Holland Festival - Kings of War

‘Ik weet dat jij een bloedhond bent’

Ivo van Hove brengt na zijn Romeinse tragedies een nieuwe Shakespeare-cyclus, over oorlogskoningen uit de late Middeleeuwen: een charismatische vechter, een depressieve intellectueel en een machiavellistische manipulator.

Martin van Amerongen, hoofdredacteur van De Groene en Shakespeare-kenner, kon de Engelse bard veel vergeven, maar één scène in Hendrik VI niet, daar zou hij zijn schrijvershand zwaar hebben overspeeld. We zijn in het tweede deel van de trilogie, vierde bedrijf, vierde scène. De koning en zijn uit Napels afkomstige koningin Margaret bevinden zich ten paleize. In de ene hoek van de zaal bestudeert de monarch verzoekschriften van rebellen. In een andere hoek van het vertrek treurt de vorstin over de dood van haar minaar, William de la Pole, hertog van Suffolk. Zijn afgehouwen hoofd staat op een schaal voor haar op tafel.

Margaret

Ik hoorde vaak dat leed de geest verzwakt

En angstig maakt en tot ontaarding drijft.

Denk dus aan wraak en schei nu uit met huilen.

Maar wie kan dit aanschouwen en niet huilen?

Hier ligt zijn hoofd, dicht bij mijn kloppend hart,

Maar waar is ’t lichaam dat ik wil omhelzen?

Koning

Hoe is het, vrouw? Nog altijd aan het treuren

En jammeren om Suffolks dood? Ik vrees,

Mijn liefste, dat, als ik gestorven was,

Je om mij niet zo hartstochtelijk zou treuren.

Margaret

Nee, liefste, treuren niet, ik zou mee doodgaan.

Martin van Amerongen: ‘De show wordt in dit stuk gestolen door Margaret. Aan het begin van de trilogie over Henry VI is zij nog een romantische heldin. Door de politieke ontwikkelingen verandert zij al snel in een pittoreske helleveeg met een tijgerhart in vrouwenhuid gehuld. Maar alles tot Uw dienst, in deze scène gaat William Shakespeare werkelijk te ver. Tegen een dergelijke tekst valt namelijk niet op te acteren. De enige keer dat ik het in Stratford-upon-Avon mocht beleven, speelde Lady Peggy Ashcroft de tot waanzin gedreven vorstin. Ook zij – zélfs zij – slaagde er niet in om die ene groteske scène een geloofwaardig aanzien te geven. Het gegiechel was niet van de lucht.’

Ivo van Hove heeft de scène wijselijk laten schrappen uit zijn nieuwe Shakespeare-cyclus, Kings of War. Hij laat Margaret verderop wel gretig fulmineren tegen de bangige monarch, die sowieso liever een boek leest dan zich in politieke twisten te begeven.

Margaret

Jij bent de koning! Sinds wanneer laat jij je dwingen?

Ik schaam me voor jouw woorden. Bangerik.

Je brengt jezelf ten val, je zoon en mij;

je hebt het huis van York de kans gegeven

om jou als speelbal te laten regeren.

York en zijn erven opvolging aan te bieden

komt neer op voor je tijd een graf te delven

en er alvast maar in te gaan liggen.

En, denk je dat je veilig bent? De veiligheid

van een rillend lam door wolven omringd?

Van William Shakespeare is geen jeugdwerk bekend. Of hij op grammar school in Stratford al toneelstukjes in elkaar knoeide, weten we niet. Dus geldt wat hij vanaf ongeveer 1591, vanaf zijn 27ste levensjaar, voor de Londense publieke plankieren schreef als zijn toneeldebuut. In het dagboek van Philip Henslowe, manager/eigenaar van het Rose Theatre bij de moerassen van Shoreditch in het historische East End London, wordt op 3 maart 1592 mededeling gedaan van een nieuw toneelstuk, harry the vj, op dat moment goed voor een box-office ontvangst van 3 pond, 16 shillings en 8 pence, een record. Het stuk, een van drie toneelteksten over een laat-middeleeuwse Engelse koning, zou dat voorjaar nog vijftien keer worden gespeeld. Ook een record. Wat of wie de auteur van deze teksten, ene William Shakespeare, op de gedachte bracht te schrijven over de roerige regering van koning Henry VI (1421-1471) is ons niet bekend.

