Geerat Vermeij over de geheimen van het bestaan

‘Ik wil het leven doorgronden’

Hij is volgens sommigen een van de grootste natuuronderzoekers van onze tijd en een wereldautoriteit op het gebied van schelpen. Evolutiebioloog Geerat Vermeij over God, genen en het geheim van gras.

Medium bioloogjb2

HIJ HOORT EEN BOOM voorbijgaan. Met een stok van anderhalve meter tikt evolutiebioloog Geerat Vermeij (Sappemeer, 1946) zich een weg door het Nemo-technologiemuseum in Amsterdam. Op de tafeltjes van het restaurant waar hij straks een lezing zal geven, liggen hoopjes schelpen. Die zullen we straks moeten betasten. Vermeij, hoogleraar geologie aan de Universiteit van Californië in Davis, is een wereldautoriteit op het gebied van de evolutionaire ontwikkeling bij weekdieren. En blind vanaf zijn derde jaar.

Hij is ‘verliefd op schelpen’. Heeft ze bijna dagelijks in handen. Gewapend met een speld ontdekt hij dingen die de ziende collega-biologen en -paleontologen (hij is beide) van meet af aan ontgaan zijn. ‘Ik heb altijd een paar spelden binnen handbereik: thuis, op m’n kamer op de universiteit, in m’n binnenzak – om in de binnenkant van een mondopening te kijken of zo. Er zijn dingen die mij als blinde meer opvallen. Vorig jaar bijvoorbeeld was ik met een collega in het Smithsonian in Washington bezig een groep slakken te bestuderen en we keken naar een fossiel type schelp. Dan zie ik kleine plooitjes in de binnenkant van het siphonaal kanaal van deze bepaalde soort. “Dat betekent dat het de terebraspira is!” De collega kan het niet zien. “Neem nou die speld in je eigen handen en voel ermee.” En zodra ik het aantoon, zien ze het wel.’

U spreekt in termen van zien en kijken…

‘Ja. Het klinkt zo raar als je het hebt over “voelen”, want dat is de meeste mensen vreemd. Dus “bekijken” en “zien” zijn woorden die ik bewust gebruik.

Ik was nog geen vier jaar toen mijn ouders mijn ogen eruit hebben laten halen. Door dezelfde chirurg die ook prinses Marijke behandelde. Blindheid door dezelfde oorzaak ook waarschijnlijk: rodehond tijdens de zwangerschap. Ik kon destijds nog een heel klein beetje zien, nauwelijks vormen, maar wel kleuren; het zicht was in feite niet erg nuttig. Men heeft mij bewust het laatste gezichtsvermogen ontnomen. Dat doet men tegenwoordig niet vaak meer, maar ik ben al met al blij dat het wél gedaan is; de kunstmatige ogen die ik nu heb zien er volgens mensen beter uit dan de echte ogen, die abnormaal zouden zijn. Mijn zintuiglijke wereld werd er een van aanraking, geluid, geur en smaak. Maar ik ben heel blij dat ik kleuren heb gezien en die mij levendig herinner. Zodat ik me bijvoorbeeld combinaties kan indenken in de kleuren van schelpen.’

Zijn zintuigen staan op scherp. Zijn gespitst op ieder detail. Een niet te overschatten voordeel voor een bioloog, een waarnemer: ‘Ik herinner me nog heel goed, kort nadat ik helemaal blind was geworden, dat ik met mijn ouders ergens in Gouda liep en zei: “Goh, ik hoor een boom voorbijgaan.” Dat was iets wat hun niet was opgevallen, zoiets ontwikkel je dus heel snel als blinde, aandacht voor het geluidsmilieu en hoe dat verandert als je jezelf beweegt.’

Op zoek naar schelpen klautert hij in Guam op handen en voeten op de rotsen, tussen de hoge kliffen waar het tij opkomt, de scherpe eendenmossels ontwijkend. ‘Dan moet je goed luisteren naar de branding; je concentreert je enorm, alle zintuigen zijn gespitst. Het waarnemen, dat is nou eenmaal hoe ik de wetenschap bedrijf.’

Zijn nieuwe boek The Evolutionary World: How Adaptation Explains Everything from Seashells to Civilisation, vertaald als Schelpen en beschaving, begint met die waarneming, maar eigenlijk gaat het hem helemaal niet om de ontdekking van nieuwe soorten: ‘Ik wil weten hoe het Leven in elkaar zit. Het Leven met een hoofdletter L. Niets meer, niets minder.’

