Opheffer

ik wil columns schrijven

Ik geloof oprecht dat moslims gediscrimineerd worden. Ik discrimineer ze – ik bestrijd namelijk hun geloof. Met argumenten, niet met geweld. Ik wil het geloof van moslims, door middel van die argumenten, voor gek zetten, ik wil met hyper bolen en ironie hun godsdienst relativeren, op precies dezelfde wijze zoals ik dat met het katholicisme of het protestantisme zou willen doen. Er is een verschil: ik heb op het ogenblik een te geringe reden om het christendom te bekritiseren, terwijl ik vele redenen heb om het moslimgeloof op de schop te nemen.

Misschien is wel het gezaghebbendste argument om deze godsdienst krachtig met argumenten te bestrijden het feit dat het ventileren van bovenstaande ideeën gevaarlijk is: mijn vrienden worden er door die moslims om vermoord of bedreigd.

Misschien heb ik gebrek aan kennis over het moslimgeloof. Kan best, hoewel mijn vader, als indoloog, ook islamist was en hij mij er veel over vertelde. De koran was bij ons in huis, evenals het werk van Snouck Hourgonje. We hadden wel zes bijbels in de boekenkast staan.

Desondanks kan mijn desinteresse er de oorzaak van zijn dat ik er te weinig van weet.

Maar hoe komt het dan dat ik wel het een en ander weet van het christendom, terwijl mijn ouders overtuigde humanisten waren?

Dat komt doordat ik soms in aanraking kwam met een christelijke jeugdbond. Ik zag christelijke politieke partijen, ik discussieerde met christelijke studenten die verenigd waren in een christelijke studentenvereniging. Ik voetbalde tegen katholieke voetbalverenigingen, ik kreeg post en bedelbrieven van protestantse verenigingen die armen en zieken wilden helpen, ik zag regelmatig potjes van de missie, ik moest mijn dochter afhalen bij een katholieke school waar ze muziekles kreeg, ik volgde zelf wiskundige-economiecolleges in een protestantse basisschool met de bijbel. Hoe vaak heb ik niet het Leger des Heils gezien (tegenwoordig helaas te weinig). Toen ik zelf televisieprogramma’s maakte, nodigde ik vaak de brassband van het Leger des Heils uit, want ik hoorde graag Bach uit die koperen trompetten klinken. Hoe vaak heb ik ’s ochtends niet de deur opengedaan voor De Wachttoren van de Jehova’s getuigen die ik dan vervloekte.

Zo kwam het christendom tot mij – het was om mij heen, het bedreigde mij niet, het probeerde mij hoogstens te bekeren – zonder geweld en, eerlijk is eerlijk, soms ook wel blind voor de agressieve en gewelddadige geschiedenis van hun voorouders.

Voorouders – mijn voorouders waren Nederduits Hervormd – konden er ook wat van. Ook heb ik katholieken en hugenoten in mijn familie. En onder mijn vrienden zijn er zelfs die na verloop van tijd zich ook daad werkelijk hebben laten bekeren, hoewel ze niet in God geloven en geloofden – wat mogelijk schijnt te zijn.

Het christendom zit dus in me, aan me, en ik voel me vrij erover te denken en te spreken.

Maar wat merk ik van de moslims?

Tot op de dag van vandaag word ik – als vriend van Theo van Gogh – in het park of tijdens wandelingen in de stad vaak uitgescholden door moslims. Ik word ook wel eens vriendelijk toegeknikt en men praat wel eens met mij – ik begrijp dat je als gewone moslim niet direct met de vriend van Theo van Gogh gaat spreken – maar het meest word ik toch onvriendelijk nageroepen. («Jij vriend van Theo van Gogh, jou moeten ze ook de keel afsnijden!»)

Ondertussen verdiep ik mij in de materie van de moslimjongeren. Ik wil iets begrijpen, maar ik kom steeds tot de vraag: willen de moslims dat ook, zich verdiepen in mijn cultuur? Dus: in het moderne humanisme? Hoe dan? Hoe merk ik dat? Ja, een enkeling, maar verder? Geen moslimverenigingen, geen moslimstudentenvereniging, geen moslim-Leger des Heils. Waar is dat geloof eigenlijk? En waar staat het in de praktijk voor? Ik zou het niet echt weten.

Ik geloof niet meer in de theorie van «als we ze maar werk geven, komt het goed», of omgekeerd: «natuurlijk worden ze agressief en fundamentalistisch als ze de taal nauwelijks spreken en geen werk hebben». Het heeft er misschien wel iets mee te maken, maar het is niet het grote probleem. Hoe kan het dan, blijf ik herhalen, dat we in Amsterdam met 170 nieuwe nationaliteiten van doen hebben, en dat we er maar van een paar «last» hebben? En hoe komt het dan dat de fundamentalisten die we kennen juist een goede opleiding hebben? Dat geldt zowel voor Bin Laden als voor Mohammed B.

Ik vind het niet erg om in een stad te wonen met islamieten. Net zo min als ik het erg vind om in een stad te wonen met welk geloof dan ook. Als ik me godverdomme maar niet bedreigd hoef te voelen.

Bedreigingen zijn de poor man’s arms die uit het vet worden gehaald wanneer «zij» zich bedreigd voelen. En ik begrijp waardoor zij zich bedreigd voelen. Door de, wat Reve ergens noemt: decadentia bestiale. Honden bezitters, homohuwelijk, hoeren.

Het is nu vier jaar na 11 september. Er is een lijn te trekken van de Twin Towers naar Theo van Gogh. Er is niet «niets aan de hand». Het is ook niet zo dat het «wel meevalt». Er zijn uitwassen die rechtvaardigen dat je het moslimgeloof kritisch moet benaderden, bestrijden zelfs tot het ongevaarlijk is – met alle middelen die overtuigen, behalve geweld.

Ik ben geen jakobijn, ik ben geen fundamentalistische godsdienstbestrijder, ik wil columns schrijven, soms fel, soms vuil, soms grappig, soms boertig, ik wil films maken, politiek bedrijven. Pas in laatste instantie, als mijn vrijheid zodanig beperkt wordt dat ik me moet verbergen en mijn geestverwanten op een niet te rechtvaardigen wijze worden vermoord, zal ik mij daadwerkelijk wapenen met meer dan woorden. Maar verder dan een draai om iemands oren wil ik dan niet gaan.