Wat we wel weten is dat het genre van de historiestukken dan al geruime tijd mateloos populair is. In hetzelfde jaar verschijnt een prozawerkje van de pamflettist Thomas Nashe, Pierce Penniless, His Supplication to the Divell, waarin wordt aangehaald hoe John Talbot, een militaire held uit het leger van Henry VI tijdens diens veldtochten tegen het Frankrijk van Jeanne d’Arc, in 1592 opeens een door duizenden bejubelde toneelheld wordt: ‘Wat zou Talbot (de schrik der Fransen) zich hebben verheugd dat hij, na een kleine tweehonderd jaar in het graf, wederom triomfen zou vieren op de planken, en zijn botten opnieuw gebalsemd zou zien in de tranen van zeker tienduizend toeschouwers, die hem in de tragische acteur die hem uitbeeldt, andermaal menen te zien bloeden.’

Zeven jaar later, in het voorjaar van 1599 – Shakespeare heeft ondertussen een veelvoud van die tienduizend toneelbezoekers waar Nashe het over heeft aan het huilen en het lachen gekregen in zijn ovaalvormige houten schouwburg – schrijft Shakespeare zijn voorlopig laatste van de historiestukken over de bloedige burgeroorlogen in de Engelse geschiedenis. Henry V heet het, het handelt over de veldtocht van Engeland tegen Frankrijk. Het wordt wel het meest chauvinistische van de koningsdrama’s genoemd (dat staat overigens te bezien). Shakespeare laat daarin een verteller optreden, die in zijn beroemde proloog de verbeeldingskracht van het publiek afsmeekt, zodat hij en zijn toneelspelers het zich op de kale en open speelvloer, deze bare stage zonder noemenswaardig decor, kunnen permitteren om veldslagen in grote maten en met massa’s mensen te ensceneren.

Wij zijn de cijfers in de grote rekening

En werken op de kracht van uw verbeelding.

Denk in de gordel van deze muren thans

Twee machtige koninkrijken ingesloten

Machthebbers die het helemaal hebben gemaakt worden op den duur saai en voorspelbaar

Elkaar met opgeheven hoofd bedreigend

En door een gevaarlijk smalle zee gescheiden.

Vul in uw geest zelf aan wat ons ontbreekt,

Verdeel in duizend delen elke man

En schep een legermacht in uw verbeelding.

Als we van paarden spreken, denk dat u

Hun trotse hoeven in het stof ziet trappelen.

Uw fantasie moet onze vorsten tooien,

Verplaats hen her en der, spring over tijd,

Vat in een uurglas samen wat velen jaren

Zijn geweest.

Voor Kings of War is ook deze tekst geschrapt. Wij zijn, vierhonderd jaar verder, ondertussen wel wat gewend aan wat toneel allemaal op een kaal plankier kan aanrichten.

Medium hf kings of war2

Dit is de tweede keer dat Ivo van Hove en zijn toneelspelers van Toneelgroep Amsterdam zich wagen aan een cyclus Shakespeare-stukken. In Romeinse tragedies uit 2007 waren dat er drie (Coriolanus, Julius Caesar en Antonius en Cleopatra) uit diens meest creatieve periode (1599-1608). Drie tragedies over de politiek als bedrijf, gepresenteerd als een doorlopende conferentie over keuzes binnen het territorium van ambitie, machtshonger, persoonlijke dilemma’s en individuele passie. Het persoonlijke is politiek. Vice versa. Dat gaat nu anders. Voor het project Kings of War is geput uit vijf toneelstukken die ontstonden in de periode tussen 1591 en 1593 (met voornoemde uitloper naar 1599), over de Britse geschiedenis tussen 1398 en 1485. In de tijden dus van de bloedige burgeroorlogen tussen de adellijke huizen van Lancaster en York, de zogeheten Rozenoorlogen. De meest urgente mededeling in deze stukken lijkt te zijn: de dramatische charme van macht ligt in de aftakeling, niet in de hoogtijdagen.