‘VERMEIJ IS een van de grootste natuuronderzoekers van onze tijd’, schrijft American Scientist. ‘Ik word gedreven door het overweldigende verlangen om orde te ontdekken in de verbazingwekkende verscheidenheid die de evolutie teweeg heeft gebracht en die ik onweerstaanbaar vind’, schrijft hij zelf. Schelpen en beschaving – ‘een gewaagd en meesterlijk boek’ aldus de recesenten – gaat minder over schelpen dan over de sleutel tot de geheimen van het bestaan. ‘Het opduiken van zoveel onverwachte paralellen tussen het functioneren van de natuur en van menselijke samenlevingen vormt de motivatie voor dit boek. Ik zoek naar een verklaring hoe de wereld eigenlijk in elkaar zit en wat nu de grote drijfveren zijn van de geschiedenis, zowel van het leven als van de mens zelf; die zijn in grote mate hetzelfde. Daarom wil ik weten hoe soorten met elkaar omgaan. Ik beschouw, in tegenstelling tot het overgrote deel van de biologen, soorten niet als onafhankelijke wezens die je zomaar kunt tellen of wat dan ook, ik beschouw ze als economische eenheden die met elkaar om moeten gaan, die concurreren, die samenwerken enzovoort; die écht een economische rol spelen. Mensen, planten, dieren maken voor mij deel uit van een natuurlijke economie.

Er is tegenwoordig in de evolutionaire biologie een stroming die diversiteit bestudeert door de soorten gewoon te tellen, zonder naar de sociale eigenschappen, de morfologische eigenschappen, het gedrag, noem maar op van die soorten te kijken. Soorten zijn voor die mensen gewoon namen – en voor mij niet. Voor mij hebben ze eigenschappen, ze hebben gedrag, ze hebben vorm, ze passen zich aan hun omgeving aan én beïnvloeden die omgeving, ze hebben een economische rol te spelen enzovoort. Neem het ontstaan van gras.’

Gras?

‘Gras. Om het geheim van gras te doorgronden, hoeven we niet verder te kijken dan de meest kleinsteedse van alle machines: de grasmaaier. Toen mijn dochter Hermine op de kleuterschool zat, maakte ze een tekening van een dinosaurus, vrolijk rondsjokkend in het gras. Probleem van deze creatieve voorstelling van zaken is dat er tijdens de Jura, de heydays van de grootste planteneters ooit, helemaal geen gras bestond. Gras ontstond pas nadat er bomen waren. Een bos bestaat uit hoge bomen, en die hoge bomen zijn hoog omdat er altijd concurrentie om licht is. Het is van belang om je bladeren boven die van je buurman te houden. Om dat te doen, moet je omhoog en dat betekent een enorme investering in hout – dat ten slotte dood is, dus daar heb je eigenlijk verder niks aan. Het is een enorme kostenpost: hout maken kost zo ongeveer dezelfde hoeveelheid energie die je gebruikt om bladeren te maken. Hoe los je dat nou op? Hoe ontdoe je je van die enorme onkosten?

Historisch gezien is dat gedaan door middel van grote zoogdieren. Want die waren natuurlijk hongerig, begonnen boombladeren te eten, trapten bomen om en dat gaf gras een groot voordeel. Gras heeft geen hout, het groeit maar laag en bovendien is het zo dat de groeizones van het gras onder in het blad zitten en dus enigszins beschermd zijn tegen al te gretige grazers. Bij grasmaaien worden de oudste, minst belangrijke delen van de plant verwijderd. Maar waar ’t mij om gaat: de criteria voor succes in concurrentie zijn compleet veranderd omdat er nu grazers zijn.

Een andere vraag die ik me heb gesteld: waarom zijn er zo weinig insecten boven zee? Dat heb ik tien jaar geleden met mijn collega Robert Dudley opgelost en we zijn het er nog steeds over eens. Het korte antwoord is dat er dieren zijn die concurreren met insecten en die het veel beter doen in water. Men dacht voordien te veel aan de insecten zelf: wat is het nou van insecten dat hen ongeschikt maakt om in water te leven? Maar in de eerste plaats zijn insecten niet ongeschikt om in water te leven, want ze leven bijvoorbeeld in groten getale in zoet water. En ook het zout van zout water heeft allemaal niks met het probleem te maken. Er zijn tal van organismen die zich veel beter hebben aangepast in zee omdat ze daar altijd al hebben geleefd, en dus hadden die insecten gewoonweg geen kans. Ze waren niet goed uitgerust. Als ze onder water zitten, kunnen insecten eigenlijk niks beginnen, terwijl als bijvoorbeeld een reptiel of een zoogdier in zee komt, hij genoeg lucht kan inhouden en diep kan duiken om zich te voeden. Vandaar dat dolfijnen en walvissen, anders dan insecten, economisch en ecologisch ontzettend belangrijk geworden zijn in zee. In het algemeen kunnen transities van zee tot land en van land tot zee alleen plaatsvinden als er niet te veel concurrentie is in het nieuwe milieu.

