Ik wil schoonheid

Je kunt hem zien: aan je handen.
De ruggen van mijn handen zijn verweerd. Soms schaam ik me voor mijn handen, wat natuurlijk idioot is.

Wie schaamt zich voor zijn handen? Ik! Omdat hij er al inzit. Hij zuigt daar al de sappen weg en maakt er witte plekken op. De huid verdroogt. En als ik mijn handen open (nee, hij vliegt niet weg, integendeel), dan zie ik de groeven die hij van plan is te maken. De vingers - dat is raar - die hebben een kromming. Een kromming waardoor ze iets naar beneden wijzen als ik rechtuit wijs. Alsof ze de plek aangeven. Welke plek? De plek… Ja, hij heeft alles goed geregeld. Hij zit ook bij m'n hals en m'n keel. Paddehuid. Schildpaddehuid. Een gelooidheid waar het leven ook al uit is weggezogen en die niet meer te verbergen is met een coltrui. O paniek. Paniek om de schaamte. Net op het moment dat het je geen moer meer uitmaakt hoe je eruitziet, wordt zichtbaar dat hij al in je zit. Soms, als je bij een meisje sliep, werd je midden in de nacht wakker. Je kon eigenlijk niet geloven wat je had meegemaakt. En je bekeek haar, die zelf nog volledig moest ontwaken, vlak voor de rozevingerige dageraad: haar borsten, haar beentjes, haar billen en opeens zag je haar hoofd, en door haar verwarde haren heen die roken naar jonge paarden, zag je haar schedel. En je werd even bang, maar daarna overmand door ontroering, want je was even niet eenzaam meer. Waar huist hij niet? Hij huist niet in je ogen, gek genoeg. Waarom is dat? Is dat omdat je hem kunt zien, en dan aan hem kunt wennen? Vermoedelijk wel. Hij doet wel iets met je ogen. Hij laat je ermee spelen. Je kunt nu veel meer dan vroeger ‘guitig kijken’, of 'verleidelijk kijken’ of 'vermoeid kijken’. Vroeger wás je al die gemoederen, tegenwoordig kun je ze uitdrukken met je ogen. Dat doet hij. Juist omdat hij het ware guitige, verleidelijke en vermoeiende al heeft weggevreten, laat hij je het spelen. Eigenlijk ben je nooit meer moe, al ben je volstrekt kapot. Die moeheid van vroeger is weg. Als je tegenwoordig moe bent, kun je eenvoudigweg niet meer. Niet meer kunnen, is niets anders dan dat je moet aanvaarden dat hij steeds vaker het heft in handen wil nemen. Is er dan niets dat hem tegenhoudt? Jawel. Het is iets wat je nauwelijks in je mond durft te nemen en niet durft op te schrijven. Het is schoonheid. Omdat hij wil dat jij hem ziet, ben je ook in staat opeens die schoonheid te zien. Omdat hij wil dat jij hem voelt, kun je ook schoonheid voelen. Hoe je handen door de jonge paardenharen gaan. Hoe je ogen vermijden te kijken naar de schedel. Hij houdt niet van schoonheid. Dan vlucht hij even weg, of houdt zich schuil. Je gaat naar de kapper en laat je haar verven. 'Zwart. Helemaal zwart.’ 'Dat maakt u een stuk jonger, mijnheer.’ Je koopt nieuwe kleren. Niet te opzichtig, maar net. 'Doe maar dat donkergrijze pak.’ Je gaat ’s(ochtends zwemmen; je geeft het roken op. Je laat een baardje staan. 'Je ziet er goed uit, jongen. Een stuk jonger.’ Je hoort hem lachen, want al heeft hij zich verborgen, hij is er wel. Maar je wilt zelf schoonheid zijn. En als je denkt dat hij weg is, en net als je vermoedt dat hij zich geruime tijd niet laat zien, prikt hij in je rug, in je hoofd, of in je hart. Al het verdriet is liefdesverdriet. En dat is de bron waaraan hij zich laaft. Tegen liefde kan hij helemaal niet.