Interview met Hans Aarsman

‘Ik wil de fotografie opengooien’

Van een idealistische fotograaf veranderde Hans Aarsman in een columnist die de dagelijkse stroom nieuwsfoto’s kritisch tegen het licht houdt. ‘Waarom zou je naar Gaza gaan? Wat heb je daar te zoeken?’

IEDERE VRIJDAGMIDDAG, zo rond een uur of vijf, fietst Hans Aarsman van zijn huis naar het PCM-gebouw op het Oosterdok in Amsterdam-Oost. Hij haalt zijn toegangspasje te voorschijn, baant zich een weg door het stelsel van gangen en trappen, stapt de burelen van de Volkskrant binnen en begroet de avondploeg. Daarna installeert Aarsman zich op de fotoredactie. Hij zet een van de computers met breedbeeldscherm aan en klikt door naar het aanbod van de fotopersbureaus van de afgelopen week. De oogst is gevarieerd: politici achter een microfoon, modellen op de catwalk, acteurs en actrices. De meeste foto’s klikt Aarsman direct weg, maar soms blijft zijn blik hangen. Interessante beelden worden apart gezet en uitvergroot en eindigen na een nauwkeurige inspectie in een speciaal mapje.
Na een avondje beelden kijken heeft Aarsman zo’n vijfhonderd foto’s. Hieruit kiest hij na lang wikken en wegen één exemplaar voor De Aarsman Collectie, zijn wekelijkse fotocolumn in de kunstbijlage van de Volkskrant. Het zijn puntige, scherpe analyses, nu eens droogkomisch dan weer emotioneel, met een grote diversiteit aan onderwerpen: het decolleté van Sophia Loren, rouwende Congolezen, paus Benedictus XVI in Auschwitz. Aarsmans beschikt over een Sherlock Holmes-achtig talent om schijnbaar onbetekenende details op te merken, die bij nadere beschouwing de betekenis van de foto doen kantelen. De lezer kijkt mee en denkt: verdraaid! Om zich vervolgens af te vragen: waarom heb ik dat zelf niet gezien?