Een organisme is in feite een hypothese van de omstandigheden waaronder zo’n organisme leeft en evolueert, dat telkens getest wordt door de omstandigheden die het aantreft. Zich telkenmale aan zijn leefomgeving moet aanpassen. En zich kan verbeteren door natuurlijke selectie. En als dat niet toereikend is, dan sterven ze. Dan kunnen ze zich niet voortplanten en dus niet voortbestaan. De vorm, het gedrag, de fysiologie geven weer wat belangrijk is voor dat organisme en wat niet belangrijk is. Als organisme “besef” ik de omstandigheid waaronder ik leef en mij kan voortplanten. De evolutie, de natuurlijke selectie, zorgt ervoor, om het zo maar eens te zeggen, dat het organisme of de groep zich aanpast aan het milieu. En dat milieu ook doet veranderen. Organismen zijn actieve deelnemers in hun aanpassingsproces, niet slechts passieve spelers zonder invloed op hun eigen lot.

Mijn blik is dus behoorlijk economisch, terwijl de meeste evolutionair biologen zich erg bezighouden met genetica. Iemand als Richard Dawkins bijvoorbeeld, schrijver van het beroemde boek The Selfish Gene, is zeer genetisch ingesteld. Nu is de rol van genen zonder meer belangrijk en zijn er grote inzichten verworven, maar ik kijk liever naar de resultaten van de genen, naar hoe de genen zich vertalen. Wat betekenen die genen nou? Daar komt nog bij: als je als paleontoloog fossielen en kalkskeletten bestudeert, zie je natuurlijk sowieso niet of nauwelijks genen. Ik beschouw genen als letters of woorden. Voor mij veel belangrijker is de betekenis van een zin. Iets wat ver boven de letters of de woorden uitgaat; een gedicht of een boek of zelfs maar een zin. Wat is de vorm van een organisme, wat zijn gedrag, zijn fysiologie? Hoe werkt natuurlijke selectie op vorm, gedrag en uiterlijk? Dat wijkt flink af van de meeste andere evolutionair biologen, denk ik.

Het is op het ogenblik de rigueur om te geloven in de grote rol van de willekeur, van het toeval. En ik geloof ook wel dat het toeval een grote rol speelt, maar tegelijkertijd zie ik een heleboel bewijs voor het argument dat, in de geschiedenis van het leven zowel als in de geschiedenis van de mens, belangrijke tendensen zijn ontstaan. Bijvoorbeeld een toename in diversiteit. Een toename van productiviteit. Het ontstaan van hoe langer hoe krachtiger economische wezens. En het uitbreiden van het Leven in het algemeen.’

Daar zit minder toeval in dan gedacht?

‘Daar zit minder toeval in. Neem het voorbeeld van intelligentie. Dat is in de mens ontstaan en ook in een paar andere groepen als apen, kraaien, walvissen en zelfs in octopussen – het enige solitaire dier, dat is heel interessant – maar je kunt nooit precies van tevoren zeggen in wélke groep intelligentie gaat ontstaan; wanneer of waar. Wat je wél kunt zeggen is dat het op den duur onvermijdelijk gaat ontstaan. Dat onderscheid wil ik dus onderstrepen: het is willekeurig wie wat waar hoe, maar het is niet willekeurig dát het gebeurt.’

WE ZIJN GENEIGD te denken: iets is het resultaat van iets specifieks waaruit het ontstaat. U zegt eigenlijk: intelligentie, als zodanig, zou sowieso ergens…

‘… gaan ontstaan. En waarom? Omdat het zo enorm veel voordelen heeft onder zo enorm veel omstandigheden.’

Het organisme vormt zich optimaal naar de omstandigheden?

‘Het vormt zich naar de omstandigheden die voor dat organisme belangrijk zijn. Het hoeft niet optimaal te zijn, het moet goed genoeg zijn. Soms betekent dat dat je het ontzettend goed moet doen, maar soms betekent het dat je kunt volstaan met het halen van een vijf en dan doe je het nog steeds goed.

Als je intelligent bent, kun je verschillende problemen voorzien. Je kunt beslissingen nemen die consequenties hebben die je misschien al enigszins begrijpt en dat geeft je natuurlijk grote evolutionaire voordelen. Er is die toenemende tendens van intelligentie en als het straks niet de mens weer is, dan is het misschien wel een kraai die niet meer vliegt of zoiets. Het bestaan van intelligentie – dat wil ik even heel duidelijk stellen – heeft voor mij niets, maar dan ook niets te maken met Intelligent Design. Het is louter een kwestie van natuurlijke selectie.’

