Ik weet het niet

Voordat Arnon Grunberg een boek gaat lezen, steekt hij een gebed af: ‘Lieve schrijver, / Geef mij toch niet de tijd na te denken over uw curieuze taalgebruik, uw sterk gekruide metaforen, de bladspiegel en het gebruikte lettertype. Geef mij toch niet de tijd mij af te vragen wie dit allemaal heeft bedacht en waarom in godsnaam.’

‘Lieve schrijver, sleep mij toch mee in uw verhaal, vanaf de eerste bladzijde tot de laatste. Laat uw boek toch niet het equivalent zijn van een op te lossen cryptogram. Een boek is geen cryptogram en een cryptogram is geen boek. Beleer mij niet, want ik ben niet meer te beleren. Dwing mij niet te geloven dat geschminkte apen mensen zijn. Ook ik ben slechts gematigd enthousiast over de mens, maar ik ben niet zo stom dat ik het verschil niet kan zien tussen een geschminkte aap en een mens.’

Boeken vertellen verhalen. Goede boeken vertellen goede verhalen. Over mensen. Over echte mensen. En hun echte daden en gevoelens. De schrijver heeft dan ook geen andere taak dan ervoor te zorgen dat de lezer de bladzijde omslaat, dat hij het verhaal wil volgen dat de schrijver vertelt. Een schrijver mag alles, als hij maar aan zijn eerste en belangrijkste opdracht voldoet.

In zijn essays in De troost van de slapstick varieert Arnon Grunberg op het thema: boeken moeten verhalen vertellen. Hij denkt hardop na over de literatuur die hij liefheeft, die hem wat zegt, waarin hem iets bijzonders opvalt. Dat doet hij altijd grappig en charmant.
Grunbergs essays zijn geen echte essays, het zijn verhaaltjes over de gedachten en ideeën van Arnon Grunberg. Hij vertelt het allemaal erg mooi, en hij is grappig. Maar ook is er vaak diezelfde toon, die licht ironische, alles relativerende toon waardoor de schrijver altijd een slag om de arm lijkt te houden wanneer hij iets beweert. 'Volgens literatuurprofessoren woont in ieder van ons een Don Quichot, een Hamlet, een King Lear. Ik vind dat een merkwaardige uitspraak, zeker voor een professor. Ik kan hier ook wel beweren: “In ieder van ons woont een Mercedes-Benz.” Maar mijn uitspraak is net zo onbewijsbaar als de zijne. Ik denk dat de professor bedoelde dat het voor de meeste mensen niet moeilijk is zich te identificeren met Hamlet of Don Quichot of James Bond. Dat is toch iets heel anders dan dat King Lear als een soort goedaardig plantje in onze buik zou wonen.’

Zo essayeert Grunberg. Tegenover de 'literatuurprofessoren’, zo ver mogelijk van het wetenschappelijke en het intellectualistische vandaan. Altijd subjectief, nergens strevend naar enige objectiviteit - daarom ook voortdurend de uitspraken met 'misschien’, 'denk ik’, 'ik weet het niet’ erin. Doe maar gewoon, liever. Geen dikdoenerij.

Grunbergs gedachten zijn vaak origineel. Hij ziet dingen die anderen niet opvallen en weet zijn bewonderende verbazing daarover prachtig te beschrijven. Zoals in het openingsartikel, 'Platgedrukt in een badhokje. Buster Keaton en de troost van de slapstick’: 'Je ziet hoe Keaton en de dikke man zich proberen uit te kleden om hun zwembroek aan te trekken. Een kleedhokje, twee haakjes, wat kleren en een tegenspeler, meer heeft Keaton niet nodig om ervoor te zorgen dat ik heb gehuild van het lachen. Keaton maakt het aannemelijk dat het levensgevaarlijk is met een ander mens in een kleedhokje te gaan, want voor je het weet word je als een groot insect tegen de muur platgedrukt.’

Eigenlijk zijn dat de mooiste stukken in De troost van de slapstick, die over film, en vooral over Grunbergs absolute helden Charlie Chaplin, Buster Keaton en Laurel & Hardy. De essayist weet zijn fascinatie en grote liefde voor de stomme-filmhelden meesterlijk uit te dragen, en niemand zal niet begrijpen hoe slapstick troost kan bieden. Troost tegen het verdriet van het leven. Omdat slapstick nooit platte humor is maar altijd een tragische laag heeft. Net zoals de humor van Grunberg zelf. Omdat slapstick voor verstrooiing zorgt.
Dat is waar het bij Grunberg om draait: verstrooiing. In 'Wij zijn Gods mopje. Laurel & Hardy en het onterechte dÇdain voor verstrooiing’ neemt hij het op voor het vergeten en de verdringing. Eerst citeert Grunberg Pascal, die toegeeft dat geluk, dat wil zeggen: afleiding van de doodsangst, voor de meeste mensen eigenlijk weinig anders is dan verstrooiing. Dan voegt hij eraan toe: 'Men zou geluk kunnen defini‰ren als verdringing die geslaagd is. En euforie als verdringing die een kort moment verschrikkelijk goed geslaagd is.’

Het doel van al onze activiteiten, is de verstrooiing die ze bieden, 'de afleiding, het doven van ons storende bewustzijn’. Mensen worden verliefd om te vergeten, mensen voeren oorlog om te vergeten. Mensen werken niet omdat ze geld nodig hebben maar omdat het najagen van geld verstrooiing biedt. Mensen doen alles omdat ze 'vurig verlangen naar verdringing. Omdat we gek zouden worden als er geen mogelijkheden waren onszelf af te leiden.’

Daarom schrijven mensen ook boekenweekgeschenken, natuurlijk: om zichzelf en anderen te verstrooien. Met De heilige Antonio serveert Grunberg een vermakelijk verhaal over de broers Tito en Paul, hun moeder Raffaella en haar aanbidders, en de Kroatische Kristin. In De heilige Antonio is de verstrooiing net zo belangrijk als in Grunbergs essays. Mocht er uit de avonturen van de broers en Ewald Stanislas Krieg (jawel), de jongste aanbidder van Raffaella, een levenswijsheid gedestilleerd moeten worden, dan zou dat zijn: we leven om onszelf af te leiden van de angst. En het verdriet. We lachen omdat we daarmee ons storende bewustzijn kunnen doven. Dat is al heel wat voor zo'n klein boekje. Ja. Klein boekje.

Daarom schrijven mensen ook essays, natuurlijk: om zichzelf en anderen te verstrooien. Goede boeken zijn goed omdat ze meer dan andere hun lezers weten te vermaken, ze gedurende een paar uur afleiding van de doodsangst te bieden. In telkens andere woorden herhaalt Grunberg in De troost van de slapstick zijn opvattingen. Hij doet dat zo op z'n Grunbergs (dat is: vertederend, charmant, steeds met dezelfde, bijna onopvallende bescheidenheid) dat het moelijk is die bladzijde niet steeds om te willen slaan. Ook al denk je keer op keer dat dit toch geen echte essays zijn (maar inderdaad krantestukken), telkens weet Grunberg precies hoe hij je naar de volgende pagina moet krijgen. Misschien is dat wel de kracht van Arnon Grunberg. Ik weet het niet.