VROEGER, vertelt Aarsman (1951), een slungelachtige man, haalde hij zijn toevoer uit kranten en tijdschriften, maar kijken naar het aanbod van persbureaus als ANP, AFP, AP, Getty en Reuters werkt veel beter. Je hebt een groter aanbod – op een avond passeren zo’n twintigduizend foto’s – en, belangrijker, er heeft geen voorselectie plaatsgevonden. Aarsman ziet alles, rijp en groen, inclusief beelden die te smerig of gewelddadig zijn om ooit het krantenpapier te halen. Laatst bijvoorbeeld nog ‘een foto van een losgeraakt hoofd, er hing nog een lap vel met borsthaar aan. Gruwelijk, ja – maar ik wil het wel zien.’ Eigenlijk vindt hij het maar raar dat Nederlandse kranten zulke afbeeldingen niet plaatsen: ‘Een groot deel van de wereldbevolking zit permanent in de shit, mogen wij tijdens het ontbijt dan ook een klein prikje voelen?’
Zijn rubriek heeft Aarsmans blik op de media veranderd. Hij is sceptischer geworden, argwanender: ‘Bij ieder beeld dat ik in de krant zie staan vraag ik me af: waarom wordt dit hier verteld? Wie heeft er belang bij dat ik dit zie?’ Als voorbeeld geeft hij de EU-top: ‘Wat is daar nu precies de functie van? Is het een reclameboodschap voor een instituut – “jongens, we zijn er nog!” – of wordt daar ook nog iets besproken?’ De conclusie is ontnuchterend: ‘Het gros van de fotojournalistiek is agendajournalistiek: nieuws dat enkel bestaat om nieuws te worden.’ Daarbij laten de meeste fotografen zich te gemakkelijk leiden door de politiek: ‘De persvoorlichter doet een paar telefoontjes, en ja hoor: er staan weer tien van die kerels op een rij. Geen wonder dat alle kranten zo op elkaar lijken.’
Juist daarom heeft hij er aardigheid in om mensen bewust te maken van de journalistieke mechanismen. De combinatie van beeld en tekst is daarvoor het perfecte medium: ‘Met tekst alleen kan dat niet. Tekst zegt: “Er was een EU-top, die en die waren erbij.” Maar beeld is deconstrueerbaar: het geeft dingen prijs die de maker er niet bewust in heeft gelegd. Een geforceerde blik, een moeizame handdruk – zulke details zijn vaak interessanter dan het officiële verhaal.’
AARSMANS analyses zijn geen gepraat vanaf de zijlijn: hij kent de valkuilen en dubbele bodems. Jarenlang was hij fotojournalist voor kranten als De Groene Amsterdammer en Trouw – als autonoom fotograaf heeft hij enkele klassieke fotoboeken op zijn naam staan, waaronder Hollandse taferelen, een iconografie van provinciaal Nederland die inmiddels bijna een cultstatus heeft bereikt. Zijn carrière begon begin jaren tachtig als freelancer voor Nieuwe Revu: ‘Die hanteerden toen nog de zogenaamde sandwichformule: seks, socialisme, sensatie. In het hart van het blad las je dan een reportage over de strijd tussen de Walen en de Vlamingen, maar op de cover stond een vrouw in haar blote kont, die je met zo’n geile blik aankeek. Reportages van vijftien pagina’s waren geen uitzondering.’
In het begin was hij idealistisch – ‘Ik dacht dat je door misstanden in beeld te brengen ze ook kon veranderen’ – maar dat botste al snel op de pragmatische realiteit: ‘Een van mijn eerste opdrachten was een aardbeving in Italië. In het vliegtuig ontmoette ik de journalist met wie ik zou samenwerken. Hij had een plannetje bedacht: we zouden lekker eten kopen en dat aan die mensen geven. Wanneer ze begonnen te huilen van dankbaarheid moest ik foto’s maken. Ik zei direct: daar begin ik niet aan.’
Eigenlijk heeft hij de fotojournalistiek altijd een dubieus ambacht gevonden: ‘Iemand die zijn eigen leven fotografeert begrijp ik. Maar iemand die het leven van een ander vastlegt? Waarom zou je naar Gaza gaan? Wat heb je daar te zoeken?’ Langzaam groeide de aversie tegen het genre. Halverwege de jaren tachtig sloeg Aarsman een andere koers in: ‘Mijn voorbeeld was Garry Winogrand, een Amerikaanse fotograaf die de documentaire fotografie persoonlijk maakte. Een man die in de zinloze chaos van het leven zocht naar een beeld dat betekenis gaf.’ Aarsman voegde hier zijn eigen portie ‘totale chaos’ aan toe: ‘Het licht werd flets; de horizon ging scheef; ik keek niet meer door de lens. Hadden ze bij de Volkskrant een saai onderwerp, dan zeiden ze: “Stuur Hans er maar op af.”’

DE AFGELOPEN tien jaar, weet Aarsman, is de fotojournalistiek ingrijpend veranderd. De kwaliteit van het beeld is gestegen – ‘vroeger kwam er zo’n smoezelig velletje uit de telex en dat zette je dan in de krant’ – en het aanbod is uitgebreid. Dat laatste heeft ook te maken met de opkomst van de burgerjournalistiek. Nu iedere bezitter van een mobiele telefoon met ingebouwde camera de fotograaf kan uithangen, beschikken kranten over een in potentie oneindig groot medewerkersbestand. Een privilege waarvan gretig gebruik wordt gemaakt. De Duitse sensatiekrant Bild, bijvoorbeeld, heeft jaarlijks inmiddels een groter budget voor amateurfotografie dan voor professionele fotografen.
Aarsman is enthousiast over deze ontwikkeling: ‘Amateurs zitten niet vast aan allerlei beeldtradities en conventies. Ze hebben een veel lossere manier van werken en verruimen het bereik aan beeld.’
Bang voor een esthetische verschraling is hij niet: ‘Technische zaken als belichting en kadrering doen er nauwelijks toe. Iedereen kan fotograferen, mits je een interessant onderwerp voor je lens hebt. Denk je dat die Iraakse jongens die beeld leveren uit het Midden-Oosten vier jaar fotoacademie achter de rug hebben? Kom nou: hooguit een cursusje van een week. Ik zie dat aan het werk niet af.’
Wel heeft de democratisering van de fotojournalistiek geleid tot een onvoorzien bijeffect: de beroepsfotografen van de oude stempel zijn hun werk steeds verder gaan esthetiseren: ‘Dat is logisch. Zo werkt de markt. Als jij iets aanbiedt en iemand anders gaat precies hetzelfde aanbieden, dan ga je op zoek naar een manier om je te onderscheiden. Je wilt laten zien: ik kan meer dan een amateur.’ Het gevolg: een hoop maniëristische fotografie: ‘Dat zag je twee jaar geleden bijvoorbeeld goed bij World Press Photo: zo’n jongen in een loopgraaf die erbij zit alsof hij heel nodig naar de wc moet (Aarsman doelt op American Soldier Resting at a Bunker van de Brit Tim Herington – sk). Die fotograaf heeft dat waarschijnlijk in een film gezien en gaat dat dan nadoen.’ Hijzelf houdt niet van gedramatiseerde fotografie: ‘Schilderijtje spelen noem ik dat.’

