Ons land, ons dorp

'Ik weet wel wie jij bent'

Gemeenschapszin was een belangrijk thema tijdens de verkiezingen. In dorpen als Haaften aan de Waal weten ze nog wat dat is. Buitenstaanders? Zolang die zich maar aanpassen. Wilders? Ach, dat is maar gekkigheid.

Medium groene2echtdef

De moord op een voormalig raadslid zou mijn favoriete anekdote zijn uit de streek waar ik mijn tienerjaren doorbracht, als de plot niet zo gruwelijk was. De man, een betrokken dorpsgenoot, ontving in zijn huis in een kleine gemeenschap in het midden van het land een man uit Rotterdam. De ontmoeting die om seks begonnen was, draaide uit op moord en de Rotterdammer nam de benen. Maar het duurde niet lang voordat hij kon worden aangehouden. Een onbekende man had in het dorp de weg naar het station gevraagd.

In het dorp ben je nooit helemaal van jezelf. Je bent er een van die en die en kwam je er nieuw wonen, dan was het zaak er snel een van iemand te worden. Je leerde waar je moest komen en vooral ook waar niet om erbij te horen. Daar hoorde je van tragische ongevallen uit het verleden, slepende burenruzies en oude familievetes. En al snel wist je dan precies wie er in het weekend met elkaar hadden gevreeën in de groentekar, zonder slot op het erf van een boerderij, voor wiens schuifdeuren onze moeders de volgende dag de groenten en het fruit voor de nieuwe week kochten.

Je wist zo veel van elkaar. Of ten minste van horen zeggen. Maar dan waren er de dingen die je niet wist en waarnaar het gissen bleef. De dingen die alleen wij niet konden begrijpen, omdat we ‘import’ waren, mensen uit de stad.

De meeste import bevond zich aan de rand van het dorp, in de grootste huizen, en hield zich afzijdig. De beroemde dirigent aan de dijk, die had een statige woning aan het einde van een oprijlaan achter een elektronisch hek. Hoge coniferen hielden zijn bestaan uit het zicht. De televisiepresentator woonde aan de andere kant van het dorp, in het veld, alleen zijn sportwagen verried wanneer hij bij de plaatselijke kapper zat. Daar liet hij zijn haar verven en knipoogde naar zijn dorpsgenoten dat dat hun geheimpje was. In het dorp ben je geborgen, wordt jouw geheim gedeeld door iedereen. Op een zaterdagavond in het dorpshuis bedachten mijn vriendin en ik dat we, als we doorfietsten, nog net de laatste trein naar de stad konden halen.

Mijn familie bleef op het platteland wonen, verspreid over een aantal dorpen in de mooie gemeente Neerijnen, tussen de rivieren in het midden van het land. De gemeenschap is hier hecht en waakzaam, de mensen zijn nooit te beroerd om elkaar te helpen, niet altijd even voorzichtig met het wijzen van een vinger. Over de dag, enkele jaren geleden, dat een Marokkaanse vrouw uit het dorp langs de deuren kwam met een bord pannenkoekjes, bleken onlangs de indrukken nog altijd verdeeld. Volgens de een was het gewoon goed bedoeld, volgens de ander had ze met een schuin oog naar het slot op de voordeur gekeken. Meer dan tien procent van de bewoners in dit dorp is aangesloten bij de WhatsApp-groep Buurtpreventie.

Dorpsgenoten van het eerste uur gaan samen ver terug. Ze vertegenwoordigen niet zelden de zoveelste generatie van de familie in een huis. Op de dijk langs de rivier staat het huis van mijn moeder. De buren kennen het goed: sommigen hebben er als kind nog gespeeld, anderen kochten er bij de kruidenier die hier toen was gevestigd. Sommigen herinneren zich de heibel in de onwettige kroeg die in de kelder draaide, een van de vele ‘stille’ kroegen in het dorp die voor vertier zorgden in de armoedige jaren na de oorlog. Een enkeling weet nog van het bestaan van de trap die klanten zo naar de kamers van de dochters voerde. Maar dat was vroeger. In die kelder staat nog altijd de clandestien gemetselde bar. Ook staan daar nu vier kratten gevuld met de oranjefeestverlichting voor de dijk. Vroeger knipten de bewoners vaantjes uit lakens, werd er samen geverfd en geplakt voor de feestdag. De afgelopen jaren heeft er geen haan naar gekraaid. Er is veel veranderd in het dorp.

