Opheffer

Ik wil kunnen kiezen

«We gaan luisteren naar de mensen in het land.»

Je hoort hem ook anders. De interviewer vraagt: «Maar wat gaat u anders doen dan bij de vorige keer?»

Beoogd lijsttrekker Bos: «We gaan weer terug naar de basis, dat zijn onze roots tenslotte, en dan gaan we eens goed naar de mensen luisteren. Dan gaan we eerlijk zijn, zeggen waar het op staat, erkennen dat we een tijd lang onze ogen gesloten hebben gehouden, maar dat we nu wel iets bijzonders gaan ondernemen… Et cetera et cetera.»

Luisteren naar de mensen… Dat is nu precies wat je NIET moet doen als je een politicus bent. Als een politicus luistert, is dat toneelspel.

Ik, een kiezer, luister wel naar de politici. Zo was het, en zo moet het zijn.

Een politicus schrijft voor, weet oplossingen, heeft een moraal van waaruit hij werkt, heeft misschien zelfs zedelijke beginselen. Die vertaalt hij in structuren, in logis tiek. Eerst dit, dan dat. Maar nee, we gaan «luisteren naar de mensen».

Het komt allemaal voort uit het misverstand dat er veel mensen zijn die zeggen: «Mijn stem wordt niet gehoord. Ik heb geen vertrouwen meer in de politiek! Er is niet één politicus die vindt wat ik vind.»

Misschien is het wel goed dat de stem van die mensen niet wordt gehoord. Nogmaals: ik heb nooit iets verstandigs uit de mond van zulke mensen horen komen.

Toen Melkert (PvdA) zei dat hij de formulering van bepaalde zaken ongepast vond, kreeg hij het verwijt dat hij zijn ogen sloot voor urgente maatschappelijke problemen, zoals: veel misdaad wordt veroorzaakt door Marokkaanse jongeren. Dat wil Melkert blijkbaar niet zo zien, dus doet hij er niets aan. Dat verwijt is niet terecht. Melkert sloot zijn ogen niet, maar wilde bepaalde problemen niet zo «benoemen». Hij koos «een ander perspectief». Hij vond het niet sjiek maar asociaal om Marokkanen en allochtonen constant over een kam te scheren met hun misdadige broeders, al had elke Marokkaanse familie minstens één misdadige broeder. Melkert zou het bijvoorbeeld niet in zijn hoofd halen de islam achterlijk te noemen. Daar had hij naar mijn smaak ongelijk in, maar hij had wel een punt. Het is vervolgens aan mij om hem te volgen of niet. Waar Melkert nu op is afgerekend, is dat hij nog steeds niet zegt dat hij Marokkanen misdadig vindt. En hij heeft er ook terecht de pest over in dat de mensen hem daarom niet mogen.

Politici dienen, als koks, mij een menukaart te tonen en ik kies dan wat lekker is. Het omgekeerde is nu het geval: een kok komt vragen wat je wilt eten. Je vraagt de menukaart. Dan zegt de kok: «Die hebben we niet, we bereiden wat u lekker vindt.» «Nou, doet u mij in dat geval maar mensenvlees.» De kok die belooft dat klaar te kunnen maken, trekt de meeste klandizie.

Wouter Bos wil het zo doen, zegt-ie de hele tijd. En hij is er ook nog trots op dat hij dit «model» (zo wordt het genoemd) van Tony Blair heeft afgekeken, die per telefonische enquête voortdurend peilt wat er in het volk leeft. Bos wil geen politiek programma, geen menukaart dus, maar een mission statement. Tien punten die voor hem «afrekenbaar» zijn.

Dat is een kleine kaart, slechts een kleine partij waardig. Het motiveert niet, inspireert niet — het is een cateringbedrijf dat met muurvoedsel komt aanzetten.

Zo wordt het niets met de PvdA.

Het treurige is dat de andere linkse partijen met iets aankomen waar ik ook al moeite mee heb: meer democratie. Dat klinkt leuk, en ik weet ook dat bijna alle grote politicologen hebben gezegd dat wij eigenlijk in een schijndemocratie leven, maar of het antwoord dan is dat wij «gewone burgers» maar overal over mogen beslissen, waag ik te betwijfelen.

Ik wil een goede menukaart, met lekker eten. En ik wil alles van die menukaart, en dat gedurende vier jaar, en dan zien we wel weer. Ik wil zeker niet luisteren naar de mensen in het land.