Ik wil helemaal niet weg

Je hebt mensen die kunnen heel goed reizen. Die hebben ook nooit te veel en nooit te weinig bij zich, en zien er toch altijd tiptop uit.

Ik kan niet reizen; ik heb er een hekel aan en weet niet hoe het moet.
Reizen is niet geregeld; daarom haat ik het. Er zijn geen standaardformules voor het inpakken, dus maak je ze zelf in de trant van: ‘Voor elke dag een schone onderbroek en een paar sokken.’ Terwijl je 21 onderbroeken en 21 paar sokken inpakt, weet je dat dit te veel is, want je kan broekjes en sokken wassen. Maar wanneer? Dat weet je niet, dus je neemt toch maar alles mee voor de zekerheid. Met overhemden, T-shirts, korte en nette broeken, gymschoenen en gewone schoenen plus strandslippers is het net zo.
Ik neem altijd de enige nette broek mee die ik heb - ik doe hem nooit aan. En toch laat ik hem niet thuis, want je weet nooit…
Hoe weten mensen precies wat ze mee moeten nemen? Wat pakken Kohl en Chirac in als ze naar de Eurotop gaan? Eén donker pak, twee? Hoeveel paar sokken? Hebben zij een eigen wastas met daarin hun eigen tandenborstel en scheerapparaat en tandpasta (verfrommelde tube, nog van de vorige reis)? Nog vreemder is het voor Wim Kok en Hans van Mierlo, die in een hotel in hun eigen stad op een steenworp afstand van hun eigen huis gaan zitten. Wat nemen zij mee? (Hans van Mierlo zo te zien helemaal niets.)
Terug naar het reizen.
Men zegt dat reizen aangenaam is, en wijst dan op trein, vliegtuig, boot of auto.
Een trein stinkt altijd, je kunt er niet lekker in slapen, lezen lukt ook niet, en echt gemakkelijk zit je niet. Vliegtuig: ik heb vliegangst. Ik vlieg wel, maar een pretje is het absoluut niet. Boot: op het moment dat ik besef dat ik er niet af kan, dat het water steenkoud is, dat ik niet ontdekt word als ik over de railing val, begin ik al te hyperventileren. Auto. Laatst naar Parijs gereden. Drie uur in files gestaan. Grote ergernis.
Wandelen is nog het best - maar ik verdom het toch echt om, als ik drie weken vakantie heb, heen en weer naar Zuid-Frankrijk te lopen. Thuiszitten is misschien wel het beste.
Maar dat wordt als asociaal ervaren.
Om in een korte broek te gaan sjutelen, jeu-de-boulen of lottoën op een camping vindt men niet kinderachtig, maar je lekker laten vollopen in je eigen huis (lekker jointje erbij) vindt men in hoge mate irritant. ('Doe niet zo ontzettend kinderachtig.’) Het bezoek van een buitenlands museum of kerk is een cultureel welbestede vakantie, maar de hele dag lekker denken over niets is weer voor dommen. Je merkt overigens hoe de ordinairen zich richten op andere vakantiebestemmingen. Als je vijftig jaar geleden naar Griekenland ging was je een intellectueel, nu een groepsreiziger met kinderen en een Carisma. Je moet tegenwoordig ook niet naar Kenia, Tunesië of Ghana gaan, hoewel dat interessant klinkt, want daar zit de familie Ordinario ook in die goedkope hotels waar de negers nog voor je kruipen. Je moet nu naar steden en plekken die twintig jaar geleden 'in’ waren. De Côte d'Azur bijvoorbeeld - dat is het einde voor de huidige intellectueel: alles is daar totaal vervallen en rete-duur, dus je hebt geen last van geschreeuw en Duits gehoempa-pa.
Wegens familieomstandigheden moet ik nu naar Stockholm - wat ik nooit op mijn lijstje favoriete vakantiebestemmingen zou zetten. Het vreemde is: ik weet niets van Stockholm. Zijn er beroemde kerken, musea, bibliotheken? Geen idee. Ik weet eigenlijk niet eens waar Stockholm ligt, alleen dat het er altijd koud is, en altijd licht en dat je in de supermarkten altijd de muziek van Abba hoort. Ik moet met de auto, boot, en trein. (Een mens doet zichzelf uit zuinigheid veel leed aan.)
Ik wil niet weg. Ik wil in Amsterdam blijven.
Waarom heb ik al heimwee terwijl ik nog moet vertrekken.