Opheffer

Ik wil erover blijven spreken

Een meisje van zeventien besluit op een dag zichzelf op te blazen en daarbij ook nog een paar Israëliërs te doden. Het is de ultieme vorm van tegendraadsheid — het gaat eigenlijk over de grens van tegendraadsheid. Zo gaat het ook over de grens van het cynisme, van de ironie, van de moed. En toch is het moedig. En toch dwingt het respect af. En het heeft ook nog effect: het houdt me uit mijn slaap. Letterlijk. Wie is dat meisje? Moet ik haar bewonderen? Verafschuw ik haar? Hoe moet ik haar beoordelen? Als een moordenaar? Als een martelaar? Was zij wanhopig? Koel? Berekenend?

Het meisje veroorzaakt bij mij hetzelfde effect als grote kunst doet. Die verwart mij. Het meisje laat mij ook in opperste verwarring achter. Is haar zelfmoord — waarin tal van onschuldigen de dood vonden — dan een kunstwerk? Nee, het is geen kunstwerk. Omdat het niet het oogmerk heeft kunst te zijn? Welk oogmerk heeft het dan, behalve het zinloos doden van onschuldigen? Misschien toch wel dat we anders tegen het probleem gaan aankijken — precies wat kunst wil. Misschien ook wel dat we anders gaan denken — precies wat kunst wil. Dat we anders gaan oordelen — precies wat kunst wil. Jezelf opblazen en anderen daarin meenemen is immoreel, maar dat is kunst ook vaak.

De monnik die zichzelf destijds in de fik stak, bracht sommigen op andere gedachten over Vietnam. Hij bracht de Amerikaanse president Johnson in verwarring. Zijn dood was niet zinloos. Is het te vergelijken met het Palestijnse meisje dat zichzelf opblaast? Ik weet het niet.

Het meisje dat zichzelf opblaast is in alles ultiem — zij is het ultieme voorbeeld van zonde. Ze illustreert de zinloosheid door een voor iedereen zinloze daad, of is die daad toch niet zinloos? De daad ergert mij, maar heeft het zin om me eraan te ergeren? Wat ergert mij eraan? Het meest ergert mij dat de taal die we spreken ontoereikend blijkt. Er viel, letterlijk en figuurlijk, niets meer te zeggen. Geen woord, geen zin kon meer worden aangewend om op andere gedachten te brengen. Taal teruggebracht tot lucht door middel van dynamiet.

De woorden van Camus: «Het eerste probleem van de filosofie is de zelfmoord.» Wie geen zelfmoord pleegt is gedoemd te leven. Hoe verricht je die Sisyfusarbeid?

«De wereld is alles wat het geval is», begint Wittgenstein zijn redenering. Zo’n meisje van zeventien met om haar middel zo’n ceintuur van dynamiet, is ook «het geval». Wittgenstein eindigt met: «Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen.» Al heeft dat meisje ook de taal opgeblazen, ik wil erover blijven spreken, al was het alleen maar om het een betekenis te geven.

De vraag die steeds maar in m’n kop zit, is: wat klopt er niet? Meisje, zeventien, blaast zichzelf op, met anderen. Wat klopt er niet? Klopt er niets? Nee, dat klopt ook niet. De wereld wordt pas echt gevaarlijk als de paradoxen tot leven komen. Dan klopt er nooit meer iets. Wie veroordeelt dan wie? Wie is wie? Wie zit er nog in de verzameling en wie zit erbuiten? Wie blaast wie op? Wie doodt wie?

Waar grenzen worden overschreden, waar de taal niks meer betekent, waar een leven liever dood is, waar de ironie het voor het zeggen heeft gekregen en waar de mens verwordt tot wapen, waarmee hij alleen een ander kan doden door zichzelf op te blazen, wat is daar nog wet? Wie kan er na zo’n klap nog horen? Waar is nog een zin te vinden als de taal zelfmoord heeft gepleegd?