Opheffer

Ik wil Nieuws!

Het interview is het eenvoudigste: je hoeft geen zin zelf te bedenken, je hoeft niets uit te zoeken en het is snel gemaakt. Het interview is ook goedkoop. Vandaar dat interviews op het ogenblik als een virus in de kranten tieren. Vaak zelfs het zogenaamde één-woord-interview.

Hengelo?

«Ja, daar zegt u wat. Hengelo. Heb ik mijn jeugd doorgebracht. Leuke stad, maar ook benauwd hoor.»

Zwembroekje?

«Ja, toen ontdekte ik inderdaad dat ik homoseksueel was. Ik zag al die leuke jongens van mijn klas in hun zwembroek staan en ik dacht: ik zou wel eens in dat zwembroekje willen kijken…»

Aids?

«Ik heb uiteindelijk in dat zwembroekje gekeken, en…», et cetera et cetera.

Omdat we de geïnterviewde ondertussen alles hebben gevraagd, zie je ook dat de rol van de interviewer steeds belangrijker wordt. Men doet — het is toch allemaal achteraf — alsof men Ischa Meijer of Theo van Gogh is.

Zeg Wim Kok. Dat schofterige besluit om Belgrado te bombarderen, dat was toch ronduit klootzakkerig?

«Nou, wij vonden dat wij….»

Nee, het was klootzakkerig. Een schoftenstreek. Fascistisch toch?

«Nou, er was daar ethnic cleansing, en…»

Hallo? Hebben we niet gelezen wat Chomsky over die zogenaamde etnische zuiveringen heeft geschreven?

De interviewer als slimmerik, iets ergers is er niet.

Soms denken interviewers ook dat ze goede dialoogschrijvers zijn.

Marco Borsato?

«Spreekt u mee.»

Fijn, mag ik u iets vragen?

«Jawel, hoor.

Mooi. Eerste vraag dan maar?

«Gaat uw gang.»

Aan de andere kant hebben Meijer en Van Gogh bewezen dat het interview een mooi genre is, maar er wordt niets meer mee gedaan.

Als laatste — voordat ik vertel hoe het moet — wil ik het zogenaamde literaire interview noemen, meestal gemaakt door mensen die te lui zijn om tijdens het gesprek een blocnote en een pen te pakken of een cassetterecorder aan te zetten.

«Hij is 1,93 maar oogt klein. Hij draagt een Society Shop-broek en een Lacoste-hemd, beide lijken hem te krap te zitten. Onder zijn ogen zitten wallen. Later zal hij zeggen dat hij gisterenavond is doorgezakt. Op zijn arm een nummer en een hakenkruis. Daar zwijgt hij over, en ik vraag niets. Als hij lacht, zie je een gouden tand. Soms denkt hij na; dan is hij ver weg. Het is ook of hij, vooral als hij vermoeid is, door je heen kijkt. Dan heb je hem niet de goede vraag gesteld, maar meestal is hij zachtmoedig, lief en behulpzaam.»

Het zijn allemaal relatief goedkope stukken. Weet u waarom? Om te verbloemen hoe het werkelijk moet. Hoe moet het werkelijk?

We weten het wel: we moeten niet één, maar eigenlijk dertig man interviewen. Hun gesprekken analyseren, natrekken, toetsen. Waar is het grote artikel over de gezondheidszorg? Over de economische paradoxen? Over het toenemende geweld? Noem maar op. We vragen er incidenteel wel naar — in een interviewtje — en iedereen geeft zijn meninkje. En als iets in een column is genoemd, hebben we er aandacht aan besteed. Maar het verbloemt allemaal dat de pers in een crisis verkeert. En wie doen er het minste aan? De journalisten.

Dat kunnen ze ook niet! Geen geld. En de kranten die geld hebben, steken dat in magazines die niemand wil lezen en die als kut op Dirk slaan.

Ik wil iets weten over de economie van de nieuwe, elkaar uitmoordende maffia. Maar op die plek zie ik halfbakken columns van tv- en popsterren!

Ik wil iets weten over onze rechtspraak. Maar in plaats daarvan krijg ik een fotoserie — prachtige foto’s, dat wel — over weer een huilend jongetje bij een tank, gemaakt door een filmster

Ik wil Nieuws! Nieuws! Nieuws!