‘ik weet niets, ik stel vragen’

Hij vindt twijfel gezond en positief. En dus twijfelt Pierre Audi de programmering van de Nederlandse Opera bijeen. Met veel succes. ‘Mijn islamitische smaak sluit goed aan bijr het calvinisme van het Nederlandse publiek.’
HET WERK WAARMEE de Nederlandse Opera het nieuwe seizoen opent - Schonbergs magnum opus Moses und Aron - vormt het hoogtepunt van tien jaar artistiek beleid dat langzamerhand uitzonderlijk voor Europa mag heten. Artistiek leider en regisseur Pierre Audi, die sinds 1988 zijn stempel op het Amsterdamse operahuis drukt, is even verheugd als verbaasd over de successen. Twijfel en associatie zijn de sleutelwoorden. Ze kenmerken zijn regie, zijn beleid en zijn persoon.

Wat je ook over hem las, steevast werd je getroffen door de twijfel die Audi’s uitspraken omfloerste. Audi, afkomstig uit het Londonse Almeida Theater, was stomverbaasd toen hij in 1988, 31 jaar oud, gevraagd werd door de Nederlandse Opera. Inmiddels zijn we zeven jaar verder. Audi’s regie van uiteenlopend werken (waaronder alle opera’s van Monteverdi, Birtwistle’s Punch and Judy, Janssens Noach en Schonbergs Die gluckliche Hand) werd een groot succes; meerdere produkties uit zijn gedurfde en ijzersterke programmering werden door buitenlandse operahuizen gekocht (zo speelde Monteverdi’s Il ritorno d'Ulisse in patria in de Brooklyn Academy of Music, waar ook belangstelling bestaat voor Poppea en Il re pastore). Verder werd het financieringstekort teruggedrongen door het zakelijk beleid van collega-directeur Truze Lodder. Alle reden, zou je zeggen, om wat minder te twijfelen.
Audi haalt glimlachend de schouders op: ‘Het is als het slot van Moses und Aron, waar Moses uitroept: “O Wort, du Wort, das mir fehlt.” Mozes stelt de vraag die alles open laat. Wat hier doorklinkt is niet zijn mislukking, maar twijfel. Dat is gezond en positief. Wat mijzelf betreft: ik weet nog steeds niet waarom ik hier ben en waarom ik gevraagd werd. Dat neemt niet weg dat ik heel gelukkig ben met mijn werk. Maar ik kan alleen handelen vanuit een houding van twijfel en aarzeling. Hoe zou ik me voor moeten doen als iemand die alles weet? Ik weet niets, ik stel vragen.
Dat het goed gaat verrast me, maar verbijstert me tegelijk. Het succes van de Nederlandse Opera heeft ook te maken met de gevoeligheid van de mensen met wie ik werk en de open geest van het publiek. We hopen zo door te gaan, maar het is moeilijk iets wat goed is voort te zetten.’
AUDI LUISTERT, kijkt, aarzelt, wikt en weegt. In een stroom van associaties formuleert hij gedachten die van tevoren nog maar half vaststaan. Van de twijfels die zijn betoog leiden gaat geen remmende werking uit. Integendeel, ze blijken de motor van zijn brein. Audi: 'Ik ben empirisch van aard. Ik probeer van het een in het ander terecht te komen, geleid door wetten die uit de gebeurtenissen zelf voortvloeien. Natuurlijk maak ik plannen, maar die zijn niet vastomlijnd. Er moet ruimte zijn voor toeval en spontaniteit.’
Genereerde dit open beleid het welslagen van vele produkties, ook het mislukken van sommige plannen was het gevolg van zijn werkwijze. Audi is zo fideel dat zelf aan te geven. 'Benvenuto Cellini en La damnation de Faust waren niet onverdeeld goed’, verzucht hij. 'Uiteindelijk hebben we Les Troyens laten vallen. Een ander argument om het later niet alsnog uit te voeren was ons plan voor de Ring. Twee zo monumentale werken moeten een flinke tussenruimte hebben.
De manier waarop het negentiende- eeuwse repertoire behandeld wordt, karakteriseert een operahuis. In de afgelopen jaren hebben we veel negentiende-eeuws Duits repertoire gedaan. Daarnaast brachten we veel zeventiende- en achttiende- eeuwse opera’s. Vanzelfsprekend moet ook het Nederlandse repertoire vertegenwoordigd zijn. In geen enkel land zul je drie hedendaagse componisten in staat vinden zulke uiteenlopende werken te schrijven als Peter Schat (Symposion), Guus Janssen (Noach) en Louis Andriessen (Rosa, a Horse Drama).