Bottom-up?

‘Ja, ’t gaat bottom-up. En zo zijn er meer dingen. Een hoog metabolisme bijvoorbeeld heeft ook enorme voordelen onder heel veel omstandigheden, omdat het je direct een betere concurrent maakt. Sociaal leven in groepen is ook zoiets. Dat gaat allemaal via natuurlijke selectie. Het heeft dus niets te maken met een hoger doel. Of met al te vermetele speculaties over wat de toekomst zou brengen. Natuurlijke selectie kan de toekomst niet voorspellen: ze kan alleen maar nagaan wat er gebeurd is en dan, laten we het heel antropomorfisch zeggen, hopen dat de toekomst ongeveer hetzelfde zal zijn.’

De aarde warmt op, dus doet u eens een gooi.

‘De verwarming van de wereld vindt niet voor het eerst plaats. Er bestaat flink veel bewijs dat in het Krijt de temperaturen veel hoger lagen. Het zeewater in de tropen was toen ongeveer 35 graden Celsius, dat is belangrijk warmer dan het nu in de warmste gedeelten van de oceaan is. De Rode Zee is ongeveer 31 graden en ik ben wel eens in het noorden van Nieuw-Guinea geweest, daar is het ook zo heerlijk warm, maar het is geen 35 graden. Voor een heleboel soorten zal het opwarmen van de wereld moeilijk zijn, ook voor de mens. Maar evolutionair gesproken is het opwarmen van de wereld op langere termijn een voordeel, want het is geologisch gesproken zo dat diversiteit altijd omhoog gaat als het warm wordt.’

Grote soortenrijkdom na grote rampen?

‘Ja. Al is het moeilijk na te gaan hoe lang het zal duren. Na het uitsterven van de dinosauriërs, 65 miljoen jaar geleden, is er in het begin van het Paleoceen even een vrij lage diversiteit. Die gaat pas vijf tot tien miljoen jaar ná de uitsterving hard omhoog, omdat het dan opeens veel warmer wordt. Bij een hoge temperatuur gaat alles sneller. De stofwisseling, maar bijvoorbeeld ook het afscheiden van kalk voor slakkenhuizen en zo. Dat is goedkoper, vanwege de lagere solubiliteit van kalk. Het water wordt minder kleverig, om het zo maar te zeggen, en dat betekent dat bewegen in water ook goedkoper wordt bij hogere temperaturen. Meer doen met minder inspanning.

Als je geologisch kijkt naar de laatste pakweg 550 miljoen jaar, dan zie je een algemene tendens van een toenemende rijkdom aan soorten. Natuurlijk zijn er teruggangen, tijdens de grote uitstervingen, en het is waarschijnlijk ook zo dat het hoogtepunt misschien twee, drie miljoen jaar geleden is bereikt en dat we sindsdien iets omlaag zijn gegaan, niet zozeer dankzij de mens, maar gewoonweg omdat het klimaat wat variabeler werd in het Pleistoceen. Maar over het algemeen neemt het leven toe.’

VERMEIJ wordt een intellectueel genoemd, maar dat is niet zijn schuld, zegt hij. Hij denkt. Maakt veel tijd vrij om te wandelen, om voorgelezen te worden, om naar muziek te luisteren. Na het interview gaat hij naar de Oude Kerk voor een orgelconcert. Commissiewerk op de universiteit en vergaderingen mijdt hij als de pest.

‘Ik heb tijd nodig om over dingen na te denken. Ik zit vaak te niksen. Als je met je haren door de wind loopt, komen er altijd dingen op die je niet goed begrijpt. Er zijn altijd dingen die heel vreemd lijken. Daar denk je over, soms kom je tot een oplossing, soms niet. Er zijn dingen waar ik járen over heb nagedacht en nog steeds weet ik niet hoe de vork in de steel zit. Waarom zijn er geen weekdieren die geluid als communicatiemiddel gebruiken? Dáár stond mij overigens ineens een oplossing voor ogen – die ik heb gepubliceerd, dus ik hoop dat ik het goed heb: als je geluid maakt, trek je zowel vijanden als vrienden aan. Je vijanden zijn vaak sterker en sneller dan jij. Als je een mossel bent, ben je niet erg snel en is het niet wijs om lawaai te maken.

