Ik wereldverbeteraar

De studentenbeweging van de jaren zeventig was op het eerste gezicht een grootse triomf. Maar voor veel activisten eindigde de lange mars door de instituties in een moeras van eenzaamheid en liefdesverdriet. In 1981 verscheen ‘Wij wereldverbeteraars’, een opzienbarend boek over de tragiek van de linkse intellectueel. Auteur Eddie Korlaar, tegenwoordig Ed’ Korlaar, blikt terug.
‘IK BEN HUGUES BOEKRAAD nog wel eens tegengekomen. Ik werk nu in de reclame en hij zit in de vormgeverswereld. Het was op het jaarlijkse feest van de grafici, waar allerlei prijzen worden uitgereikt. Hij begon mij ter plekke op een corpsballenmanier af te zeiken en bier over me heen te gooien. Dat ik mijn afkomst had verraden en zo. Ik had toch zo'n stoere bouwvakker als vader. En wie was ik nou helemaal geworden? Ik zat maar wat in de reclame.’

Nee, het komt nooit meer goed tussen Hugues Boekraad en Ed’ Korlaar, oftewel tussen de voormalige leidsman van de Socialistische Uitgeverij Nijmegen (Sun) en de Amsterdamse studentenactivist van wie in 1981 het schotschrift Wij wereldverbeteraars verscheen, waarin hij op even verbeten als amusante wijze de ‘theoretische interventies’ van de Nijmeegse goeroe op de hak nam. Wij wereldverbeteraars trok de slotsom uit ruim tien jaar actievoeren en theoretiseren, tien jaar die crescendo begonnen met het democratiseren van de universiteit, om in mineur te eindigen in het drijfzand van de marxistische muggezifterij. 'Hadden we het doel van onze lange mars inmiddels niet uit het oog verloren?’ vroeg Korlaar zich in gemoede af. 'Waren we niet een doel in zichzelf geworden? Een praktijk in zichzelf? Nieuwe mandarijnen? Een nieuwe elite? Had de strijd tegen rechts plaatsgemaakt voor concurrentie binnen links? Jacht op roem en erkenning? Mannetjesmakerij? Bluf? Angst? Eenzaamheid? Hoogmoed? Desillusie? Het einde van alle idealen, van alle utopieen? Apocalypse Now?’
In Wij wereldverbeteraars gaf Korlaar een stem aan de woede en verbittering die veel studenten ervoeren nadat de 'lange mars door de instituties van het hoger onderwijs’ was geeindigd achter een studeertafel waarop stapels afleveringen van het Sun-blad Te Elfder Ure hen lagen aan te grijnzen. Daar kon het toch onmogelijk om begonnen zijn, om die duizenden pagina’s vol scholastieke haarkloverijen over het marxisme, het stalinisme, het feminisme, Althusser, Gramsci, Foucault en wat Boekraad en de zijnen allemaal nog meer op de agenda van linkse intellectuelen meenden te moeten plaatsen? Wat was er in hemelsnaam misgegaan?
OP DE GEBOORTENGOLF van na de oorlog was Eddie Korlaar in 1968, eenentwintig jaar oud, de universiteit binnengesurfd. Om pardoes in het bezette Maagdenhuis te belanden. Voor hem was dat niet meer dan een vanzelfsprekendheid. Activisme was hem met de paplepel ingegoten. Zijn vader, inderdaad een stoere bouwvakker, was bestuurder van de communistische Bouwbond-EVC. 'In een grote leren jas trok hij langs de bouwwerken om te zeggen dat er gestaakt moest worden, en dan werd er ook gestaakt.’
Zijn politieke vorming ontving de scholier Korlaar in de al even communistische Organisatie voor Progressief Studerende Jongeren. Daar leerde hij om te beginnen demonstreren. 'Dan trok je weer naar een of andere ambassade in Amsterdam-Zuid, en ja hoor, daar kwamen ze al de bocht om, de agenten op hun motoren met zijspan, zwaaiend met de lange lat.’ En daar, in de OPSJ, maakte hij ook kennis met de muzische kant van de wereldverbetering. 'De voorzitter van de OPSJ was Gijs Schreuders. Hij leerde me Bob Dylan kennen, die mijn hele leven als een soort kameraad aan mijn zijde is gebleven. Maar hij bracht me niet alleen in aanraking met Dylan, ook met Brecht, Jaap Fischer, Jacques Brel.’