Gemeenschapszin is een terugkomend ideaal bij de verkiezingen, het cement waar het cda een nieuwe samenleving mee wil bouwen. Uit het partijprogramma: ‘Ons plan voor een beter Nederland begint bij een sterke samenleving van vitale gemeenschappen in dorpen en steden, waar mensen meedoen en naar elkaar omzien.’ De radicale interpretatie van zo’n gezamenlijke inspanning is de stuwende kracht achter ‘Nederland weer van ons’, de leus van de pvv. Maar wie zijn die mensen die voor elkaar moeten gaan zorgen, van wie is ‘ons’ land als het eenmaal zo ver is?

Haaften is het grootste van tien dorpen in de gemeente Neerijnen, samen goed voor ruim twaalfduizend inwoners. Hier bevindt zich onder meer een grote supermarkt en sinds kort een vestiging van de Regiobank. De dijk vormt de grens van het dorp aan de brede en druk bevaren rivier de Waal. De huiskamer van de familie Elfring kijkt erop uit, op de trage maar verraderlijke stroming van het water, op de brug bij Zaltbommel en de toren van de oude stad aan de overkant. Ze zijn voor in de tachtig en wonen hier bijna hun hele leven. Bijna, benadrukt Wil Elfring, ze weet niet of ze al mijn vragen kan beantwoorden omdat ze er niet haar hele leven woont. 55 jaar, blijkt als we met koffie en soezen plaatsnemen aan de ronde tafel voor het raam. Ze kwam uit Gameren, aan de andere kant van het water, toen ze trouwde met Jan uit Haaften. Zijn ouders waren uitbaters van de kroeg in het naastgelegen huis en bedienden tevens het veer, tot de jaren zestig de verbinding van het dorp met de overkant.

We lopen in gedachten samen door het dorp zoals het toen was. Langs de kruidenier op de hoek, de drie of vier slagers die het dorp rijk was en zeven bakkers. Als je trouwde kwamen ze aan de deur, of ze voor jou het brood mochten leveren, en de familie Elfring wisselde zoals veel dorpelingen twee bakkers om de maand af. Er was het snoepwinkeltje van Mientje waar je al met een cent terecht kon, in haar snoepbak met een glazen deksel, en waar de kinderen naar buiten kwamen met builtjes waar de slierten drop overheen hingen. Haaften was klein en overzichtelijk, iedereen kende elkaar. De veranderingen, zegt Jan, zijn erin geslopen. De kleine winkels verdwenen, sommige bakkers hielden het nog vol totdat de supermarkt ook brood verkocht. Nu is er nog één bakker. En nog voordat ik kan vragen naar nieuwe mensen in het dorp komt het woord al ter sprake. Er kwam import, heel veel import, dat zijn mensen uit de stad die ‘op een dorp’ komen wonen. Mensen die elkaar niet of amper groeten op straat, die niets doen dan hard werken en zich in het dorp soms niet laten zien. Ze laten het rijke verenigingsleven vaak links liggen en hebben zo hun eigen kennissen. De kloof met de Haaftenaren is zeker niet onaardig bedoeld, maar als vanzelf op die manier ontstaan. Op het schoolplein moet Wil nu aan haar kleinkind vragen wie de andere kinderen zijn, dat was vroeger ondenkbaar.

Er kwam import, dat zijn mensen uit de stad die ‘op een dorp’ komen wonen. Mensen die amper groeten op straat

Toch woonden ze er altijd graag, en nog. Ze voelen zich nog even veilig als toen, ook al gebeurt er wel eens wat. Van de Marokkaanse mensen die in het dorp zijn komen wonen ondervinden ze geen hinder, met de nieuwere Poolse mensen is minder contact maar ook daar zijn geen problemen. Er woonde een tijdje een jongen vlakbij die voorbeeldig Nederlands sprak en altijd vriendelijk vroeg: ‘Hoe gaat het met u?’ Beiden benadrukken het plezier en het belang van het verenigingsleven. Wil doet aan gymnastiek en volksdansen en is lid van de ‘plattelandsvrouwen’. Femina, ‘contact voor de vrouw aan de Waal’, is een lokale afsplitsing van de landelijke bond en nu een club van vijftig vrouwen uit het dorp. Jan was actief op de tennisvereniging, de biljartvereniging en deed ook aan gymnastiek. Je leert de mensen zo goed kennen, ook al doet veel import dan niet mee.

