Ik wil niet artistiek zijn

Artistiek gedrag. Je ziet het steeds vaker. Hij is bijvoorbeeld gekleed in een felrood jasje en daaronder een bijna lichtgevend lichtblauwe broek, met zes gouden gulpknopen waarop niet alleen zes heiligen staan afgebeeld, maar deze zijn ook nog eens gemodelleerd in de stijl van Lalique. Schoenen? Ja, draagt hij ook. Handgemaakt in Engeland. Hij vindt het zelf niet veel bijzonders, al laat hij wel terloops vallen dat ze vijftienhonderd pond hebben gekost. Sokken? Draagt hij ook, gelukkig. Ontworpen door Marte Roling. Bril? Inderdaad, en een zeer bijzondere: gekocht op een veiling van Christies, hij behoorde ooit aan Elton John.

Wie heb ik hier beschreven?
Een schrijver, een dichter wellicht, een succesvolle schilder of filmregisseur, een kunstfotograaf of een artistieke modeontwerper? Nee, niets van dat al.
Dit is het portret van een museumdirecteur in de provincie, in Groningen of zo. Dit is het portret van een galeriehouder als Loek Brons. Dit is het portret van de wethouder van kunstzaken in Meppel.
Het volgende portret. Hij schildert en is dus bijna altijd in zijn atelier te vinden. Hij kijkt scherp langs zijn duim naar het stilleven; zijn marterharen kwasten trekken de mooiste lijnen. Elke week gaat hij naar de boekwinkel en koopt boeken over kunst, en vooral boeken van schilders, en ook veel boeken waarin staat hoe je verf moet mengen, en boeken over de kleurenleer van Klee en over de theorie achter de lijnen en vlakken van Mondriaan.
Over wie heb ik het? Over een schilder? Ben je gek, ik heb het zelfs niet over Jeroen Krabbe. Maar wel over de bankdirecteur van Amro of ING. Komt die thuis dan gaat het doublebreasted grijsgestreept uit en de flambard op, om zo te zeggen.
Artistiek gedrag vind je altijd in beroepsgroepen die niets met artisticiteit te maken hebben. Zo gedraagt Janneke Brinkman zich altijd tien keer artistieker dan bijvoorbeeld Marte Roling. Wanneer Janneke de kinderen naar school heeft gebracht, ontwaakt de bohemienne in haar en kruipt ze haar atelier in, waarin, in de lege flessen chiantiwijn, nog stompjes kaars steken van de vorige avond en de uitgelopen camembert het nieuwe stilleven completeert dat met waterverf tot weer een nieuwe Libelle-auquarel moet worden omgetoverd.
Als iemand je begroet met de woorden: ‘Goede man, hoe vaart gij en wat brengt u hier? Zijt gij eenzaam en verlaten en kan ik u verlichten door u een alcoholische versnapering te offreren of anderszins wat onversneden saps aan te bieden?’ dan spreek u niet met een acteur of schrijver, maar met een schoolhoofd die al sinds zijn studententijd gek is van Bommel en Godfried Bomans en zich in zulke taal uitleeft in het stukje 'Aan de ouders’ in de schoolkrant.
Artistiek gedrag is een ziekte aan het worden. En ik haat het zo, omdat dit soort dingen mij altijd doen denken aan een verhaal van mijn vader dat nog altijd, al is de man al weer jaren dood, mijn medelijden opwekt.
Mijn vader ging na de oorlog in Berlijn voor het eerst van zijn leven naar een klassiek concert. Hij vond het schitterend. Men speelde Bach en Mozart. Na afloop van het concert ging mijn vader in een Berlijns restaurant souperen met zijn jonge vrouw, mijn moeder dus, op wie hij indruk wilde maken. Opeens zag mijn vader daar de dirigent. Vader stapte met het programmaboekje op de dirigent af en maakte in steenkolen-Duits zijn complimenten. 'Seer sjeun, und eh… seer moezikaliesj auch, und eh… magge ich deine handzeichenung haben?’ Die kreeg mijn vader en hij liet hem trots aan mijn moeder zien. Maar even daarna kwam de dirigent met de menukaarten aanlopen en vroeg hij wat mijn ouders wilden drinken. Hij bleek de ober van het restaurant te zijn die met een glimlach vroeg of 'die Frau’ soms ook zijn handtekening wilde.
Sindsdien heb ik een hekel aan elke vorm van artistiek gedrag.