AARSMAN STAAT een ander soort fotografie voor: speelser, pretentielozer. De laatste jaren initieerde hij allerlei projecten om meer aandacht te genereren voor dit soort fotografie. Samen met Erik Kessels, Julian Germain, Hans van der Meer en Claudie de Cleen brengt hij om de zoveel tijd Useful Photography uit, een tijdschrift voor non-artistieke fotografie vol found footage, gevonden materiaal. En twee jaar geleden richtte hij met nog vier andere fotograferende Hansen een prijs op voor alledaagse fotografie: de Kleine Hans: ‘world’s biggest small photo award’. De prijs is inmiddels twee keer uitgereikt – één ging er naar Mr. Lee, een kat met een minicamera om zijn nek.
Aarsmans laatste troef, Off the Record, is een tentoonstelling met non-artistieke fotografie, samengesteld voor de Commissie Gemeentelijke Kunstaankopen Amsterdam en volgende week te zien op Art Amsterdam. Enthousiast vertelt hij over zijn selectie: ‘Daar zit een prachtige fotoserie van afdruiprekken tussen. Die jongen had zo’n hekel aan de afwas dat hij zich er pas toe kon zetten als hij na afloop een foto kon maken. Verder is er een serie van een boom gereflecteerd in de ruiten van auto’s en een serie met stijve piemels naast producten uit de supermarkt om de maat aan te geven. Zo prijzen homoseksuelen hun waar aan op ontmoetingssite Gaydar.’
Wat opvalt aan Aarsmans opvattingen is het dogmatische karakter ervan. Hij moet er toch niet aan denken dat er in Foam straks alleen nog maar amateurfoto’s van afdruiprekjes hangen? Hij schudt zijn hoofd: ‘Ik ben juist het tegendeel van dogmatisch. Ik wil de fotografie opengooien. Ik wil de mensen bij de kladden grijpen en zeggen: kijk daar nu ook eens naar. Voor mij is fotografie slechts een verlengstuk van je zintuigen. Hoe meer het op het leven lijkt, des te sterker het wordt. En hoe meer het zich van het leven afkeert, hoe zwakker het wordt.’
Maar zet hij daarmee de deuren niet open voor totale willekeur? Want als vorm en techniek er niet toe doen, waarin onderscheidt een goede fotograaf zich dan nog van een slechte? Hij denkt na. ‘Om een goede fotoserie te kunnen maken heb je denk ik een zekere sensibiliteit nodig. Je moet weten wanneer een onderwerp het waard is om gefotografeerd te worden.’
Hij beaamt het: hij heeft weinig met groots en meeslepend: ‘Een van mijn lievelingsboeken is For Every Minute You Are Angry You Lose Sixty Seconds of Happiness van de Britse documentaire fotograaf Julian Germain. Dat gaat over een bejaarde man, zonder grote ambities of verlangens. Hij leidt een eenvoudig leven, en is tevreden met wat hij heeft: een klein huisje, zijn tuintje, zijn bloemen. Ik kan mezelf daar goed in herkennen. Zelf heb ik ook een rustig leven, zonder feesten en gedoe. Schoonheid is voor mij nooit spectaculair. Schoonheid is het vermogen om iets complex op een eenvoudige manier te tonen. Een wiskundige formule die klopt, dat is toch het mooiste wat er is.’

Hans Aarsman, Ik zie ik zie: Het beste uit De Aarsman Collectie. Podium, 175 blz., € 19,50. De tentoonstelling Off the Record: Voorstel tot gemeentelijke kunstaankopen van 13-17 mei op Art Amsterdam in de Rai.

Bestel het portret van Hans Aarsman gemaakt door Gustaaf Peek online. Oplage: 20, gesigneerd door de fotograaf. Niet-abonnees € 85,-, abonnees € 75,-.