Opheffer

Ik wil met Mohammed B. spreken

In 1972 – ik was negentien – ontmoette ik Sartre, een ontmoeting die het noemen eigenlijk niet waard is: ik durfde niks tegen hem te zeggen, ik wist ook niet hoe, hij interesseerde zich ook niet voor mij, we namen alleen vriendelijk afscheid. Ik was desondanks trots.

Er waren twee redenen waarom ik mijnheer Sartre wilde spreken. (Wat mij indertijd bezielde, weet ik niet.)

  1. Ik wilde hem vragen of ik het existentialisme goed begreep.

  2. Ik wilde hem vragen waarom hij voor geweld was. Dat laatste veroorzaakte namelijk een enorm schisma tussen mij en mijn vader.

Ik werd hier onlangs weer aan herinnerd door een artikel over Sartre in het Filosofisch Magazine. Mijn vader hield ook van het existentialisme, maar niet van Sartres communisme. Ik vond dat communisme prachtig. Later nam ik daar ook afstand van. Maar tegenwoordig is het onderwerp weer actueel. Sartre bezocht namelijk Baader van de RAF op in diens gevangenis. Naar aanleiding van dat bezoek schreef Sartre dat Baader «gemarteld» werd door de eenzame opsluiting. Weer later bleek dat allerminst het geval te zijn, maar dat doet er nu niet toe.

Stel (tja, wie is de Nederlandse Sartre… ik zou het niet weten…) Harry Mulisch besluit om Mohammed B. te bezoeken. Waarom? Harry vindt de daden van Mohammed B. weerzinwekkend, maar hij begrijpt diens maat schappijanalyse en wil zelf onderzoeken of de beschuldigingen die Mohammed B. uit (bijvoorbeeld: «De wijze waarop ik word opgesloten is erger dan de doodstraf») ook waar zijn.

Mohammed ontvangt Harry. Vervolgens is Mohammed een half uur aan het woord. Over de Taweed, over het gelijk van Bin Laden en Abou Kaleid et cetera. Harry spreekt hem tegen, allervriendelijkst, en ze geven elkaar na afloop een hand, Harry is tenslotte geen vrouw.

Vervolgens schrijft Harry een artikel waarin hij stelt dat Mohammed weliswaar een langdurige gevangenisstraf verdient, maar dat hij toch niet te vergelijken is met andere moordenaars. Harry zou, Castro indachtig, bijvoorbeeld beweren dat Mohammed een politieke daad zou hebben gepleegd, dat hij meende «rechtvaardig te handelen» (hier zou Harry Sartre citeren), dat de moord op Van Gogh natuurlijk niet te rechtvaardigen is, maar toch in het licht van deze tijd gezien moet worden et cetera. Harry zou vervolgens pleiten voor weliswaar een handhaving van de lengte van de straf, maar ook voor wat meer bewegingsvrijheid in de gevangenis voor Mohammed B.

Wat zou ik daarvan vinden? Ik zou behoorlijk woedend zijn. Om dezelfde reden waarom ik ook het bezoek van mijn grote held Sartre aan Baader afkeur. In de eerste plaats had Mulisch niet naar Mohammed B. moeten gaan, ook al is het op zichzelf gerechtvaardigd te onderzoeken of Mohammed goed wordt behandeld. Zo’n bezoek is – hoe kritisch ook – een steunbetuiging aan hen die beweren dat het een «politieke daad» was en die daarmee de moord rechtvaardigen. «Politieke daden» rechtvaardigen niks. Het blijven misdaden. Zelfs al zou Mohammed in de gevangenis letterlijk gemarteld zijn, dan had Harry een andere methode van onderzoek moeten volgen. Hij had de advocaat van Mohammed moeten bellen, hij had een stuk kunnen schrijven waardoor een kamerlid vragen aan de minister had kunnen stellen, en hij had alsnog dat kamerlid kunnen verzoeken om, namens hem, die martelingen te onderzoeken.

Het is de statuur van beiden (Mohammed B. en Harry Mulisch) die zo’n ontmoeting in feite te veel gewicht geeft; elke buitenstaander is genoodzaakt die ontmoeting te interpreteren en beiden kunnen die ontmoeting in gelijke mate gebruiken of misbruiken.

Maar nu ik – nog een keer. Ik ben journalist, schrijver. Door een toeval ben ik betrokken bij de daad van Mohammed B. Door datzelfde toeval ben ik – hoe klein misschien ook – onderdeel geworden van een maatschappelijk debat. Velen verkeren in de verkeerde veronderstelling dat ik de exegeet van Van Gogh ben, maar afgezien daarvan heb ik ook enige «statuur» in dit debat gekregen. Ik ben «vriend van Van Gogh». Het is een status waardoor ik beveiligd moest worden, een status waardoor ik soms moet debatteren.

Ik wil heel graag met Mohammed spreken. Dat is te zeggen: ik zou eerst willen weten of de familie Van Gogh daar bezwaar tegen zou hebben. Maar stel dat die er geen moeite mee zou hebben, zou ik het dan moeten doen?

Leg ik als «vriend van Van Gogh» ook niet een schijngewicht in de schaal? Een luchtbel in de vorm van een kilo?

«Zomaar» met Mohammed spreken (bijvoorbeeld in het geheim) zou ik niet willen – ik zou erover willen publiceren. Maar zou ik, zelfs met een letterlijke weergave van het gesprek, toch niet een verkeerde indruk wekken? Ik denk het wel. Ik kan iedereen verloochenen, behalve mezelf.

Ik schrijf dit omdat ik gehoord heb dat enkele journalisten druk in de weer zijn om met Mohammed B. in contact te komen. En ik wil dat natuurlijk ook. Ik ben plat nieuws gierig. Maar ik zal het toch niet doen.

Het vreemde is dat ik niets liever wil dan die misdaad van Mohammed B. zien als een misdaad – en niet als «een niet te rechtvaardigen politieke daad». En juist ik heb daar moeite mee.

Al mijn handelen van tegenwoordig (het bestuderen van boeken over de islam, het kritisch volgen van ons kabinetsbeleid, het zoeken naar analogieën in het verleden et cetera) wijst duidelijk op één ding: dat ik het ook zie als een politieke daad.

Ik heb daar soms moeite mee.