Het is een paar weken tot de verkiezingen. Van oudsher werd in het dorp pvda gestemd door arbeiders van de steenfabriek en cda door de kerkgemeenschap. Misschien wordt het nu wel Wilders, Jan en Wil verwachten dat veel dorpsgenoten op zijn partij zullen stemmen. Omdat hij in een hoop dingen toch wel gelijk heeft. Omdat hij tenminste durft te zeggen wat een ander denkt, over de buitenlandse gasten. Terwijl er in het dorp zo goed wordt samengeleefd? Het is vooral op televisie dat ze zien als er weer eens wat loos is. Ach, zegt Wil, het is ook maar gekkigheid. Het laatste soesje is voor mij.

Aan de rand van het dorp staat sinds een aantal jaar het Kulturhus, een modern dorpshuis. Het is zaterdagavond en aan de bar ontmoet ik Henk de Jong. Samen met een werkgroep spande hij zich twintig jaar in voor deze plek en de eerste paal mocht hij in de grond slaan. Hij vertelt over de mogelijkheden van het pand, met uitneembare wanden, plek voor alle verenigingen, een goede bibliotheek en, heel bijzonder, twee basisscholen voor het eerst onder één dak, de openbare en de christelijke. De Jong is al 25 jaar Sinterklaas op de openbare school, maar nu komen er twee Sinterklazen samen in het pand, voor elke school een die past bij de eigen identiteit. Dat regelen ze onderling, om het jaar wordt er een in het dorp onthaald en wacht de ander in het schoolgebouw. Niemand die dat door heeft.

De Jong kwam in 1971 in het dorp wonen, als import, maar omdat hij ging werken op de steenfabriek werd dat niet zo gezien. Hij voelt zich Haaftenaar, heeft altijd ‘tot over zijn nek’ in het verenigingsleven gezeten, maar ziet hoe nieuwkomers het dorp vaak gewoon niet begrijpen. Haaften is van oorsprong een boerendorp. Er lagen twee steenfabrieken in de uiterwaarden en dat was de enige industrie, met alle ellende van dien, met veel armoede in de eerste helft van de twintigste eeuw. De steenfabriek had een zeer feodale directie. De Jong: ‘Dan ging de stoomfluit en trokken een heleboel mannen vanuit het dorp naar het hek van de fabriek. De baas verscheen en zei “jou moet ik hebben en jou moet ik hebben” en de rest kon terug naar het dorp. Dat betekende ook dat ze dan geen geld hadden.’ Toen het werk in de jaren tachtig onder toenemende mechanisering afnam pendelden busjes met arbeiders tussen het dorp en de haven van Rotterdam. Vandaag zijn er nog een kleine twintig man in de steenfabriek werkzaam.

Medium groene1def

Dat oude sentiment speelde een grote rol in een recente botsing tussen de oorspronkelijke bewoners en mensen van buiten. Plannen voor een containeroverslag aan de rand van het dorp stuitten op hevig verzet. Er bestond grote angst voor overlast, maar niet onder Haaftenaren – die zagen op de eerste plaats werkgelegenheid. Een werkgroep met beide partijen ging uiteindelijk met knallende ruzie uit elkaar. Al het oude zeer kwam naar boven, vertelt De Jong. De afstand tot de hoogopgeleide import, vaak westerlingen, met een eigen netwerk, rapporten van tno in de hand en een houding dat ze alles beter weten. Op een website organiseerden de tegenstanders zich. Er is onder meer een filmpje te bekijken dat een indruk moet geven van de gevreesde geluidsoverlast. Het is een opname van een minuut uit de haven van Los Angeles en het gerammel van kabels en gezoem van kranen is verschrikkelijk. Maar de plannen lijken door te gaan. In een bijeenkomst in de raadszaal zei een geëmotioneerde inspreker toen haat te voelen van de ‘autochtone Haaftenaren’ jegens ‘import-Haaftenaren’, meldde de plaatselijke pers.