De meesterwerken van de twintigste eeuw, die waren voor mij het belangrijkste. Wozzeck, Pelleas et Melisande, Lady Macbeth van Mtsensk en nu Moses und Aron. Die opera’s moeten centraal staan in een twintigste-eeuws operahuis. Wat in deze eeuw geschreven is moet gaan behoren tot de wortels van onze tradities.’
Audi benadrukt regelmatig het belang van zijn jeugd voor zijn artistieke ideeen. Hij werd geboren in Libanon, een 'beeldloze wereld’. Audi: 'Het probleem van de verbeelding, de vrees voor het beeld is ironisch genoeg het kernthema in Moses und Aron. In de samenleving waarin ik opgroeide, waren beelden niet belangrijk en niet gewenst. Libanon is een land met zestien verschillende religies. Mijn ouders waren christelijk, maar we leefden in een islamitische wereld. In die godsdiensten was niets te zien, alles speelde zich af in het hoofd. Gesluierde godsdiensten zijn het. Je mag niets zien. Mijn smaak is daar gevormd. De voorkeur voor soberheid, de lege ruimte, vond daar haar wortels. Deze islamitische houding heeft veel gemeen met de calvinistische. Misschien ligt daarin een reden voor het feit dat mijn regie in Nederland aanslaat.
Nergens is de concertante opera zo'n succes als hier. Het publiek kan hier een opera ervaren als een oratorium. Mijn eerste seizoen was zeer onthullend. We brachten Parsifal in de regie van Gruber en “mijn” Ulisse. Un ballo in maschera met David Alden en Benvenuto Cellini met Tim Albery. De laatste twee produkties waren expressionistisch, kleurrijk en verward. De eerste twee waren ingetogen en sober. Parsifal en Ulisse werden een doorslaand succes, Un ballo en Benvenuto raakten in de vergetelheid. Toen begon ik iets te begrijpen van de verlangens van het Nederlandse publiek.’
Wie Audi’s produkties bijwoonde, heeft het kunnen zien. Uiterst sobere beelden op een praktisch leeg podium. Subtiele bewegingen van de zangers leken samen te smelten met de muziek. Audi’s verbeelding van emoties evenaart de intensiteit van de muziek. Niet als ondersteuning maar als contrapunt.
In 1997 zal Audi zelf de regie verzorgen van Wagners’ Ring des Nibelungen. 'Monteverdi en Wagner zijn in zekere zin zeer verwant’, verduidelijkt Audi. 'Ze hadden een zelfde idee over de verhouding tussen tekst en muziek. Bij beiden is de muziek een zuivere uiting van de ziel. De Ring is puur theater. De meeste scenes spelen zich af tussen twee of drie personen. De psychologische ontwikkeling van de personages is gedetailleerd. Bij Monteverdi waren mijn ensceneringen sober, maar ik heb ook een meer expressionistische, exuberante kant. De Ring brengt die twee samen. Wagners opera’s hebben de eenvoud en de soberheid van een eenzame ziel, maar ze hebben ook een grotesk aspect. En humor, zwarte humor. Net als bij Shakespeare vallen komedie en tragedie samen.’
NA DE VOLTOOIING van de Wagner- cyclus hoopt Audi het roer om te gooien. Dan zal geprobeerd worden de leemten te vullen die onvermijdelijk tijdens deze jaren zijn ontstaan. Audi: 'We zullen vooral aandacht besteden aan het Italiaanse repertoire. Het belcanto is in ons beleid nauwelijks aan bod gekomen. Vaak zijn die werken dramatisch moeilijk te verwezenlijken. En we hadden een goed excuus: de Vara-matinee had een uitstekende traditie in dit genre. Ik heb de Monteverdi-cyclus ook afgemaakt om verder te kunnen gaan in de barok, naar Handel en Rameau. Mogelijk doen we Alceste van Gluck. En wie weet komt Berlioz’ Les Troyens uiteindelijk toch nog aan bod.’
Audi’s geanimeerde betoog geeft de Nederlandse Opera en het publiek reden een mooie toekomst tegemoet te zien. Toch plaatst Audi kanttekeningen: 'Niemand zal ontkennen dat de opera als genre in een crisis verkeert. Haar toekomst is in geen enkel opzicht gegarandeerd. De produkties zijn duur en de keuzes ingewikkeld. In Amsterdam zijn we gezegend met een fantastisch publiek. We kunnen voor betrekkelijk lage prijzen een goed programma bieden. Als je in Amsterdam honderdtien gulden betaalt voor een kaartje eerste rang, betaal je in Covent Garden voor een vergelijkbaar kaartje driehonderd gulden en in Salzburg zeshonderdvijftig. Op die manier graaft de opera zijn eigen graf. In een dergelijke context van snobisme en exclusiviteit zou ik niet kunnen werken. Ik ken geen ander operahuis waar ik me thuis zou voelen.’