Daarmee was de kiem gelegd voor het onbehagen dat Korlaar gedurende de hele jaren zeventig zou blijven voelen. 'Er was die gespletenheid, die dubbelheid. Alsof er een kloof dwars door mij heen liep. Aan de ene kant had je dat activisme, dat politieke. Tegelijk zat er ook altijd een literaire kant aan mij. Ik las veel en schreef keurig elke maand recensies voor het blad van de OPSJ. Dat werd op de een of andere manier niet geaccepteerd. Je was of politiek, of literair, je mocht dat vooral niet gaan vermengen.’
Hij probeerde die kloof te overbruggen door Nederlands te gaan studeren. 'De democratisering op het Instituut voor Neerlandistiek werd geinitieerd door een groepje ouderejaars, onder wie Cyrille Offermans en Anthony Mertens. Wij traden vol enthousiasme in hun voetsporen. Maar terwijl wij de democratisering uitbouwden, gingen zij zich uitsluitend bezighouden met inhoudelijke zaken, in hun eigen werkgroepjes. Ze lazen Brecht, Benjamin, Lukacs. Schreven een collectieve scriptie over materialistische literatuurtheorie. Ondertussen zat ik tot over mijn oren in de Asva, de studentenvakbond. En ik nam op een kwaad moment het besluit om over te switchen naar de studie geschiedenis. Ineens was het crisis. Alles viel weg. De “wij” met wie ik bij Neerlandistiek actie had gevoerd, met wie ik mijn finest hours had beleefd, was verdwenen. Plotseling zat ik eenzaam thuis achter de boeken. Dat was schrikken.
Er was ook geen gemeenschappelijke vijand meer. De vermolmde structuren waren een eindweegs gedemocratiseerd, Den Uyl was geen duidelijke politieke tegenstander, de oorlog in Vietnam liep af. En toen vielen tot overmaat van ramp de Russen ook nog Afganistan binnen.
Het wetenschappelijke debat kon me niet echt bevredigen. Het gaf me niet het nieuwe houvast dat ik zocht. Ik deed er wel heftig aan mee. Ik liep twee keer per dag naar het Athenaeum Nieuwscentrum op het Spui om te kijken of er weer een nieuw boekje van de Sun lag, en als dat het geval was, las ik het onmiddellijk. Maar wat leverde het op? Niets! Woorden, woorden, woorden en verder niets.’
DE WERELD DIE in het begin van de jaren zeventig voor Korlaar nog zo 'heel’ en vanzelfsprekend had geleken, vergruisde. De 'wij’ die met speels elan wel even de wereld zou verbeteren, viel uiteen. En ook in het priveleven liepen de zaken op de klippen. Maar daarover las je niets in al die traktaten uit het Nijmeegse. 'In de tweede helft van de jaren zeventig werd ik vreselijk ongelukkig. Ik bleef heel lang op mijn bed liggen, eenzaam en alleen. Ik schreef nog wel eens een stuk voor het blad Student - dat gooide je ’s avonds ergens in een brievenbus en dan vond je het twee dagen later in gedrukte vorm op je eigen deurmat weer terug. Dat was het dan.
Maar toen kwam de roman Lenz van Peter Schneider. Die man, die hoofdpersoon, had het allemaal door. Die werd doodziek van die vreselijke debatten in Berlijn, dat abstracte geredekavel. Nooit ging het over je persoonlijke moeilijkheden. In Italie, waar hij toen heen ging, was het allemaal anders. Daar legde tenminste iemand nog wel eens een arm over je schouder. Dat vond ik prachtig, daar kwam het allemaal bij elkaar, het persoonlijke en het politieke.
En Dylan kwam weer terug. In het begin van de jaren zeventig was hij even weggezakt. Maar ineens was hij er weer, met Blood on the Tracks, een elpee vol liefdessmart, woede, haat en verlatingsangst. Dat was allemaal op mij van toepassing.
Verlatingsangst, ja, ook in de liefde. Want het feminisme was gekomen, halverwege de jaren zeventig, en dat maakte de zaken er niet eenvoudiger op. In het begin van de jaren zeventig had ik vriendinnen die uit de beweging kwamen; die mochten dan mijn stukken lezen, zeggen hoe goed ze ze vonden. Het feminisme, dat was wennen. Ineens was je niet meer het mannetje. Die vrouwen interesseerden zich niet meer zo voor die mooie stukken van mij, die gingen zelf stukken schrijven, en daar moest ik me dan voor interesseren. Het heeft me veel moeite gekost om dat te leren.
