Ik heb weleens gedacht er een novelle of iets dergelijks mee te beginnen – met mijn allereerste college als student, een dinsdag, 11 september 2001.

Ik weet nog dat Paul Auster een paar dagen na de aanslagen lapidair stelde: ‘And so the 21st century finally begins.’ Door de jaren heen heb ik meerdere keren naar dat citaat gezocht en ik heb het nooit kunnen terugvinden, en toch weet ik het zeker dat hij dat zo schreef. Ik las bij het tijdschriftenrek in boekhandel Broese, aan de Oude Gracht – ik zie mezelf daar nog staan.

Ook: dat er twee minuten stilte waren om de slachtoffers te herdenken, dat iedereen midden in Utrecht op straat stilstond, en dat een scooterkoerier bleef toeteren dat hij erlangs wilde. Toen de twee minuten voorbij waren liep een meneer, ver voorbij de pensioengerechtigde leeftijd, op hem af en sloeg hem met één klap van zijn scooter.

Ik weet nog dat ik in de woonkamer van mijn vader stond en een sms’je kreeg dat ik CNN aan moest zetten – George Bush maakte bekend een oorlog in Afghanistan te beginnen. Ik geloof dat die dag en de aanslag op Fortuyn de enige momenten zijn geweest dat thuis de tv aan mocht tijdens het eten.

Wat ik me herinner is dat CNN continu op mijn studentenkamer aanstond, dat ik dwangmatig The New Yorker las, dat ik het geweldig spannend vond, dat ik inloopcolleges volgde over de islam en de geschiedenis van Afghanistan, die speciaal werden georganiseerd omdat iedereen opeens begreep een enorme blinde vlek te hebben gehad.

In zijn boek The Forever War – misschien de beste literaire oorlogsjournalistiek die ik ken – beschrijft Dexter Filkins hoe hij de Taliban eind jaren negentig al meemaakte in Afghanistan, hoe je ze zag zitten in restaurantjes, met houtskool onder hun ogen, wetend dat ze je net zo makkelijk konden neerschieten als een praatje met je beginnen. ‘Dumb as a brick, but that hardly mattered’, schreef Filkins. Zo zijn grote culturen altijd geweest. ‘De Grieken, de Romeinen, de Britten; het maakte ze niet uit wat anderen dachten. Redenen boeiden hen niet. Ze deden het gewoon. De Taliban: hun kracht was hun onwetendheid. Ze wisten niet eens waar ze zich druk over moesten maken.’

Je wilde niet dat er zoiets groots gebeurde en dat jij er niets mee te maken had

Ik weet ook nog dat ik als stagiair bij een redactievergadering was waar een oorlogsjournalist zei dat Nederlandse soldaten naar Uruzgan moesten, ‘een gevaarlijke provincie waar we weinig vanaf weten’. Waarop de kunstredacteur zei: ‘Zoals Drenthe!’

Wat ik ook nog weet: in de trein naar Utrecht hoorde ik twee jongens continu praten dat het ze echt ‘vet’ leek eindelijk in ‘TK’ te zijn, want daar hadden ze zo hard voor getraind. Pas toen ze uitstapten en ik hun legertassen zag begreep ik dat ‘TK’ Tarin Kowt was, waar de Nederlandse missie zijn basis had. De jongens zagen eruit alsof ze zestien waren, jeugdpuistjes, te veel gel in hun haar.

Om twee redenen ben ik nooit een verhaal of een roman begonnen met 9/11. Omdat het zo evident is, zo on the nose. Alsof je te gezocht een nieuw historisch moment gebruikt om je nieuwe levensfase als student aan op te hangen. Maar vooral omdat iedereen zijn eigen 9/11-verhaal heeft. Over een paar weken is het het twintigjarig jubileum en je weet nu al dat je ze gaat tegenkomen, in columns, in interviews: waar was jij toen je het hoorde? Op werk, in de trein, op de wc. De verhalen zijn telkens banaal, maar misschien is dat het hele eiereten: er gebeurde iets enorms, iets dat we nog nooit eerder hadden gezien, maar ook iets dat zich aan de andere kant van de wereld afspeelde, en de enige manier waarop we ons aan dat overweldigende moment konden koppelen was via onze kleine anekdotes.

Natuurlijk zou ik willen zeggen dat ik monomaan CNN keek en kranten las en extra colleges volgde omdat ik me zo betrokken voelde bij het lot van Afghanistan en de internationale gemeenschap, maar eerder was het, denk ik, dat het de enige manier was om jezelf erbij te betrekken. Was het narcisme; je wilde niet dat er zoiets groots in de wereld gebeurde en dat jij er niets mee te maken had. Misschien is dat voor veel mensen de reden journalist te worden.

Natuurlijk waren er ook mensen wier levens wel direct geraakt werden. Bijvoorbeeld de mensen wier kinderen of geliefden in Uruzgan dienden. 25 Nederlanders stierven daar.

Wat ik ook nog weet; dat doemdenkers in 2001 riepen dat Afghanistan ‘een nieuw Vietnam’ zou worden. Dat leek, in slachtoffers tenminste, mee te vallen. Tot dit weekend dan, toen het Amerikaanse vertrek uit Kabul een kopie werd van de terugtrekking uit Saigon, 30 april 1975. Toen was het iconische beeld dat van een menigte die op het dak van de Amerikaanse ambassade op een van de laatste vertrekkende helikopters probeert te komen, nu zijn het beelden van zwarte diplomatenauto’s buiten Kabul die elkaar aanrijden omdat ze zo snel mogelijk weg willen. Tarin Kowt is ook ingenomen. Het voelt zo cru om te zeggen dat alles in Afghanistan voor niets is geweest – maar goed, wat moet je anders zeggen?