Xavier Dolan maakte een charmant gehavend epos

‘Ik wil een man!’

In Laurence Anyways staat, meer nog dan de transseksuele hoofdpersoon, de liefde centraal. De film is zintuiglijk overweldigend en wild emotioneel. Gênant, juist omdat het werkt.

Non, Sire. C’èst une revolution’, fluistert literatuurdocent Laurence Alia wanneer hij voor het eerst als vrouw op zijn werk verschijnt en een collega hem vraagt of dit misschien muiterij moet voorstellen. Laurence is nog herkenbaar als de knappe man die hij is, maar nu met blauwe oogschaduw, rode lippenstift en bungelende oorbellen. Zijn haar is nog kort, maar hij draagt een turkooizen mantelpak en wankelt op gele pumps.

Meer dan op une revolte wijst deze eerste stap op een bevrijding. Met eenzelfde knipoog naar de revolutie kalkt Laurence met witte verf het woord Liberté op de donkerblauwe muur boven het bed van hem en zijn geliefde Frederique, kortweg Fred, nadat zij aarzelend heeft laten weten hem te zullen steunen in zijn besluit om vrouw te worden. Hij gaat dood als hij het niet doet, schreeuwt hij Fred wanhopig toe. Het is alleen dankzij haar dat hij het zo lang heeft kunnen uithouden. De twee zitten in de auto waarin we ze daarvoor uitbundig hun verliefdheid hebben zien vieren, nog net niet met confetti, maar wel vrijend, met champagne en jaren-tachtigmuziek. Zij is zo temperamentvol als haar knalrode haar, hij oogt eenvoudiger, sober bijna, maar het knispert tussen hen.

Zo wordt de eigenlijke hoofdrol in deze film geïntroduceerd. Niet een man, niet een vrouw, maar een liefde. Die liefde blijkt niet bestand tegen het bonte geweld van Laurence’s revolutie, maar de film is een bijna drie uur durende ode aan de strijd die het stel voert om het tegendeel te bewijzen. Aan de buitenwereld, maar ook aan zichzelf. Het epos volgt hen door de nabije geschiedenis, vanaf eind jaren tachtig, als Laurence voor het eerst worstelt met een panty, tot achter in de jaren negentig, wanneer hij door de hormonen borsten heeft. Dit kleurige tijdvak leent zich bij uitstek voor de barokke hipster-­esthetiek van de jonge Canadese regisseur Xavier Dolan (1989).

Laurence Anyways is Dolans derde film en net als de eerste twee bombastisch en visueel extravagant. Met kleur, muziek (van Beethovens Vijfde tot de melancholische techno van Moderat) en veel close-up en slow motion maakt hij alles intenser, blaast kleine intieme momenten op tot theatrale hoogtepunten. Een ademhaling en een hartslag worden uitgerekt tot soundtrack, gezichten worden uitgebreid bestudeerd en op een decordetail, zoals een schilderijtje van een eiland in een meer, wordt ingezoomd om het tot landschap te verheffen.

Kitsch, zou je kunnen zeggen, en in sommige scènes kun je moeilijk om die classificatie heen. Maar Dolans stijl is meer dan dat. ‘Cinema is de zevende kunst’, zegt hij in een interview, ‘de som van de andere zes. Hij gelooft dat een filmmaker geïnteresseerd moet zijn in al die kunstvormen. Mode noemt hij het vergeten kindje van het verhaal. De uiterst gedetailleerde jaren-tachtig- en jaren-negentigstyling, grotendeels van de hand van de regisseur zelf, wordt in deze derde film dan ook meer modegeschiedenis dan platte retrokitsch, en illustreert de grenzeloosheid van de generatie (een terugkerend thema bij Dolan). Zoals Fred in haar aanvankelijke enthousiasme uitroept tegen haar sceptische zus: ‘The sky is the limit!’ Dat onderschrijft ze, net als haar tijdgenoten, met knallende, felgekleurde kapsels en outfits.

Ze overschreeuwt zichzelf, want uiteindelijk lukt het de zeer aimabele Fred, die zelf voortdurend met haar uiterlijk experimenteert, niet meer om de reacties van de omgeving te incasseren. Terwijl Laurence zijn baan verliest, in elkaar geslagen wordt en probeert hun relatie te redden, groeit haar twijfel. Freds gevecht met haar verlangens en conventies wordt pijnlijk overtuigend gespeeld door Suzanne Clément, die voor deze rol bekroond werd in Cannes. En hoewel Melvil Poupaud (bekend van François Ozons Le temps qui reste) een mooie prestatie levert als Laurence is het Cléments personage dat dit liefdesverhaal over zelferkenning draagt.

Alleen al dat onderscheidt Dolans werk van andere transgenderfilms. Die gaan vaak vooral over het eenzame avontuur van hun hoofd­persoon en de details van diens individuele ontwikkeling. Een paar keer betrof het romances, zoals in de aandoenlijke en hilarische musical Hedwig and the Angry Inch (John Cameron Mitchell, 2001), over de rondreizende glamrockzangeres Hedwig die na een mislukte geslachtsoperatie zit opgescheept met een ‘angry inch’, een restje mannelijkheid, en niet weet of haar wederhelft nu een man of een vrouw moet zijn. En ook het hartverscheurende Breakfast on Pluto (Neil Jordan, 2005) volgde een trans­seksuele verschoppeling, Kitten, langs een tragische reeks minnaars door het Ierland en Engeland van de jaren zeventig, eveneens voornamelijk op zoek naar liefde.