Later heb ik ook heel even in een mannenpraatgroep gezeten, in 1978 ongeveer. Daar moest je het over jezelf hebben, maar daar was ik niet goed in. Je moest ook lief tegen elkaar doen, dat vond ik vreselijk. Het thema van die praatgroep was “mannen en wetenschap”: hoe gaan we als man met de wetenschap om? Al dat haantjesgedrag gingen we aan de kaak stellen, vooral bij onszelf. Maar het lukte niet, ik miste het vertrouwen. Ik voelde me er niet veilig genoeg, geloof ik.
Eigenlijk viel ik ook een beetje uit de toon tussen die mensen. De meeste studenten in de beweging kwamen niet, zoals ik, uit een communistisch milieu. Voor hen betekende de beweging een radicale breuk met hun achtergrond. Ik heb die breuk nooit hoeven te voltrekken, in die zin ben ik eigenlijk ook nooit volwassen geworden. Ik ben in een politiek, cultureel, ideologisch “wij” opgegroeid: CPN, studentenbeweging, linkse wetenschap. Voor je je daar uit los kunt maken, ja, daar gaat echt een hele tijd mee heen.
Ik heb om me heen wel een aantal mensen in het crisiscentrum zien eindigen. En zelf ben ik er ook wel eens erg slecht aan toe geweest. Ik heb daar wel hulp voor gezocht. Groepstherapie, even, een half jaar. Te veel rare gedachten. Zo van: zullen we er maar mee ophouden? Er komt nu een tram aan op het Spui, daar kan ik voor gaan liggen. Er was echt veel aan de hand met me, meer dan ik in Wij wereldverbeteraars heb geschreven. Daar zoek ik nog veel te veel naar politieke verklaringen, hoe correct mijn analyse ook is. Natuurlijk waren er ook allemaal dingen aan de hand met mijn pappie en mammie, daar heb ik het helemaal niet over. Maar ik was vooral heel eenzaam.’
LANGZAAM, HEEL langzaam klom Korlaar uit het dal van de jaren zeventig omhoog. Hij vatte de studie weer serieus bij de horens ('Ik zette me aan de taak een doctoraalscriptie, een dissertatie en een biografie ineen te schrijven over Jan Romein’), hij publiceerde tussen neus en lippen door Wij wereldverbeteraars ('Een grote schoonmaak, ik was in een keer genezen van het telkens weer verorberen van al die “theoretische interventies”, het hoefde allemaal niet meer’), studeerde ondertussen ook nog af, en na verloop van tijd kwam er zelfs werk in zicht.
'Dat moest ook wel. Ik had in de jaren zeventig eerst van een beurs geleefd, toen van een assistentschap aan de universiteit, daarna RWW, WWV, bijstand - Den Uyl, bedankt hoor! Mijn vrienden hadden ondertussen allemaal werk: in de journalistiek, de politiek, de vakbeweging. Die hadden geld, terwijl ik echt heel arm was, ik kon niet eens naar het cafe. Ik ging copywriten voor reclamebureaus, IBM was een van mijn eerste opdrachtgevers. Dat had ik te danken aan een oud vriendje van me uit de OPSJ, iemand die zichzelf nog steeds communist noemde maar inmiddels directeur was van een reclamebureau. Hij bood me de kans het vak te leren. Inmiddels ben ik vast in dienst bij een van de beste reclamebureaus van Nederland, PMS, een bureau waar je nog de ruimte hebt om mooie dingen te doen - kijk maar naar de reclames voor Droste, Mazda, Daf.
De jaren zeventig mogen dan heel vormend voor me zijn geweest, ze waren ook heel mis-vormend. Ik was vooral theoretisch bezig - en ik was daar niet eens slecht in, helemaal achterlijk ben ik niet - maar dat werkte misvormend in de zin dat ik het muzische in me zelf heel erg heb weggedrukt. Ik ging Nederlands studeren omdat ik veel van literatuur hield. Maar in die tijd moest je literatuur vooral in haar historische context zien, en voor je er erg in had, ging het alleen nog maar over die context. Toen ging ik, heel consequent, geschiedenis studeren. Het was echt een patroon: ik bande het muzische steeds verder uit. Tot het me opbrak.
