hoorde ik mijn broer roepen, “Shlomo, Shlomo”, maar ik herkende hem niet, en hij mij niet. In die vreemde omgeving, met slecht zittende kleding en een kaal hoofd, zag je er heel anders uit. Toen realiseerde ik me voor het eerst dat ik niet meer dezelfde persoon was als daarvoor. Ik had een nummer, ik was niet langer Shlomo, maar nummer 182727. Ik had geen naam meer, ik was gedepersonaliseerd, ik was een ding. Als een Duitser mensen nodig had, zei hij tegen de kapo: “Ik heb honderd Stück nodig.” Hij zei nooit “honderd mensen”. Dus toen Maurizio, of Morris zoals hij tegenwoordig heet, mijn naam riep, en wij elkaar bovendien niet herkenden, was het alsof ik me met één enorme schok realiseerde dat van nu af aan alles totaal anders zou zijn, dat ik in een volkomen nieuwe, gruwelijke en angstaanjagende wereld terecht was gekomen.’

De eerste weken in het Sonderkommando verkeerde Venezia in een shocktoestand. Toen hij eenmaal volledig besefte waar hij in beland was, verbood hij zichzelf nog langer na te denken. Niet over het verleden, niet over wat hij deed, niet over de toekomst – ‘Mijn enige horizon was het moment waarop ik zou worden gedood.’ In de kampen waar hij na Auschwitz terechtkwam – Mauthausen, Melk en Ebensee – was het werk minder gruwelijk dan in het crematorium, maar wel veel en veel zwaarder, terwijl de honger veel erger was.

Shlomo Venezia: ‘In het laatste kamp moesten we een tunnel uithakken in een berg. Onvoorstelbaar zwaar werk, waarbij je onmiddellijk kletsnat werd, terwijl je je kleren nooit kon drogen. Om half twaalf ’s ochtends konden we soep halen. Niemand wilde de eerste zijn, want dan kreeg je alleen het bovenste, dus meest waterige deel van de soep. Onderin zaten tenminste nog wat stukjes aardappel, groenten of iets dergelijks. Maar op een keer was ik wel de eerste, en toen kreeg ik alleen water. Toen ik het op had besefte ik ineens dat ik 24 uur zou moeten wachten voordat ik weer iets kreeg. Je kunt je niet voorstellen hoe erg dat is. Vooral niet omdat we daar keihard moesten werken. Daarom probeerde ik achteraan aan te sluiten en opnieuw soep te halen, maar deze kapo – een heel slechte kapo – zag dat en begon te schreeuwen en pakte een schop en sloeg me tweemaal, op mijn hoofd en mijn rug. Ik zag dat hij me wilde vermoorden. Ik wist me echter uit de voeten te maken.

Na de bevrijding van het kamp zag ik hem. Hij stond op het punt te vertrekken, hij was redelijk gekleed en had een koffer bij zich. Er zat daar een man met een stok. Ik pakte die stok en begon die kapo te slaan. Iemand, een Rus, vroeg waarom ik dat deed. Ik riep: “Kapo, kapo!” en toen begon een heel stel Russen hem af te tuigen. Op die dag werden 25 kapo’s vermoord door de gevangenen. Deze kapo had vrijwel elke dag wel één of twee mensen gedood. Ik wilde hem niet doden, ik wilde hem alleen betaald zetten wat hij had gedaan. Maar die Russen kenden geen genade, die maakten hem gewoon af. Het voelde wel als een bevrijding. Het was oog om oog, tand om tand. Ach… het was natuurlijk een gruwelijke tijd, een dode meer of minder…’

Shlomo Venezia, Sonderkommando Auschwitz. Ambo/Manteau, 192 blz., € 19,95