Maar het perspectief lag in deze films toch steeds bij de dappere einzelgänger. Met Fred maakt Dolan meer ruimte voor de getormenteerde wederhelft en daarmee voor de harde botsing, maar ook de samenhang van de liefde met de norm. ‘Ik wil een man!’ brult Fred in een fatale ruzie naar een inmiddels langharige, hooggehakte Laurence. Ze kan het niet laten om in categorieën te voelen en wanneer ze een lotgenote tegenkomt vraagt ze of zij zichzelf als lesbisch beschouwt. Al deze begrijpelijke kortzichtigheid maakt Clément compleet invoelbaar. De film lokaliseert de seksuele verwarring zo eigenlijk meer bij Fred dan bij Laurence, die nu juist eindelijk zeker is van haar zaak.

In andere opzichten sluit het werk van Dolan wel weer aan bij de kleine traditie van transgendercinema. De laatste mainstreamhit in dit genre, Transamerica (Duncan Tucker, 2005), nam nadrukkelijk afstand van de extravaganza bonanza die de meeste van de voorgangers kenmerkte, door een sobere en zelfs wat burgerlijke hoofdpersoon op te voeren (mooi vertolkt door Felicity Huffman) die vooral een normaal leven lijkt te willen leiden. Maar Dolan plaatst zichzelf duidelijk in de camp-_traditie van _Hedwig en Breakfast on Pluto.

Hij doet daar zoals gezegd meer mee. Camp is een ‘esthetische modus’ of een ‘sensibiliteit’ om met Susan Sontag te spreken, die het onderwerp nu eenmaal past, omdat de essentie ervan, zo schrijft Sontag in Notes on Camp, ‘een liefde voor het onnatuurlijke, voor namaak en overdrijving’ behelst. Omdat de nadruk daarbij ligt op stijl noemt Sontag camp apolitiek. ‘To ­emphasize style is to slight content, or to introduce an attitude which is neutral with respect to content.’ Maar Dolan zet zijn camp juist in om te tonen hoe transseksualiteit zowel een kwestie is van oppervlakten als van grote diepten.

Hoe we onszelf en onze levens uiterlijk vormgeven, beïnvloedt ons tot in de ziel. Een mooi voorbeeld is het kille, witbetonnen huis waar Fred woont met haar nieuwe man, nadat ze Laurence voor het eerst verlaten heeft. Zonder dat zij daar weet van heeft besluipt haar rouwende ex de woning op een nacht en schildert een van de opgespoten betonnen stenen knalroze. ‘Tegen de verveling.’ Het is meer dan symboliek: Freds nieuwe, kalme leven wordt door Dolan gedefinieerd in termen van stijl. Vorm is hier inhoud. Wanneer ze de roze steen ontdekt realiseert ze zich dat Laurence nog steeds deel van haar uitmaakt en zoekt ze haar op.

Nu is in film vorm natuurlijk altijd inhoud. Maar de spanning tussen de twee is iets waar Dolan in zijn hele oeuvre expliciet mee speelt. In zijn debuut J’ai tué ma mère, een moeder-en-zoondrama, is al merkbaar dat hij probeert emoties te stileren, te vangen in esthetische ­constellaties. Met Les amours imaginaires, het kluchtige liefdesdrama dat daarop volgde, slaagt hij daar bijna in. En in Laurence Anyways weet hij, met een bijzonder getalenteerde club acteurs, en zijn oog voor textuur en oppervlakte op ­sommige ­plaatsen indrukwekkende dieptes te creëren. Subtiel is dat niet, de belachelijk eclectische soundtrack knalt overal doorheen en de effecten zijn vaak zo vet dat er aan de ­climaxen niet te ontsnappen valt. Ze zijn zintuiglijk ­overweldigend en daardoor wild emotioneel.

Je zou de regisseur van effectbejag kunnen betichten. En een hereniging van de geliefden onder muzikale begeleiding van het oergezapige Pour que tu m’aime encore van Celine Dion, raakt aan het gênante. Maar juist omdat het werkt. Omdat Fred en Laurence je hart gestolen hebben en je hun liefde het leven gunt. Verrassend is dat Laurence het tegen het einde wat sympathie betreft bijna wint van Fred, die eerder beter tot haar recht kwam. Laurence is zichzelf geworden, een nieuw personage bijna, en straalt een rust en een moed uit die haar sieren. Wanneer een interviewster haar vraagt of ze hoopvol is voor de toekomst zegt ze: ‘Hoopvol, nee. Vastberaden.’

Op dat moment klinken nog de echo’s van de offers die daarvoor gebracht zijn. Dolan heeft een spektakel gemaakt van deze liefde. Laurence Anyways is een charmant gehavend epos dat de revolutie die het verbeeldt niet verheerlijkt en naast haar schoonheid ook de verwoesting toont die ze aanricht.


Laurence Anyways van Xavier Dolan is nu te zien in de bioscoop