Opheffer

Ik wil een schooluniform

Als ik vroeger ergens van walgde dan was het wel het schoolkostuum dat ik nog heb gedragen. (Amsterdams lyceum: grijze broek, blauwe blazer, wit overhemd en de wit-blauw gestreepte schooldas). We zagen eruit als oude mannetjes. Althans, de jongens die het schooluniform droegen. Want het waren de jaren zestig en een paar jongens hoefden van hun ouders het uniform al niet meer te dragen.

Mijn ouders hadden de oorlog in Indië meegemaakt en hadden daar gewoond, dus die deden alles meer volgens de regels dan de regels aangaven, en daarom moest ik in zo’n pak naar school.

Opvallend was dat vooral de «buitenlandse» kinderen zo’n uniform droegen. Ik gebruik aanhalingstekens omdat het hier eigenlijk geen allochtonen betrof zoals wij die kennen, maar Amerikaanse, Franse, Indiase jongens, meestal van rijke ouders. Ik zat in de klas met iemand die van achteren Douglas- Monteiro heette en met een jongen met de welluidende achternaam De Gouyon Matignon de Ponte de Raude Huhne. Achteraf besef ik dat dat schooluniform ons meteen gelijkschakelde. De bedoeling van dat uniform lukte, zou je kunnen zeggen. Ik heb dat schooluniform zodra ik dat kon geruild voor een wit spijkerpak — we wilden namelijk provo’s zijn — en ik zag toen niet in dat dat pak eigenlijk ook een uniform was, alleen van een ander leger.

Ik lees nu over de hoofddoekjes in Frankrijk en het rapport dat daarover verschenen is. Men wil een verbod daar waar het overheidsinstellingen betreft. Dus geen hoofddoekjes, sowieso geen religieuze tekens, op scholen, bij justitie et cetera. In Nederland is dat ook al aanleiding voor iets wat op een polemiek lijkt, tussen Paul Cliteur en Ronald Plasterk.

Ik neig steeds meer naar het standpunt dat ik het schooluniform terug wil, hoe treurig ik dat voor die kinderen ook vind. Alle kinderen, van welk geloof ook, zien er dan gelijk uit. Goed voor de integratie. Maar ik weet tegelijkertijd dat zo’n uniform aanleiding geeft voor sektegedrag. En een sekte heeft toch een duidelijk religieuze component.

De hoofddoekjes en de kruisjes en de keppeltjes zomaar verbieden zie ik graag, maar je weet dat er dan andere onderscheidende tekens zullen komen die niet te controleren zijn. Mensen gaan elkaar op een bepaalde manier groeten, gaan een klein snorretje dragen of een bepaalde kleur overhemd. En wanneer je dat ook gaat verbieden, beginnen mensen op een bepaalde manier te praten. Ze gaan leuzen roepen als «Lof voor onze islam die het denken helder maakt», of ze gaan op een bepaalde toonhoogte spreken, of met een zeker soort ironie. Kortom: je kunt je altijd onderscheiden. Zelfs het bekende Mao-pak, nog steeds te koop, in New York voor vijf dollar op de rommelmarkt gezien, kent een hiërarchie door de manier van knopen aanzetten, zo werd mij verteld.

Noodgedwongen moet ik dus tot de conclusie komen dat wat ik wil niet voor te schrijven is, omdat men er altijd onderuit kan.

Mijn oplossing voor het gebruik van de hoofddoek, het kruis en het keppeltje is om het als instelling «ernstig af te raden!» Meer niet. Mensen behouden hun vrijheid en kunnen zich eraan onttrekken, alleen raadt de overheid het «ernstig af!» Zonder consequenties, behalve dan dat je weet dat het niet gewaardeerd wordt. Ikzelf ben daar erg gevoelig voor. Als ik op een uitnodiging «smoking gewenst» zie staan, dan ben ik zelfs bereid een smoking te kopen of om anders niet te gaan.

In de loop der jaren heb ik bordjes met teksten als «Verboden dit pad te betreden» en «Verboden voor onbevoegden» zien verdwijnen. Tot mijn verbazing. Ik hield me aan die borden. Zomaar. Waarom ook niet?