Opheffer

Ik wil haar hondje zijn

In veel fascisme-theorieën vind je de gedachte dat je zoiets kunt maken als een Übermensch. Je moet zorgvuldig de juiste mensen uitzoeken, die laten paren, en dan komt er iets moois uit.

Ofschoon we die gedachte hebben laten varen, merk je dat de wetenschap steeds vaker wordt geconfronteerd met de mogelijkheid dat je aan de mens iets kunt designen. De vraag is alleen: wat dan? Natuurlijk wil ik dat de mens vrij is van ziekte, maar dat schijnt niet te kunnen. Wel voor een deel. Alles kan maar ten dele. We kunnen de mens ten dele vrij maken van ziekte, we kunnen ten dele zijn lichaam veranderen, we kunnen straks ook invloed uitoefenen op een deel van zijn geest.

Des te belangrijker wordt de vraag: hoe wil ik dan zijn? Onderzoek laat zien dat we ergens in ons brein een religieus centrum hebben. Wordt dat centrum op de juiste wijze geprikkeld, dan wordt een agnost als ondergetekende in één keer een zeer religieus mens, met alle gevolgen van dien. Omgekeerd schijnt ook te kunnen: ik prikkel een gedeelte van mijn brein en ik word agressief, of juist heel lief, of een saaie zak.

Wat moet ik nu doen? Hoe beslis ik dat? Nogmaals: wie en wat wil ik zijn?

Het antwoord luidt: altijd anders, hoewel… Niet alleen wil ik uit roeping altijd anders zijn (hoewel…), ik vermoed ook dat het niet anders kan.

Het werkwoord «zijn» zit ons hier weer in de weg.

In de eerste plaats is het al moeilijk vast te stellen wie en wat ik ben. Soms ben ik bijvoorbeeld iets of iemand die ik helemaal niet wil zijn. Voorbeeld: ik doe beschaafd, maar ik zou dolgraag onbeschaafd willen zijn. Die innerlijke strijd, en dit is er maar één, zorgt er al voor dat ik voortdurend mijn persoonlijkheid moet bijstellen. Lichamelijk verander ik ook steeds.

Kortom, eigenlijk ben ik al degene die ik wil zijn, als het mijn roeping is om steeds iemand anders te zijn (hoewel…). Zelfs als mijn roeping het tegendeel is — ik wil eindelijk consequent zijn — kan dat niet. Maar stel dat de wetenschap mij «stil» kan laten staan. Ik word een mooie zeven tien jarige jongen die alle meisjes kan krijgen, en dat blijft zo gedurende een eeuwigheid. Wil ik dat?

Ja, graag, maar tegelijkertijd weet ik dat er andere jongens zijn die dat ook wensen en dat levert dus strijd op, zodat ik onmiddellijk het verzoek doe aan de wetenschap mij te veranderen. Zodat we weer op het oude punt zitten.

Dat we onszelf kunnen veranderen heeft dus eigenlijk geen zin. Toch voelen we aan dat we dat onderzoek niet moeten staken. Een wetenschapper vertelde op tv dat in de toekomst mannen onnodig zijn. Hij voorzag een vrouwenmaatschappij. Ik vermoed dat hij ongelijk heeft. Juist omdat mannen niet nodig zijn en kunstmatig «gemaakt» zullen moeten worden, zullen ze heel belangrijk en waardevol worden. Mijn stelling is dan ook: mannen worden de nieuwe huisdieren. En dat wil ik dan ook graag worden: het huisdier van een vrouw. Ik denk dan beperkt, ik word goed verzorgd, ik mag af en toe het vrouwtje neuken en verder leef ik met de honden en de katten.

Het vrouwtje, baasje, neemt natuurlijk meer mannen, zoals ik al drie katten heb. En wij vechten een beetje met elkaar. Vrouwtje heeft uiteraard een favoriet. En als het een beschaafd vrouwtje is, zorgt ze ook goed voor de anderen. (Anders lopen we weg.)

Het grote gevaar dat dreigt is de «mannenpest». (Wij mannen worden dan weggehaald om in ovens te worden verbrand.)

Ik kijk naar de toekomst uit. Op een dag verschijnt er namelijk een vrouwelijke wetenschapper die aantoont dat mannen weer in oude luister hersteld moeten worden, wil de huidige beschaving overleven. Die avond ga ik dicht tegen het vrouwtje aan liggen.