Dat muzische heb ik stap voor stap weer in mijn leven teruggehaald. Dylan speelt daar een belangrijke rol in. Ik ben nu al vier jaar bezig met het vertalen van zijn songteksten, over een paar jaar ligt er een boek. Niet omdat hij, zoals sommigen menen, zo'n groot dichter is - voor mij is hij gewoon een liedjeszanger. Nee, ik wil nu wel eens gewoon op papier zien wat hij precies gezegd heeft. Er komt toch ook een boek uit met teksten van De Dijk? Waarom dan niet van Dylan?’
Dylan, die ging toch op een gegeven moment heel religieus doen?
'Ja, maar hij doet dat op een manier die ik inmiddels heel goed begrijp.’
Ben je zelf dan nooit in de religieuze verleiding gekomen?
'Ach nee, dat niet. Ik ben wel door Dylan de bijbel gaan lezen. Hij verwijst er veel naar, dat moet ik bij het vertalen allemaal nazoeken. Het zijn mooie verhalen, heel symbolisch en metaforisch. Ik was er graag mee opgegroeid, liever dan met al die bouwvakkers die in de huiskamer zaten te overleggen waar er nu weer gestaakt moest worden, terwijl ik in de kamer ernaast in mijn bedje lag.’
KORLAARS MUZISCHE helden, dat zijn vooral de grote poeten van het protest. 'Jack Kerouac natuurlijk. En in Nederland Simon Vinkenoog, die gaat maar door - die was er altijd, is er nog steeds en zal er altijd blijven. Net als zijn Amerikaanse pendant, Allen Ginsberg. Samen met Ko Dieleman heb ik me nog niet zo lang geleden gestort op het gedicht Howl van Allen Ginsberg, dat eerder al eens vertaald was door Simon Vinkenoog. We hebben dat grote, sterke gedicht uit de jaren vijftig helemaal hervertaald. We hebben het verplaatst naar Amsterdam, naar de jaren zestig, zeventig. Daar hebben we een mooi boekje van gemaakt: Howl/Auw (uitgegeven door uitgeverij Kokadorus in 1992 - av). Howl had een reputatie, het was hartstochtelijk, schokkend, vunzig, onomwonden, het ging over seks, over herenliefde. Het maakte me duidelijk dat er altijd al een onderstroom is geweest, er is altijd al een subcultuur, een margecultuur geweest, er zijn altijd al rebellen en opstandelingen geweest. En het zal altijd zo blijven. Maar het zal ook nooit meer worden dan dat. De vorm is telkens anders, maar het begint altijd met nee zeggen, met opstand, met schaamteloze kritiek.
Eigenlijk is het wel verbazingwekkend hoe weinig literatuur de jaren zeventig hebben opgeleverd. Ik bedoel, er zijn geen literaire werken waarin het persoonlijke en het politieke bij elkaar worden gebracht, zoals in Schneiders Lenz. Daarvoor moeten we kennelijk wachten op Van der Heijdens Onder de tegels het moeras, dat ongetwijfeld over die tijd zal gaan. Ja, de Sun kwam ineens met die dikke turf over de vroeg gestorven schrijver/dichter/vertaler Pe Hawinkels. Maar wie was die Hawinkels nu helemaal? Toch niet meer dan een lokale held.
De Amsterdamse beweging bracht niet dat soort figuren voort, ze had er trouwens ook geen oog voor. In het Amsterdams dodenboekje van Hans Plomp komt wel ene Jan Michel voor, een jongen uit de SVB, de Studenten Vakbeweging uit de jaren zestig. Hij was daar een briljante secretaris onderwijs. Daar identificeerde ik me wel mee. Die zat de helft van het jaar in een commune in Eilat, blowde veel, en is op een gegeven moment uit het raam gestapt.’
VOELT KORLAAR ZICH eigenlijk nog wel thuis in de wereld van nu? Of zou hij de jaren zeventig het liefst overdoen?
'Nou, de wereld is er sindsdien niet op vooruitgegaan. Steeds meer zwervers op straat. En die atoombommen die zomaar tot ontploffing worden gebracht zonder dat de mensen er massaal de straat voor opgaan - in de jaren zeventig kwamen er duizenden mensen op de been voor een atoomwapen dat nota bene nog niet eens bestond, dat nog in ontwikkeling was; nu komt er alleen maar een handjevol drieste punks opdraven. Over werkloosheid wordt zelfs helemaal niet meer gepraat, sinds paars aan de macht is. En er is sprake van een gigantische analfabetisering door de televisie.
Nee, welbeschouwd voel ik me niet echt thuis in de wereld van nu. Net zomin als ik me thuis voelde in de jaren zeventig. Ik voel me alleen maar thuis in mijn eigen huis.’