Machthebbers die het helemaal hebben gemaakt worden op den duur saai en voorspelbaar. Pas wanneer ze hun onvermijdelijke Werdegang recht in het gelaat kijken, worden ze interessant. Vlak voor ze worden gedumpt op de mestvaalt van de geschiedenis krijgen ze glans. De huid wordt dun, de geest helder. De onverbiddelijke feiten van de neergang zelf doen de rest. De Poolse Shakespeare-kenner Jan Kott noemde dat het ‘grote mechaniek van de geschiedenis’. In de koningsdrama’s is Shakespeare van die machine de mécanicien.

In het openingsstuk Koning Hendrik V is het vooral de roem die telt. Voor de elisabethaanse toneelbezoeker was het beeld van de historische Hendrik V dat van een potente held, een geoefend militair, een goed organisator en een charismatisch leider. God stond, ook in zijn aanspraken op de Franse troon, aan zijn zijde. Als de Franse dauphin hem in de openingsscène een bak tennisballen als relatiegeschenk stuurt, staat Hendrik meteen op scherp.

Het verheugt ons dat de kroonprins geestig is.

Bedankt voor zijn cadeau en voor de moeite.

Als wij een racket vinden voor zo’n bal,

dan spelen wij bij God een match in Frankrijk

waarin zijn vaders kroon de lucht door vliegt.

Zeg uw plezante prins dat die grap van hem

de ballen wel in kogels zal veranderen

en dat zijn ziel de last van wraak draagt,

die met de kogels meevliegt. Weduwen

zullen grappig hun lieve man verliezen,

moeders hun zoon, forten raken grappig in puin.

Zelfs wie nog niet gemaakt is of geboren

zal vloeken om die grappige Dauphin.

Deze scène en de scènes waarin de vorst in vermomming tussen zijn manschappen zwerft en de mening over de koning peilt, hebben de discussie doen opflakkeren of Henry V een reëel portret is van een heroïsche vorst of juist een ironisering daarvan. Een sluitend antwoord op die vraag is nauwelijks te vinden. Shakespeare vond het klaarblijkelijk belangrijker om de mogelijkheden die de stof hem bood optimaal uit te buiten dan om de stof op te sluiten in een verklaring of een commentaar. Germaine Greer schrijft daarover in haar _Shakespeare-_essay: ‘Het is mogelijk om in Shakespeare’s oeuvre een groot aantal typisch elisabethaanse beslommeringen op te sporen, maar onmogelijk om een categorische uitspraak te doen over wat zijn gedachten waren, over de rechten en plichten van vorsten, edellieden en volk, of oorlog of godsdiensttwist of elk ander onderwerp waarover zijn tijdgenoten van mening verschilden, terwijl de onverbiddelijke ontwikkeling in de richting van een nieuwe burgeroorlog zich versnelde.’ Shakespeare vermeed lippendienst aan propaganda of vooraf ingenomen standpunten, zo schrijft Greer, ‘want hij was vooral uit op begrip voor de verschillende aspecten van het vraagstuk. Om die reden doet zijn theater geen poging om de individuele sensibiliteit te verblinden of te overweldigen. Hij stimuleert tot het verwerven van nieuwe inzichten en sympathieën. Het belangrijkste instrument om die stimulans teweeg te brengen was de taal, in het bijzonder de taal van de actie.’

Waarmee we zijn aanbeland bij het kroonstuk van Kings of War, het ultieme schurkenstuk onder Shakespeare’s histories, The Tragedy of King Richard the Third, de bultenaar met het slepende loopje en de verkrampte arm. Een toneeltekst boordevol ‘taal van de actie’, tijdens Shakespeare’s leven razend populair, en zestien keer als tekstboekje herdrukt – weer een record. Als Richard van Gloucester stapt dit personage al het wereldtoneel op in Koning Hendrik VI (derde deel, akte 3, scène 2). Hij is een van de vier zonen van York, Hendriks meest woeste tegenstander. Iedereen in het elisabethaanse publiek kende de historische Richard. Er was door zijn opvolgers uit het huis van Tudor een monster van hem gemaakt en William Shakespeare dikte die legende van mythische proporties fors aan. Ik stel me vaak de doodse stilte voor van het moment dat hij voor het eerst op een Londens podium naar voren strompelt, voor een karakterschets van zijn diabolisch dna, in een monoloog van enkele pagina’s.

Richard

De liefde zwoer mij af in ’t moederlijf.

