Ik wil niets weten van de ander!

‘Merk jij dat ook, er zijn bijna geen normale mensen meer.’

‘Hoe bedoel je?’
'Zoals ik het zeg. Iedereen heeft tegenwoordig iets. Je kan niet meer gewoon in een café met iemand praten of hup, al na een paar minuten blijkt iemand iets raars te hebben.’
'Wat dan?’
'Van alles: hij heeft twee vrouwen, hij is depressief, zijn broertje heeft zelfmoord gepleegd, hij heeft drie jaar in een inrichting gezeten, hij heeft een grote-wegfobie, hij verzorgt nog steeds zijn negentigjarige moeder en heeft daardoor nooit een vriendinnetje gekregen… Niemand is meer normaal.’
'Laten we daar blij om zijn. Dat is een verworvenheid. Vroeger werd er over die dingen niet gepraat. Dat leverde frustratie op. We zijn nu veel opener.’
'Wat een flauwekul. Ik wil al die dingen niet weten. Dat exploiteren van tekorten die op zichzelf ook niet eens heel erg interessant zijn… Ik wil het niet weten, ik wil normale mensen.’
'Klinkt toch suspect fascistisch, als je begrijpt wat ik bedoel.’
'Ja, ik begrijp wat je bedoelt, maar het kan me niets schelen. Mijn abnormaliteit is dat ik altijd van vier tot zes een fascist ben. Nou goed? Ik wil normale mensen zien. Ze mogen van binnen ziek zijn, ze mogen al die idiote dingen hebben, maar ze mogen het mij niet vertellen! Dat is onbeschaafd! Ik wil normale mensen om mij heen. Het interessante van mensen mag niet zitten in de exploitatie van hun lijden, maar in de verwerking daarvan. Wat ze ermee gedaan hebben. Ik ben juist voor gekken en idioten, maar die zie je niet. Het zijn altijd gewone mensen die je ziet die niet normaal zijn. En ik wil normale mensen. En daar liefst de gekken van.’
'Ik begrijp toch niet wat je bedoelt. Wil jij dan niet weten wat mensen beroert?’
'Nee, nee, nee! Alsjeblieft niet. Tegenwoordig denkt iedereen maar dat hij interessant is. De tragiek is dat er maar heel weinig mensen interessant zijn. Interessant zijn mensen die iets doen met hun gekte, maar het enige wat tegenwoordig gedaan wordt, is het melden van de gekte: ik ben eigenlijk ook abnormaal, want ik heb zus en ik heb zo. Daarnet op de televisie ging het over mensen met angst… Nou, ik weet echt alles van angst, meer dan wie ook! Maar die mensen maakten van die angst iets heel belangrijks, terwijl het natuurlijk onzin is.’
'Onzin?’
'Ja, onzin! Het is iets waar je niet over gaat praten. Je hebt het - dan kun je twee dingen doen: niets of iets. Doe je er niets aan, moet je je kop houden. Doe je er iets aan, moet je ook je kop houden, want straks ben je niet meer bang. Maar nee, de angsthazen komen uitgebreid in beeld. De een kan niet slapen, de ander is bang voor water, de derde heeft pleinvrees, de vierde hyperventileert als-ie een hond ziet… ik-wil-het-niet-weten! Laat mij normale mensen zien. Mensen die mooi kunnen vertellen over angst. Mensen die een verhaal hebben dat zo spannend is dat je daarvan gaat hyperventileren. Maar dat kan niemand meer. Ze stotteren, kwetteren, sputteren… Niemand doet normaal. Er is te veel aandacht geweest voor het abnormale in de mens. Abnormaliteit is een vorm van communicatie geworden. Je komt elkaar tegen in het café en het is: “Hallo, ik ben schizofreen.” “Goh, wat interessant, ik heb een zusje dat net zelfmoord heeft gepleegd.” Ik wil dat niet meer.’
'Wat wil je dan?’
'Normaal. Ik wil niet belast worden met sores van een ander. Ik wil bescheidenheid. Ik wil dat de dingen klein en overzichtelijk blijven. Ik wil gedachtenuitwisselingen en geen gedragsuitwisselingen. Ik wil niets weten van de ander, ik wil ontdekken.’
'Je bent gek.’
'Nu begin jij ook al.’