Slaapdorpmensen, zo noemt Coby van Oosterum hen. Mensen die alleen in het dorp komen om te slapen. Van Oosterum is medeorganisator van de gezamenlijke eetavonden in het dorpshuis, een vaste avond in de maand waar een kleine zeventig man op af komen, en een paar keer per jaar een special. Zoals vanavond, stamppotavond. Ja, de emoties rond de containerhaven waren hoog opgelopen. Maar vroeger hoorde je ook hoe ze het ijzer klopten op de scheepswerf in Zaltbommel, en daar hadden ze ook geen last van. Werk is werk. Intimiderend was de toon van het verzet. Maar ze hebben gewonnen. En, dat moet gezegd, zij heeft ook vrienden onder import. Uit Limburg, natuurlijk is dat mogelijk.

Maar vanavond is voor de gezelligheid en de verhalen, voor de gemeenschap. Op de lange tafels staan bloemstukken die Van Oosterum zelf schikt met materiaal dat de tuinders gratis beschikbaar stellen. Er zijn ook menukaarten met voorop een foto uit het dorp, elke maand een andere, gemaakt door De Jong. Hij probeert het dorp steeds zo te fotograferen dat het niet onmiddellijk voor de bewoners herkenbaar is, dat levert de leukste gesprekken op. Een vrouw vertelt dat ze alle menu’s tot dusver heeft ingeplakt. En kan iemand niet komen, dan wordt zijn bordje even thuisgebracht.

Aan tafel gaat het al snel weer over Mientje, over hoe zij haar haar in een vlecht over haar hoofd droeg en hoe mooi haar winkeltje was met die oude potten en het snoep in de bak onder de glazen deksel. Hoe bijzonder om daar te mogen komen in de jaren na de oorlog, toen er niets was. Iemand meent te weten wie die snoepbak heeft geërfd, een buurvrouw die Mientje later verzorgde. Er wordt gelachen om de ‘stenen muur’ uit dezelfde tijd, een stukje oude kasteelmuur die krom zou hebben gestaan van de vele vrijpartijen en op een dag is omgevallen. De leugenbank was een bankje voor de kerk waar de oude mensen elkaar sterke verhalen vertelden. Ze keken uit op het veer en konden precies in de gaten houden wie er aan land kwam.

‘Vroeger had je van die gezellige winkeltjes, nu hebben we nog één winkel en daar moet je alles zelf pakken!’

In 1965 publiceerde de socioloog Norbert Elias (samen met John L. Scotson) een onderzoek onder de naam De gevestigden en de buitenstaanders. In de kleine gemeenschap van Winston Parva, een fictieve naam voor wat later een voorstad van Leicester zou blijken, liep een moeilijk verklaarbare scheidslijn tussen bewoners dwars door twee arbeidersbuurten. De ene groep was niet hoger opgeleid dan de andere, had geen hoger inkomen, woonde niet in mooiere huizen, maar voelde zich toch ver boven de andere verheven.

Elias zag een ‘universeel menselijk thema’, een mechanisme dat in werking treedt op het moment dat mensen zich verplaatsen: nieuwelingen zijn buitenstaanders. De mensen in de ene buurt in Winston Parva gingen al twee of drie generaties terug, terwijl de nieuwkomers vreemden waren, voor de oude inwoners maar ook voor elkaar. ‘Hier stelden we vast dat de “ouderdom” van banden, met alles wat dat inhield, een op zichzelf staande kracht was die een mate van groepscohesie, van collectieve identificatie en gemeenschappelijke normen teweegbracht, voldoende voor de aangename euforie die gepaard gaat met het bewustzijn te behoren tot een groep van hogere waarde en met de complementaire verachting voor andere groepen.’

