Louise Glück gebruikt de gebeurtenissen in haar leven als materiaal voor haar poëzie © Katherine Wolkoff

Als de Amerikaanse dichter Louise Glück (1943) in 2006 haar bundel Averno publiceert, is ze inmiddels een kleine veertig jaar dichter. Sinds ze in 1968 debuteerde met First Born ontvangt ze voor haar werk onder andere de National Book Critics Circle Award (voor The Triumph of Achilles, in 1985), de Pulitzerprijs (voor The Wild Iris, in 1993), heeft ze drie eredoctoraten op zak en bekleedt ze in 2003 en 2004 het eervolle en publieke ambt van Poet Laureate.

Op persoonlijk vlak heeft ze inmiddels het nodige voor de kiezen gehad. Er is het zusje, dat overlijdt voordat Glück geboren wordt en een groot gat achterlaat. Er is een liefdevolle maar verstikkende moeder-dochterverhouding. In haar tienerjaren volgt een eetstoornis, in 1980 wordt haar huis verwoest door een brand, en ook ziet ze tweemaal een huwelijk stranden, in 1977 en in 1996. Wellicht geen feiten die bijster relevant zijn bij het lezen of waarderen van literatuur, maar Glück is een dichter die gebeurtenissen in haar leven gebruikt als materiaal, en haar poëzie is bij lezers geliefd vanwege de herkenbare, deels autobiografische thema’s.

Toch is haar werk niet zomaar ‘confessioneel’ te noemen. De heldere, toegankelijke toon is bedrieglijk – er wordt meer gesuggereerd dan daadwerkelijk benoemd of opgebiecht. Bovendien grijpt Glück dikwijls naar bestaande verhalen, in het bijzonder de Griekse mythen, die het al te particuliere universeel moeten maken. Dit doet ze bijvoorbeeld in het eerder genoemde The Triumph of Achilles, in Meadowlands (1997) en Vita Nova (1999). En in Averno.

Dat we die bundel nu in het Nederlands kunnen lezen, in een prettige en vloeiende vertaling van dichter Radna Fabias, is natuurlijk het directe gevolg van de Nobelprijs voor Literatuur die Glück vorig jaar ontving voor haar volgens de jury ‘onmiskenbare poëtische stem die met sobere schoonheid het individuele bestaan universeel maakt’. Als die hoogste prijs in de letteren níet aan haar was toegekend, was ze voor de doorsnee lezer waarschijnlijk nog lang een onbekende gebleven, en had de Nederlandstalige poëzielezer nog altijd niet meer van haar kunnen lezen dan enkele losse gedichten, vertaald door dichter Erik Menkveld. Want ondanks alle lof die Glück ontving, was ze tot voor kort toch vooral een Amerikaanse dichter voor een Amerikaans leespubliek – anders dan bijvoorbeeld de Canadese Anne Carson, die al snel na haar debuut internationaal werd opgepikt.

Het is niet alleen fijn dat Glücks poëzie nu in het Nederlands beschikbaar is, maar ook dat Fabias en De Arbeiderspers ervoor kozen om niet zomaar een bloemlezing uit te brengen. Door voor een specieke bundel te kiezen, wordt Glück gepresenteerd binnen de context van een afgerond werk, waardoor je werkelijk kennis kunt maken met haar werkwijze.

De Griekse mythe die Glück in Averno door haar gedichten weeft – in de ene cylcus nadrukkelijker dan de andere – is die van Persephone en Hades. Persephone, de vriendelijke en ietwat naïeve dochter van Demeter, haar overbeschermende moeder en godin van de vruchtbaarheid en de aarde. Als Persephone op een dag door Hades, de god van de onderwereld, wordt ontvoerd, veroorzaakt Demeters radeloze verdriet een verschrikkelijke winter op aarde. Na tussenkomst van Zeus laat Hades Persephone gaan, maar helemaal vrij raakt ze niet: om de zes maanden keert ze terug naar de onderwereld. Ziedaar de seizoenen.

De bundel, opgedeeld in twee delen en opgedragen aan haar zoon Noah, is voorzien van een korte bijsluiter: ‘Averno, oude naam Avernus. Een klein kratermeer, tien mijl ten westen van Napels, Italië; door de oude Romeinen beschouwd als de ingang van de onderwereld.’ Meer context wordt niet gegeven. Het korte gedicht De nachtelijke trek vormt de opmaat van de bundel, en deed me gek genoeg denken aan de poëzie van Rutger Kopland, misschien door dat woordje ‘weer’:

Dit is het moment waarop je weer
de rode bessen van de kraalboom ziet
en in de donkere lucht
de nachtelijke trek van de vogels.

Het doet me verdriet te denken
dat de doden ze niet zullen zien –
deze dingen waar we op rekenen,
ze verdwijnen.

Het gedicht lijkt een bedaarde, algemene overdenking, maar wordt in de derde en laatste strofe opeens persoonlijk: ‘Hoe zal de ziel zich dan troosten?/ Ik zeg tegen mezelf misschien heeft ze/ deze pleziertjes niet meer nodig’. Waar komt die ‘ik’ vandaan, wie is hier aan het woord?

Glück laat dat bewust in het midden, en toch weet het gedicht een concrete en intieme stilte op te roepen. Fabias vertaalt nauwgezet en compact: ‘maybe just not being is simply enough’ wordt in het Nederlands ‘misschien is gewoon niet zijn domweg genoeg’.

