Opheffer

Ik wil het bewijzen

Vorige week schreef ik over een vriendin van mij die zes miljoen in de loterij heeft gewonnen. Ik heb de televisie- en filmrechten al vastgelegd, want het wordt steeds komischer. Het geld hebben ze nu ongeveer twee maanden in hun bezit.

Wat hebben ze ermee gedaan?

Nog niets. En toch verandert het hun leven al. Zo zijn er familieleden die er lucht van hebben gekregen en die… bedelen om geld. Vaak gaat het om ziekte.

Familielid X heeft een zieke schoonvader die alleen gered kan worden met een operatie in Amerika. Familid Y heeft een zoon die eigenlijk een zus-en-zo-karretje moet hebben, anders is zijn leven niks waard. Het gaat nooit om een buisje aspirine tegen de griep. Het valt mijn vriendin op dat niemand geld voor zichzelf wil. Ze neigt nu naar het idee om een deel van het geld onder te brengen in een stichting voor goede doelen zodat ze al die mensen kan antwoorden: stuur een brief naar die stichting.

«Maar het is weer gedoe, ik wil geen gedoe. Als je rijk bent, wil je juist geen gedoe meer.»

«Gedoe houd je altijd, tenzij je niks hebt», houd ik haar voor. Over mijn motieven ben ik eerlijk: ik wil bewijzen dat ik miljonairs zover kan krijgen dat ze hun geld vrijwillig afstaan, tenzij ze met hun hele hart kiezen voor hun ondergang.

Verder merkt ze dat het onderwerp niet vermeden kan worden. Iedereen wil hetzelfde weten, namelijk: wat ga je met het geld doen? En vrijwel iedereen antwoordt zelf: «Ik zou een reis maken.»

«Ja, en dan?» vraagt mijn vriendin. En dan komt het weer: «Een mooi huis, een auto, een huisje in Frankrijk, niet meer werken…» Tot drie, vier miljoen weet iedereen het wel, en het is altijd hetzelfde. «Niemand heeft een leuk idee voor zichzelf. Iedereen wil maar een huis en een auto en niet werken en dat is het dan.»

«Welke droom wil je waarmaken?» roep ik steeds.

Maar juist die vraag krijgt ze niet beantwoord. Ik probeer: «Een jonge minnaar, seksuele uitspattingen, decadent leven in Nice…»

«Nee… Nee, ik blijf bang dat Frans nu vreemdgaat met jonge meiden en dat ik hem kwijt raak. Dat is mijn grote angst. Ik ben te oud om me decadent te gedragen. Ik kan naar de beste schoonheids specialisten in de wereld, maar ik ben heus wel zo verstandig dat ik weet dat ik toch ouder word.»

Ze gaan nu met z’n tweeën op vakantie, althans in de kerstvakantie, want ze wil gewoon op school blijven werken. Ze overweegt iets voor de school te doen, maar dat raadt haar directeur haar af. Immers: dat is een taak voor de overheid. Het ontwikkelen van een taalmethode voor anderstaligen met een achterstand vindt ze nog steeds het aantrekkelijkste idee, maar daar moet ze eerst voor studeren en dat kan ze niet combineren met werk voor school.

Met het geld is ze nog steeds blij.

«Maar alle verhalen van ‹geld maakt niet gelukkig› kloppen», zegt ze net zo makkelijk. Ik vraag erop door. Dan zegt ze: «Ik heb weleens gedacht: het ergste wat je mensen kunt aandoen, is angst. Angst is erger dan dood, denk ik wel eens. En wat ik nu merk is dat ik toch angstiger ben geworden. Ik ben bang dat ik bijvoorbeeld morgen of overmorgen doodga, dat ze kanker bij me constateren, of iets anders. Dan heb ik niks aan dat geld gehad. Ook ben ik banger voor dood waaraan je niets kunt doen, zoals een auto-ongeluk. En ook ben ik bang dierbaren te verliezen. Veel meer dan vroeger. Ik moet van die angst af. Hoeveel zou dat kosten?»

«Zes miljoen», zeg ik dan.