Het gevestigden-buitenstaanders-model biedt aanknopingspunten voor de situatie in het Betuwse dorp, neem alleen al het stigmatiserende stempel ‘import’, maar er zijn verschillen. Op de vraag of de bewoners denken dat het lastig is voor nieuwkomers om in het dorp te komen wonen, krijg ik wisselende antwoorden. De kloof is eigenlijk meer een rits: zolang de mensen zich aanpassen aan de heersende normen, niet het gras maaien of de auto wassen op zondag en bereid zijn zich in te zetten voor de gemeenschap, is het gat zo gedicht.

Maar het ouderdomsbeginsel is een factor van betekenis. Aan tafel in het dorpshuis wordt gelachen om de wereldvreemdheid van toen. Om de dorpsvrouw die tijdens de oorlog zwanger raakte van een Rus. Het kind werd dood geboren en haar vader zei: ‘Het is maar goed dat het kind dood is, want ik had het nooit kunnen verstaan.’ Om de steenfabriek die in de jaren zestig eens een uitstapje organiseerde naar Monschau, vlak over de grens bij Duitsland, een wereldreis. De arbeiders hadden hun paspoort mee moeten nemen, maar bij de grens bleek dat een heel stel het trouwboekje bij zich had.

Het is een vertederd lachen om hun oude zelf. Zo waren de mensen en zo zijn ze diep van binnen nog. Niet dat ze geen oog hebben voor de rest van de wereld. Van Wil en Jan Elfring kreeg ik een prachtig boek over Haaften te leen dat ook in het dorpshuis al voor mij klaar lag. Het werd gemaakt door de Studiekring Haaften, opgericht in 1945 volgens het ideaal van de volksverheffing, niet van buiten maar door dokter Wiersma en zijn vrouw samen met de directeur van de steenfabriek. De studiekring bracht de wereld naar het dorp. In 1948 was er een avond over Belgisch Congo, in de jaren vijftig kwamen de walvisvangst in het Zuidpoolgebied, het oerwoud van Nieuw-Guinea en ‘worstelend Afrika’ voorbij. Deze maand nog woonde het echtpaar Elfring een lezing bij over speciaal getrainde honden die naar overlevenden zoeken in een rampgebied.

De samenhorigheid is groot maar ook relatief, het hechte samenleven op het platteland een kluwen van onzichtbare scheidslijnen. Met rivaliteit tussen kernen onderling – ging een jongen vrijen in een ander dorp, dan kon hij klappen krijgen – maar ook binnen het dorp. De geloofsgemeenschap bijvoorbeeld vormde een eiland. Ging je niet naar de kerk, dan mochten jouw koeien niet door de waard lopen die daar eigendom van was. In diezelfde waard moet nu de containerhaven komen.

De nieuwe buitenstaanders waren de import en de minderheden. Waarbij geldt dat import de rol in de gemeenschap zelf in de hand heeft en de minderheden aardig gekneed lijken te zijn. Uit andere dorpen komen nu berichten over bewoners die tegen vluchtelingen zeggen hun gordijnen overdag open te houden, die zeggen dat de kinderen op tijd naar bed moeten gaan. Toen de eerste Marokkanen zich in de jaren zeventig in Haaften vestigden, vertellen verschillende bewoners met trots, waren het mensen uit het dorp die hen Nederlandse les gingen geven. Daar mochten ze een zaaltje van de steenfabriek voor gebruiken. Andries Wigmans herinnert het zich goed. Het begon met een Marokkaanse man, dat was zo’n beetje de ‘godfather’, en zijn zoon is nu zijn overbuurman. Heel aardige mensen, vertelt hij glunderend. Iedereen is positief over de Marokkaanse gezinnen, er zit een ‘verkeerde’ tussen maar die hebben de mensen zelf ook laten vallen. En hoewel ik ergens over een ‘zwartje’ hoor dat onlangs over de dijk fietste, leek dat zeker niet onvriendelijk bedoeld.

