Ik weet wel waarom

Vanaf afgelopen zondag sta ik weer op gespannen voet met de wereld, want toen dook de herfstdepressie weer op. Ik was niet meer uit bed te slaan, dacht de hele tijd dat ik koorts had (wat niet zo was), wilde zelfmoord plegen, niemand zien en de hele dag huilen, wat ik maar de halve dag heb gedaan. Daarna kwam de woede en vielen drank en temesta totaal verkeerd, waardoor ik migraine kreeg, die de dag daarna verholpen werd met valium.

Ik dacht toen ik drie jaar geleden depressief was: een volgende keer zet ik alles op papier wat ik voel. Welnu, ik heb alleen maar het woord ‘kut’ opgeschreven.
'Wil je aandacht?’ vraagt mijn vriendin.
Ik schud mijn hoofd en voel me zo verschrikkelijk kinderachtig - hoe kan ik in godsnaam uitleggen wat er aan de hand is.
Ik neem een slaappil in, hoewel het pas twee uur ’s middags is, en probeer te analyseren wat er allemaal is gebeurd.
O ja, ik weet precies hoe het komt. Ik praat er weinig met anderen over, maar ik denk dat elke depressieve persoonlijkheid min of meer vermoedt hoe het komt, al kan hij het misschien niet onder woorden brengen. Ik weet bijna zeker dat er niemand is die zegt: hemeltje, wat overkomt me nou? Je moet weten hoe je depressief moet zijn om depressief te zijn. Depressie heeft namelijk altijd een reden en een doel, daar ben ik van overtuigd.
Mijn depressie bestaat uit een reeks gevolgen die bij elkaar opgestapeld onverdraaglijk zijn. Ik ben kapot van moeheid omdat ik keihard gewerkt heb; dat werk bleek achteraf tevergeefs; vervolgens voelde ik me mislukt; doordat ik me mislukt voelde, bezag ik wat ik de afgelopen tijd heb gedaan in dat licht en besefte: werkelijk alles wat je onderneemt en doet, mislukt. Daar kwam groot schuldgevoel bij, want doordat ik zo hard gewerkt heb, ben ik een reeks afspraken niet nagekomen; daardoor is mijn dochter behoorlijk ziek geworden. Verder heb ik doodsangst omdat dierbare vrienden ernstig ziek zijn, en ook daar voel ik me schuldig over. Dat alles bij elkaar: dat is het.
'Wil je een fijne vakantie?’ vraagt mijn vriendin.
Ik moet er niet aan denken. 'Ik heb straf, en dat is terecht, geloof ik, maar ik weet niet van wie en ook niet waarvoor’, zeg ik - en eventjes denk ik dat dit precies goed geformuleerd heb, maar bijna tegelijkertijd begrijp ik zelf niet wat ik zeg.
'Je drinkt teveel’, zegt vriendin, en ik denk: verdomd, dat komt er ook nog bij.
Mijn vriendin verlaat het huis en laat me aan mijn lot over. (Hoort allemaal bij de straf.) Mijn geest trakteert me op een diavoorstelling met als titel 'Falen en mislukking’, gevolgd door de film 'Angst en schuld’, met geluid van een stervende moeder en vader, stervende kennissen en ten slotte een stervende ik.
'Je moet een column maken’, roep ik mezelf toe. Eerst een slaapje: ik droom - het is werkelijk heel erg - dat ik een literaire prijs krijg. Iedereen is heel blij voor mij. Mijn vader, uit de dood opgestaan, komt op mij af en zegt: 'Fantastisch… Mijn allerliefste wens is nu uitgekomen. Ik ben zo trots op je.’
Maar ik, en een jongen die ik, toen ik acht was, keihard op zijn bek heb geslagen, weet dat ik eigenlijk niet kan schrijven, en dat alles voor een deel een misverstand is, en voor een ander deel goedheid van een paar vrienden die erg aardig voor me willen zijn en me daarom, uit zieligheidsoverwegingen dus, die prijs hebben toegekend.
Ik huil als ik wakker word. Er was ook iets van een hond die tegen me aan piste, maar dat ben ik vergeten.
Het is zo vanzelfsprekend dat je er eigenlijk niets over kunt zeggen - zonder je te schamen.