Opdat haar zachte wet mij niet zou raken,

‘De koning is geen goddelijk gezalfde en de politiek is slechts de kunst om de macht te veroveren en te behouden’

Heeft ze natuur, die zwak is, omgekocht

Met een of andere gift, zodat mijn arm

Gelijk een dorre struik verschrompeld is,

Ik op mijn rug een kwade heuvel draag,

Waar de mismaaktheid troont en mij bespot.

Glimlachen kan ik en glimlachend moorden,

En roepen ‘mooi!’ bij wat het diepst mij grieft,

En valse tranen uit mijn ogen persen,

En mijn gezicht naar elke stemming plooien –

’k Verdrink meer zeelui dan de zeermeermin.

Wij, de televisiekijkers van de 21ste eeuw, kennen hem vrij goed. Als Frank Underwood, de politicus uit House of Cards, die in de openingsminuten van de allereerste aflevering bijna terloops zijn mentale visitekaartje afgaf, toen voor zijn deur de hond van de buren was aangereden. ‘Er zijn twee soorten pijn. De pijn die je sterk maakt. Of de nutteloze pijn (blik naar hond) waardoor je lijdt. Ik heb geen geduld voor nutteloze dingen (hij wurgt de hond). Op zo’n moment moet er gehandeld worden. Door iemand die het onaangename en het noodzakelijke doet (de hond is dood).’

Kevin Spacey, die Underwood speelt, vertolkte in de afgelopen jaren ook Richard de Derde, op een wereldwijde toernee van een niet zo beste voorstelling. Dan zijn wij in Nederland in de voorbije twintig jaar beter af geweest. Met Pierre Bokma als Richard, bij Toneelgroep Amsterdam in de regie van Gerardjan Rijnders (1994). En met Gijs Scholten van Aschat die tussen 2010 en 2012 de hompelaar voor uitverkochte zalen speelde, in een mengeling van William Shakespeare, Tom Waits en Kathleen Brennan, bij Orkater en in de regie van Matthijs Rümke. Hans Kesting is vanaf juni 2015 onze volgende Richard de Derde. In de laatste minuten van het stuk over de zesde Hendrik zal hij binnenhinkepoten in wat de sterfkamer van de koning in de Tower-gevangenis zal blijken.

Hendrik

Ik weet dat jij een bloedhond bent.

Als onschuldigen doden beulswerk is,

dan ben jij inderdaad een beul.

Richard

Je zoon doodde ik om zijn grote mond.

Hendrik

Had men jou gedood toen jij voor het eerst

een grote mond had, dan had je mijn zoon

niet kunnen doden. Ik voorspel dat duizenden,

die nu nog geen benul van mijn vrees hebben,

jouw geboorteuur berouwen zullen.

Je moeder voelde meer dan barenspijn

maar baarde minder dan een moeder hoopt:

een vroeggeboorte, een mismaakte klont.

Je had tanden in je hoofd bij je geboorte,

je kwam ter wereld om in haar te bijten.

Richard

Genoeg, sterf in je voorspellend woord.

De grote kenner van het werk van Shakespeare, de Poolse schrijver Jan Kott, noteerde in zijn prachtboek Shakespeare, tijdgenoot (1964): ‘Shakespeare beziet het onverbiddelijke Mechanisme van de Macht zonder de ontzetting van de Middeleeuwen en zonder de illusies van de vroege Renaissance. De zon draait niet om de aarde en er is geen orde van hemelsferen en geen orde der natuur. De koning is geen goddelijk gezalfde en de politiek is alleen maar de kunst om de macht te veroveren en te behouden. De wereld is een schouwspel als een onweer of een storm. De ranke hazelaars worden daardoor tegen de grond gedrukt, de grote bomen worden ontworteld. De orde van de geschiedenis, de orde van de natuur is gevaarlijk, en verschrikkelijk zijn de hartstochten die nestelen in het menselijk hart.’


Kings of War gaat in première in Wenen (5 juni) en Amsterdam (14 juni), is in Amsterdam te zien t/m 21 juni en het hele volgende toneelseizoen,toneelgroepamsterdam.nl.

Geciteerd wordt uit de vertalingen van Willy Courteaux en uit de door Toneelgroep Amsterdam gebruikte (nieuwe) vertaling van Rob Klinkenberg, bewerkt door Peter van Kraaij en Bart Van den Eynde


Beeld: Repetitie van Kings of War door Toneelgroep Amsterdam (Jan Versweyveld)