Over de terreur van Stalin:

Ik wil dat de hele wereld dit weet

In de roman Didar & Faroek verhaalt Sana Valiulina van een van de duisterste perioden van de Stalin-terreur, de periode die haar ouders aan den lijve ondervonden. Een gesprek.

Ruim drie jaar werkte ze aan het boek dat ze altijd al wilde schrijven. Eerst verschenen van haar de roman Het kruis (2000) en de verhalenbundel Vanuit nergens met liefde (2002), beide in het Nederlands geschreven, terwijl dat niet haar moedertaal is. Tataarse van afkomst, woonde Sana Valiulina (41) tot haar zeventiende in Estland. Tijdens haar studie Noorse taal- en letterkunde in Moskou ontmoette ze een Nederlandse slavist. Inmiddels is het zeventien jaar geleden dat ze toestemming kreeg hem te volgen naar Amsterdam en hebben ze een dochter van zestien. Deze week verschijnt haar roman Didar & Faroek, een episch liefdesverhaal waarin de twintigste-eeuwse Russische geschiedenis van oorlog en terreur op een volkomen natuurlijke manier wordt verbonden met de persoonlijke ontwikkeling van twee jonge mensen. De roman roept reminiscenties op aan de grote Russische verteltraditie, maar heeft tegelijkertijd een opvallend lichte toon. Een prestatie, want de roman verhaalt van een van de duisterste perioden van de Stalin-terreur, de periode die Valiulina’s ouders aan den lijve ondervonden.

Haar moeder kwam als zeventienjarig meisje in Estland terecht vanuit Leningrad, toen een veilig heenkomen gezocht moest worden tegen de oprukkende Duitsers. Haar vader belandde in de Tweede Wereldoorlog als krijgsgevangene in Frankrijk en Engeland, en werd na zijn repatriëring nog eens tien jaar lang door Stalin vastgezet in een kamp. Rusland had immers geen krijgsgevangenen, alleen verraders. In tegenstelling tot haar moeder, die graag en veel vertelde over haar gelukkige jeugdjaren, deed haar vader er voorgoed het zwijgen toe. Zeven jaar geleden stierf hij een onverwachte dood als gevolg van een zwempartij.

«Mijn vader had een soort roekeloosheid over zich», vertelt Valiulina. «Toen we een keer samen met vakantie waren, op de Krim, was hij ook al bijna verdronken. Er waren heel hoge golven, maar hij trok zich nergens wat van aan. Toevallig zaten er reddingswerkers op het strand, het was hun vrije dag. Die mannen zijn de zee in gesprongen en hebben hem eruit gehaald. Ik was toen twaalf en mocht niks aan mijn moeder zeggen. Hij had iets met de zee.»

Haar boek had hij prachtig gevonden, dat weet ze zeker. Alleen al om het feit dat zij dit geschreven had. Haar moeder woont nog steeds in Talinn, sinds kort in een verzorgingstehuis: «Ze is licht dementerend. Als ik haar aan de telefoon heb en zeg dat mijn boek uitkomt, is ze telkens weer oprecht verrast en blij.»

Met de publicatie van Didar & Faroek heeft Valiulina het gevoel een taak te hebben volbracht. Al lang wist ze dat ze wilde schrijven over de wisselwerking tussen de mens en zijn tijd, en dat ze dat wilde doen aan de hand van de geschiedenis van haar ouders, die nauw verbonden is met die van Rusland. Maar hoe, dat was de vraag waar ze zich de afgelopen jaren het hoofd over brak. Haar grootste angst was om te vervallen in clichés.

Nu slaat ze met trots haar boek open en wijst op de passages waar ze het meest tevreden over is. Bijvoorbeeld het hoofdstuk waarin Faroek wordt gedropt als parachutist ergens in het Russische achterland en zijn weg zoekt in de besneeuwde duisternis. En het hoofdstuk waarin hij gevangen zit in een Duits kamp en een reddingsactie onderneemt voor een joodse medegevangene. Zwart en tegelijkertijd geestig zijn de beschrijvingen van de belevenissen van Didar in het pionierskamp, waar als meloenen uitgedoste pioniers uitbeelden dat ze niet door luie individuele boeren, maar wel door enthousiaste kolchozianen geplukt willen worden.

Het verhaal verspringt niet alleen hoofdstuksgewijs tussen het perspectief van Didar en Faroek, maar ook in de tijd. Eind jaren vijftig ontmoeten Didar en Faroek elkaar op het station van Moskou, na jarenlang alleen met elkaar te hebben gecorrespondeerd. De overkoepelende spanningsboog van de roman wordt gevormd door de aloude kwestie: krijgen ze elkaar of niet? Tussentijds schakelt de schrijfster ogenschijnlijk moeiteloos van bombardementen in Leningrad naar spirituele soldatenervaringen in de Parijse Notre Dame.