Meteen in de eerste cylcus van deel I, Oktober, is er opnieuw dat weemoedige terugkijken à la Kopland met persoonlijke referenties: ‘Is het weer winter, is het weer koud,/ was Frank niet net uitgegleden op het ijs’. Als hier een Persephone aan het woord is, dan één die niet aan een bepaald tijdperk is gebonden, en met het masker van de dichter op. Oktober lijkt een voorzicht antwoord te geven op de vraag hoe Glück de mythe in Averno inzet: niet als een verhaal dat (al dan niet gemoderniseerd) per se moet worden naverteld, maar als constructie waarbinnen iets persoonlijkers kan resoneren. Nu eens lees ik een hervertelling van die mythe (‘hadden we de zaden niet gezaaid,/ had de aarde ons niet nodig’), dan weer een doorkijkje naar het onbestemde leven van een vrouw in onze tijd die daar eigenlijk los van staat (‘Ik was hier jong. Nam/ de metro met mijn boekje’). Los is sowieso een woord dat voor Averno opgaat. De gedichten gaan ervan uit dat de lezer bekend is met de klassieken, en dat je het spel dat gespeeld wordt herkent. Of je herkent de verwijzingen niet, ook goed. Maar de dichter legt niets uit.

Het is de aangename, onnadrukkelijke vertelstem die me nieuwsgierig houdt, inhoudelijk ben ik de draad soms kwijt. Glück vertelt uit de losse pols, een beetje alsof je een verzameling aantekeningen en aanzetten leest, met plotseling een strofe waar je langer bij stil staat: ‘Als de hartstocht voor boetedoening/ chronisch is, fel, kies je niet/ hoe je leeft. Je leeft niet;/ je mag niet doodgaan.’ Dit is een fragment uit het gedicht Persephone de zwerver, in deel I. In deze ‘eerste versie’ wordt ‘Persephone/ van haar moeder afgepakt/ en de godin van de aarde/ straft de aarde’. Glück lijkt zich aanvankelijk te binden aan een concrete hervertelling en herinterpretatie, die ze onomwonden koppelt aan de scheve en giftige machtsverhouding tussen de geslachten:

Persephones eerste
verblijf in de hel wordt nog altijd
bepoteld door geleerden die het oneens zijn
over de gevoelens van de maagd:

heeft ze meegewerkt aan haar verkrachting,
of werd ze gedrogeerd, tegen haar wil
geschonden,
zoals nu zo vaak gebeurt met moderne meisjes.

In de ‘eerste versie’ heeft Persephone ‘seks in de hel’ en ‘gelooft ze// dat ze een gevangene is daar ze een dochter is.’ In het slotgedicht van de bundel, in het tweede deel, ook weer getiteld Persephone de zwerver, is sprake van ‘de tweede versie’, waarin Persephone dood is en ‘de doden zijn mysteries’. Nu staat de moeder centraal, zij die ‘in het gezicht van de zuigeling kijkt’ en denkt: ‘ik weet nog dat je niet bestond’. De dode dochter die hier wordt opgevoerd, kan niet werkelijk rusten omdat een moeder zonder kind geen bestaansrecht heeft: ‘Persephone/ was gewend aan de dood. Nu sleept haar moeder haar er steeds opnieuw uit’. Leave me alone, hoor je de dochter denken.

En opeens snap ik dat afdwalen, dat onbestemde. De dichter wil vertellen door het niet helemaal te vertellen. Omdat het niet kan, te overweldigend is, te complex, te direct. Dan is de mythe een fijne stok waar je af en toe op kunt leunen.

Zoiets lees ik ook terug in het lange, schitterende titelgedicht, een los gepresenteerd verhaal dat zich niet helemaal prijsgeeft, ondanks de concrete doorkijkjes die autobiografisch aandoen (‘moet ik/ een van de nieuwe medicijnen tegen depressie nemen’). Hoe bereid je je voor op de dood? Wat betekent dat, ‘afscheid nemen’, of onuitgesproken herinneringen met je meedragen? Nou, je wordt bijvoorbeeld niet meer serieus genomen, al heb je nog zoveel ‘wijsheid’ in pacht: ‘Je sterft als je geest sterft./ Anders leef je’, zo begint Averno. Waarop de kinderen ‘knipogen naar elkaar;/ luister naar het oudje, pratend over de geest/ omdat hij het woord voor stoel niet meer weet.’

In mijn persoonlijke favoriet, Faithful and Virtuous Night uit 2014, genomineerd voor de T.S. Eliot Prize en bekroond met de National Book Award for Poetry, lijkt Glück geen andere verhalen nodig te hebben om een eigen verhaal te vertellen. Maar bij nader inzien is Glück zelfs in die bundel de dichter die iets deelt door terug te houden. Het is fantastisch dat die krachtige fluisterstem nu ook in het Nederlands klinkt.

Telescoop

Er is een moment nadat je je oog hebt afgewend
waarop je vergeet waar je bent
omdat je, zo lijkt het, ergens anders
hebt geleefd, in de stilte van de nachthemel.

Je bent niet meer hier op de wereld.
Je bent op een andere plek,
een plek waar het menselijk leven geen betekenis heeft.

Je bent geen schepsel in een lichaam.
Je bestaat zoals de sterren bestaan,
neemt deel aan hun stilte, hun onmetelijkheid.

Dan ben je weer in de wereld.
‘s Nachts, op een koude heuvel,
haal je de telescoop uit elkaar.

Je realiseert je achteraf
niet dat het beeld onecht is,
maar het verband is onecht.

Je ziet weer hoe ver weg
elk ding is van elk ander ding.