In een nieuwe wereld kan oude geschiedenis zomaar verdwijnen. Verhalen die mensen van oudsher aan elkaar verbonden, vallen uit elkaar. Het overzicht is zoek. Ik hoef maar te vragen naar ‘veranderingen’ en daar komt een lijst van wat verloren ging. ‘Het is er niet gezelliger op geworden’, zegt de goedlachse Wigmans, die eigenlijk alleen positieve verhalen over zijn dorp wil vertellen. ‘Als je vroeger op straat liep en er kwam iemand aan, dan begon je al op afstand te roepen: “Hé! Hoe gaat het ermee?” Nu lopen mensen elkaar zonder te zien of zonder elkaar te groeten voorbij. Kijk naar de criminaliteit, en dan valt het hier nog best mee, maar je zal thuiskomen en dat ze de mooie spullen in je huis hebben weggejat. Dat is mij overkomen.’ De tafelgenoten knikken instemmend. ‘Vroeger had je van die gezellige winkeltjes, zoals Mientje, nu hebben we nog één winkel en daar moet je alles nog zelf pakken ook!’ Er wordt gelachen, hij vervolgt: ‘De mooie boomgaarden zijn verdwenen, daar staan nu huizen. Dat is goed voor de aannemer, maar niet voor de gezondheid.’ Daar wordt het stil van aan tafel. Van Oosterum vertelt dat toen ze een naam zochten voor hun eetclub ze er binnen drie minuten uit waren: De Boomgaard.

Er is geen arbeid meer om voor te stemmen, de landbouw is gekrompen en de gematigde kerk loopt terug. Gemeenschapszin blijkt een wankel begrip, lokale kwesties kunnen de doorslag geven voor een stem. Dat is al zichtbaar in de gemeenteraad: de sgp was bij de verkiezingen in 2014 de grootste partij samen met twee splinterpartijen: Voor Neerijnen, opgericht door oud-journalist Wouter Kurpershoek (import) en Gemeentebelangen Neerijnen. Dan pas volgden zetels voor vvd, cda en pvda. Henk de Jong is zelf burgercommissielid van de pvda, maar schat in dat die trend zal doorzetten. Bij de aankomende landelijke verkiezingen kan dat stemmen voor de pvv betekenen.

Op de vraag of men denkt dat er in het dorp veel voor Wilders gekozen zal worden, antwoordt eenieder volmondig ‘ja’. Of geven hints in die richting. Wigmans zag hoe ‘de uitvinders’ in Den Haag het technisch onderwijs, waar hij werkzaam in was, de nek om draaide. Gelukkig mag hij binnenkort weer stemmen. Of hij al weet waarop? Ja! Zijn ogen glimmen, zijn tafelgenoten lachen. ‘We hebben wel een idee waarop’, zegt een van hen, ‘maar veel mensen durven dat niet te zeggen uit angst voor de reacties.’ Wigmans, vol branie: ‘Als ik de stemwijzer volg, kom ik uit op de Partij voor de Dieren.’ Nu heeft hij echt de lachers op zijn hand, tot het lachen verstomt en overgaat in onderling gemopper op Wakker Dier. ‘Laat ze maar zeggen hoe het anders moet, hoe het beter kan. Ik ben er echt niet bang voor.’

Er was er maar één in Den Haag met wie hij bijzonder veel op had, wil Wigmans nog wel kwijt. Boer Koekoek. Die trok zich nergens wat van aan. Christelijk en rechts kwam hij op voor de boeren in de provincie, ontketende de boerenopstand in 1963, streed samen tegen de overheidsbemoeienis uit Den Haag. Hij zong met Vader Abraham een carnavalslied, is de enige politicus die een nummer-1-hit scoorde. ‘Den Uyl is in den olie. In den olie is Den Uyl. Koekoek. Koekoek. Ja Joop moet in den hoek.’ De blatante onschuld, nu bereid tot een radicale stem.

Na afloop van de maaltijd in het dorpshuis zijn de mensen eruit. Twee dames met hun jas al aan zeggen mijn moeder te kennen van een burenverjaardag. Ik weet wel wie jij bent, zegt een man die ik nog nooit heb gezien. Ik ken jouw zus, die gaat met mijn collega van de vrijwillige brandweer. Een van de gastvrouwen van de avond stelt voor om de oma van een oude verkering op te bellen, die woont maar een paar huizen verderop. Ik ben van harte welkom om volgende maand weer aan te schuiven.