Sana Valiulina: «Het is een vreselijk verhaal, maar tegelijkertijd is het een prachtig verhaal. Vooral in de hoofdstukken over de oorlog heb ik mijn best gedaan het zware thema lichter te maken. Het heeft mij altijd gefascineerd dat mijn moeder zo vol vuur over haar jeugd kon vertellen, terwijl het toch ook een vreselijke tijd was. Ze kan nog steeds lyrisch vertellen over de pionierskampen bijvoorbeeld, het was een grote eer om daar naartoe te worden gezonden, en tegelijkertijd windt ze geen doekjes om wat er in werkelijkheid gebeurd is. Ze weet alles over de kampen. Het kan blijkbaar, dezelfde periode aanbidden en verafschuwen. Ze heeft haar ouders en haar broer verloren in de oorlog, maar is er dankzij haar mentaliteit tamelijk ongeschonden uitgekomen. Mijn vader daarentegen heeft nooit iets verteld over zijn oorlogservaringen en daarna. Ik denk dat hij veel verdrongen heeft. Het was onmogelijk met hem daarover te praten. Dat kon je van hem ook niet eisen. Hij had het recht op zwijgen. Je kúnt ook niet over alles praten, soms moet je gewoon je mond houden. In een roman echter kun je alles vatten. De tegenstrijdigheden, de raadsels, het zwarte gat. Mijn vader heeft waarschijnlijk altijd dingen ontkend en verdrongen. In zijn plaats heb ik al die dingen te voorschijn gehaald. Maar dan op mijn manier.»

In eerste instantie is Valiulina vooral heel veel gaan lezen. Achter in haar roman staat een lijstje van de historische en documentaire werken die haar hebben gevoed. Sana Valiulina: «Ik dacht: hoe moet ik over de oorlog schrijven? De oorlog is zo groot. Ik heb veel memoires gelezen, veel boeken over de luchtbrigade, hoe gaat dat in zijn werk, hoe worden mensen gedropt, hoe ga je met een parachute om? De oorlog is ook zo ideologisch beladen, zeker gezien de indoctrinatie die wij als kind hebben gehad. Ik ben eerst heel zakelijk informatie gaan verzamelen, om een ingang te vinden tot het grote geheel. Ik werk niet met schema’s. Mijn houvast was het traject van Faroek, dat wilde ik volgen. Dat is een soort odyssee, en ik moest die odyssee samen met hem volgen. Uiteindelijk heb ik niks verzonnen, ik heb alleen een verhaal bedacht om het grote geheel te verkleinen. Ik ben me erg bewust van sentimentaliteit. Aan de andere kant: Dostojevski schuwde ook de sentimentaliteit niet. In De gebroeders Karamazov zet hij schoentjes van een net gestorven jongetje op de gang en laat zijn vader bij de aanblik daarvan in tranen uitbarsten. Wat is er mis mee? In literatuur kun je alles doen, vind ik, het is maar net hoe je het doet en in welke context. Je moet het weten te doseren. Ik wilde een boek maken voor alle mensen, ook voor mensen die niks van Rusland weten en die dan toch geraakt worden.»

Al woont ze er al een tijd niet meer, Valiulina kan zich nog steeds mateloos opwinden over Rusland, over hoe het land er nu aan toe is en hoe het omgaat met zijn verleden: «Niemand heeft het erover dat er na de oorlog twee miljoen Russen gevangen zijn gezet – in totaal waren er ruim vijf miljoen krijgsgevangenen, van wie drie miljoen hun krijgsgevangenschap niet hebben overleefd – zeker nu niet met die cultus van overwinning en imperialistische ambities. De hele categorie krijgsgevangene bestond tot voor kort niet. Pas in 1994 werd er iets over vermeld in de grote encyclopedie van de grote vaderlandse oorlog. Moet je nagaan: al die mensen, die zich altijd hebben geschaamd, bestaan pas sinds twaalf jaar. Het klinkt idioot, want ik vind niet dat een schrijver een missie moet hebben, maar toch heb ik dat enigszins. Ik wilde zo graag de dingen zwart op wit hebben, zo graag vertellen hoe het er in werkelijkheid aan toe ging. Misschien is dat iets wat me toch heeft voortgedreven: de hele wereld moet dit weten.»

In haar missie werd Valiulina drie jaar geleden onverwacht gesterkt door een wonderbaarlijke gebeurtenis. Ze ging met man en kind op vakantie naar Normandië uit behoefte rond te kijken op plekken waar haar vader moest zijn geweest. De enige informatie die ze uit hem had weten te trekken was dat hij daar in opdracht van de Duitsers allerlei boodschappen moest doorgeven aan de plaatselijke bevolking. In het oorlogsmuseum van Bayeux liep ze langzaam langs de vitrines, tot ze op de afdeling Russians in Normandy opeens door haar man werd geattendeerd op een krantenknipsel uit het Amerikaanse tijdschrift Yank. Het was een groot stuk, gelardeerd met foto’s, daterend van de zomer van 1944. Met stijgende opwinding las Valiulina het interview met twee Russische krijgsgevangenen die als lifter waren opgepikt door een stel Amerikaanse chirurgen.

