Ik wil ruzie

Vreemde droom gehad die zich afspeelde in de jaren zeventig.

Ik zat (weer) in de klas, maar opeens gebeurde er iets wat me niet beviel - ik weet niet meer wat. Hoe dan ook: ik loop naar voren en ik wil de betreffende docent (een tegenwoordige collega overigens) een muilpeer verkopen, maar ik word tegengehouden door twee agenten. Dan die maar een klap gegeven, maar zij schieten hun pistool op me leeg. Wakker geworden. Om dat pistool en die leraar gaat het me nu niet. Het gaat mij om die jaren zeventig. Ik zou dat inderdaad destijds gedaan kunnen hebben: opstaan om die leraar een muilpeer te verkopen. Nu was ik destijds ook al tegen geweld, dus ik zou naar een alternatief voor de muilpeer hebben gezocht. Ik zou bijvoorbeeld de leraar voor een openbare vergadering hebben uitgedaagd waarin hij verantwoording had moeten afleggen. Ik zou hem met woorden hebben willen treffen, en uiteindelijk had ik geprotesteerd door middel van een staking of iets dergelijks. Hoe dan ook: als ik het ergens niet mee eens was geweest, had ik ruzie gemaakt. De jaren zeventig waren jaren van verzet, dus van ruzie. Wie zich verzet, heeft namelijk ruzie. De jaren negentig zijn heel anders. Dit zijn de jaren van de behaagzucht. Iedereen wil maar aardig doen en aardig gevonden worden, teneinde een betere positie te verkrijgen. Het geslijm is niet van de lucht. Vooral in kunstenaarskringen. Ruzies komen niet voor, polemieken worden alleen dan aangegaan als het slachtoffer al bijna dood is of wanneer het slachtoffer geen invloed uitoefent, zodat de polemiek zinloos is. Slijmen, behagen, bewonderen, elkaar de lucht in steken - je wordt er beroerd van. Dat was ook zo heerlijk van de jaren zeventig. Er was veel minder competitiedrift. Het was wij tegen hullie. Wat verlang ik naar ruzie. Het is onbeschaafd, maar ik hou ervan en kan er geen genoeg van krijgen. Ook de democratie - ik maak even een grote sprong - lijdt momenteel aan behaagzucht. Liever voegt men zich bij de winnaars dan bij de verliezers die gedwongen zijn ruzie te maken. Hoe komt dat? Dat komt omdat behaagzucht voortkomt uit angst. Slijmen met de baas komt voort uit vrees je baan te verliezen. Die hele verachtelijke mode van ‘positief denken’ is niets anders dan het bezweren van de claustrofobie van de armoede en de eenzaamheid. 'Als we allemaal maar positief denken, is er niets meer om bang voor te zijn.’ Want stel je voor dat je ruzie ging maken: je verliest je baan, en dus krijg je problemen met je hypotheek, en dus met je vrouw en je vriendin. Dan liever slijmen en ongelukkig zijn. Misschien is de democratiseringsgedachte in de jaren zeventig doorgeschoten; er zijn gebieden waar een autoritair optreden gewenst en aanbevelenswaardig is, maar tegenwoordig slaat het door. In hoeveel bedrijven wordt er tegenwoordig niet streng autoritair geregeerd? Waar maak ik me druk om? Eigenlijk om het volgende: je kritisch vermogen staat vaak onder druk van de consequenties van je woorden. Als ik heb geanalyseerd dat het hier een troep is en dat de baas weg moet, dan heeft dat consequenties wanneer er werkelijk naar mij geluisterd wordt. Want misschien gaat de baas dan weg, en misschien heeft dat ook weer consequenties voor de rest. En onder die rest zitten misschien wel vrienden van me. In een omgeving waarin iedereen elkaar te vriend wil houden, zal dus per defintie nooit een kritische geest heersen. Er moet ruzie gemaakt worden, wil er ergens ontwikkeling zijn. Er moeten botsende geesten zijn. Maar dat betekent armoede en eenzaamheid. Wie ruzie maakt is niet geliefd, zal gemeden worden. Er zullen zelfs pogingen in het werk worden gesteld om hem te verjagen. Uiteindelijk zullen de zachte krachten winnen.