Ja, ik ben nogal individualistisch. Wetenschap begint met een oorspronkelijkheid die persoonlijk is. Daarom ben ik ook een voorstander van individualisme. Ik vind dat heel belangrijk, zeker in een tijd waarin er zoveel nadruk ligt op teamwerk. Het in een groep werken is heel belangrijk als je eenmaal iets hebt ontdekt wat je verder wilt uitpluizen. Maar om de echte nieuwe ideeën te krijgen, echte innovaties, moet je toch als individu werken, denk ik.’

Amerika, waarheen hij in 1955 als negenjarige met zijn ouders emigreerde, geeft hem de ruimte die hij nodig heeft, en collega’s in Davis dringen niet al te hard aan op het vervullen van commissiecorvee. ‘In Amerika bestaan nog steeds meer mogelijkheden voor blinden dan elders in de wereld. Tot voor kort. Want dat verandert allemaal. Ik zie de laatste jaren dat Amerika sterk achteruit gaat op wetenschappelijk gebied. We hebben op het ogenblik in Californië een enorme financiële crisis en de universiteit wordt helemaal afgetakeld. De bronnen van geld zijn heel mager. De hoofdbron van financiering was altijd de National Science Foundation. Slechts zo’n acht procent van de onderzoeksvoorstellen krijgt steun, dat is erg laag. Er wordt de laatste tien jaar in Europa veel meer geld uitgegeven aan wetenschap dan in Amerika.

In de wetenschappelijke tijdschriften zijn de Amerikanen nu in de minderheid. Je ziet veel meer namen uit Europa, Japan en China – en de laatste tijd ook uit India en Zuid-Amerika. In grote delen van de VS is men zo achterlijk, dat wil je niet geloven. Ik ben erg pessimistisch over de stand van zaken in Amerika. Niet alleen holt de kennis er achteruit, maar er is een volksopstand tegen wetenschap. Tegen het hele idee van de opwarming van de aarde, tegen de hele wetenschappelijke drijfveer. Dat vind ik bijzonder alarmerend.’

Hij is een atheïst. ‘Jazeker, ik ben een atheïst.’

Mensen die u kennen, noemen u ‘spiritueel’…

‘Ja, ja! Omdat ik zeer diep over de betekenis van het leven nadenk. Omdat ik zelf een heel erg rijk leven leid; ik zou haast zeggen: een geestelijk leven. Maar niet een leven dat op een bovennatuurlijk wezen is geïnspireerd. Een bovennatuurlijk wezen heb ik niet nodig. Ik vind het een veel te gemakkelijk excuus, eerlijk gezegd. Voor mij heeft het leven an sich betekenis en het máken van betekenis van het leven is voor mij een bijzonder belangrijk doel. Dát is onze verantwoordelijkheid, als individuen. Ik vind de evolutionaire verklaring van het leven veel en veel rijker. En toch: evolutiebiologen als Dawkins – en vele anderen – hebben boeken geschreven die naar mijn smaak te boos zijn op religie. Dat heb ik bewust geprobeerd niet te doen. Ik maak wel duidelijk dat ik atheïst ben, maar ik ben niet zo nijdig op geloof. Ik wil al met al toch begrijpen waarom religieuze ideeën zo duurzaam zijn. Ik vermoed dat groepen, waartoe mensen behoren, door religie beter kunnen functioneren als groep.’

De orgelstukken van Sweelinck, Buxtehude en Bach, schrijft hij, vervullen hem ‘met eenzelfde gevoel van grootsheid als de voortbrengselen van de natuur en de hoogtepunten van wetenschappelijk inzicht. De verwondering en contemplatie die zulke ervaringen oproepen worden geen moment ondergraven door de wetenschappelijke wereldopvatting die we gezamenlijk hebben opgebouwd – sterker nog, ze worden erdoor verdiept en verrijkt.’ En hij begrijpt wat Bach bezielde.

Maar dit is niet de tijd van God, maar van Darwin. ‘Evolutie is zo krachtig, zo aller-verklarendst, dat er niet aan te ontkomen is. En ik vind het weergaloos mooi! Het doordesemt de wereld als een elixer. Het raakt nu alle vakgebieden: de geneeskunde, economie, noem maar op. Het ligt ten grondslag aan een kijk op de wereld waarin omgeving, genen, de strijd om het bestaan en de geschiedenis samenkomen en die het hoe en waarom van deze wereld verklaart. Evolutie is haar oorspronkelijke plek in de biologie en geologie eenvoudigweg ontgroeid.’


Schelpen en beschaving: De evolutionaire zienswijze van Geerat Vermeij. Nieuw Amsterdam, 352 blz., € 24,95


Beeld: Geerat Vermeij (Joost van den Broek).