Sana Valiulina: «Het ging gewoon over mijn vader! Zijn naam stond erin, en ik herkende hem op de foto’s. Geëmotioneerd liet ik me bij de directeur vervoegen, die me probeerde te kalmeren en duidelijk te maken dat hij niet zomaar dat artikel aan mij mee kon geven. Na heel veel gedoe heb ik een kopie thuis gekregen. Ik was al bezig met het boek, maar toen wist ik zeker: ik zit op het goede pad. Hij is er echt geweest. Dat verhaal in Parijs heb ik verzonnen, het enige wat hij zich tegen mij had laten ontvallen was dat hij wel eens in Parijs was geweest.»

Samen met een Parisienne bezoekt Faroek de Notre Dame en wordt aldaar bij de aanblik van de gewelven overvallen door een kosmische ervaring die lijkt op wat hij eerder beleefde tijdens een verblijf als kind in een tbc-kliniek. De eigen kosmografie van Faroek vormt een belangrijke rode draad in de roman. Tegelijkertijd is dit het moeilijkste deel voor de schrijfster om toe te lichten: «Het is bijna te intiem om over te praten, intiemer dan als we het over mijn seksuele ervaringen zouden hebben. Faroek beseft als hij in de Notre Dame staat dat de mens de hele schepping in zich kan dragen. Dat niet alleen de mens deel is van de schepping, maar de schepping ook deel van de mens. De absolute wereld van Stalin trekt hij in twijfel door zijn eigen kosmografie te verzinnen. Dat is het begin van vrijheid. De oude marxistische redenering is dat de realiteit je bewustzijn bepaalt. Faroek ziet dat het ook andersom kan zijn, dat je bewustzijn je wezen bepaalt. Dat wil zeggen dat de mens vrij kan zijn. De ontdekking van de hemel is voor Faroek de ontdekking van de wereld. Hij biedt het hoofd aan een systeem dat uit is op ontmenselijking, zonder dat hij daartoe bijzonder is uitgerust. Hij is niet bijzonder geleerd, hij is geen dissident, het is iets puur instinctiefs. Hij vertegenwoordigt iets wat ik ‹morele vitaliteit› noem. Het is het enige wat je rest in een tijd van massale fysieke vernietiging. Het enige wat je kunt doen is proberen mens te blijven. En dat is heel veel.»

De inzet waarmee Valiulina haar roman schreef was hoog, ondanks haar aarzeling bij termen als «ambitie» en «missie». Het schrijven is haar zwaar gevallen, zowel fysiek als emotioneel. Hoe je het ook wendt of keert, ze richtte een monument op voor haar ouders, maar besefte daarbij onmiddellijk dat haar ouders ook maar weer twee uit talloos veel miljoenen waren. Dus eigenlijk werkte ze aan een monument voor talloos veel miljoenen. De miljoenen die zijn doordrenkt van de stalinistische gedachte dat niemand onvervangbaar is.

«Mijn moeder en mijn zus kunnen mijn boek niet lezen. Dat is heel erg. Soms denk ik dat het ook heel erg is dat ik niet in mijn moedertaal schrijf. Het geeft me echter ook vrijheid. Als ik het in het Russisch had geschreven, was het een ander boek geworden. Ik ben opgevoed in de schaduw van de grote geesten, en was misschien ten onder gegaan aan faalangst. Aan de andere kant blijk ik mijn roman nu toch ook in een soort afleveringen te hebben geschreven, net zoals Dostojevski en Tolstoj dat deden. Ik vind het prettig om te bedenken dat ik niet alleen ben. Dat ik onbewust toch een soort traditie voortzet. Tijdens het schrijven was het net alsof mijn literaire geheugen wakker werd. In het hoofdstuk over het pionierskamp werd ik heimelijk gedreven door een Georgisch epos uit de vroege Middeleeuwen. Daarin bestaan de ideale, de realistische en de demonische wereld moeiteloos naast elkaar. Mijn taak was het om te laten zien hoe afschuwelijk die ideale wereld kon zijn. Volgens mij kan dat alleen door het schrijven. Zo zou ik het nooit kunnen vertellen. Praten is alleen maar geklets. Dat vind ik zo mooi aan schrijven: ik ontdoe me van geklets. Maar zwaar is het wel. Dit boek is voor mij toch een beetje… Ik denk dat het voor mij emotionerend is, omdat ik er vandaan kom. Dit zijn mijn wortels. Ik ben niet voor niets weggegaan uit Rusland, het is een land waar mensen in een verschrikkelijke ‹existentiële kou› zijn gezet, zoals Jozef Brodsky het zo treffend heeft geformuleerd. In zekere zin keer ik terug door middel van dit schrijven. Misschien deed ik het een beetje voor mijn vader.»

Sana Valiulina

Didar & Faroek

Meulenhoff, 429 blz., € 19,90