Tom Wolfe wil de werkelijkheid

‘Ik wil schrijven over het weefsel van onze maatschappij’

Je kunt wel denken te weten hoe de samenleving in elkaar zit, maar het spreekt van meer wijsheid om te luisteren naar anderen. Voor zijn romans doet Tom Wolfe uitgebreid research. ‘Realisme is de reden dat mensen boeken lezen.’

Natuurlijk woont hij in New York. Voor hem is het geen stad, maar een serie verhalen, zonder garantie van een happy ending. Een jungle van beton, waar de Amerikaanse droom net zo snel kan omslaan in de Amerikaanse nacht­merrie. Hier wordt gegokt en verloren. Hier zijn de bewoners players, ze willen iets bereiken. Ze willen het maken, want als je het hier kunt maken, zoals het liedje gaat, dan kun je het overal maken. Mensen hebben hier attitude, weetjewel, ze laten niet met zich sollen. Je kent de grap toch:

Q: How many New Yorkers does it take to change a light bulb?

A: None of your fucking business!

Zijn pak is fris en wit, ongekreukt vers, alsof hij wil compenseren dat zijn gezicht oud is, zijn haar dun en grijs, zijn rug is gebogen als een kromgegroeide boom, ouderdomsvlekjes op zijn handen – als hij kucht, HhuGH!, HhuGH!, klinkt het alsof De Dood aanklopt op een holle deur. Maar tegelijk heeft hij grote heldere blauwe ogen, een open jongensachtige blik.

Hij lijkt hoog boven het plebs te wonen, weggestopt in zijn ivoren toren, veertien hoog met uitzicht op Central Park – maar als je de verdiepingen in de privé-lift telt zie je dat de dertiende verdieping niet bestaat. Succes komt niet zonder bijgeloof, en toch, zelfs dan, zelfs hier, tientallen meters boven het asfalt, dringt de straat zich op, IEUIEUIEUIEUIEU! doet een politiesirene beneden, de banden, WHIIIIIIiiieep!, schuren over het asfalt. Weer, somewhere out there, iemands droom in duigen. WHAM! RINKELDEKINKEL!

Het is niet heel moeilijk het door testosteron gedreven proza van Tom Wolfe te imiteren. De aangezette metaforen, de grote statements. Weinig schrijvers hebben zo’n herkenbare stijl – ook in zijn nieuwste roman Back to Blood, in het Nederlands bij Prometheus verschenen als Terug naar het bloed, kun je aan elke willekeurige pagina Wolfe’s stijl herkennen. En dan hoef je niet eens zozeer de zinnen te lezen; je herkent Wolfe aan de lange onomatopeeën op de pagina (hij beschrijft een popnummer als ‘thung HUMP thung TRUST thung BEAT thung’), aan de schuin gedrukte woorden, en aan de wilde interpunctie, hele series puntkomma’s en uitroeptekens, alsof er net voordat de tekst naar de drukker werd gestuurd een kat over het toetsenbord is gelopen.

81 is hij nu. Veel van de Grote Schrijvers van zijn generatie zijn de laatste jaren overleden: Hunter S. Thompson, Gore Vidal, Norman Mailer, John Updike; Philip Roth heeft zijn pensioen aangekondigd (Wolfe: ‘Ik ken Philip. Hij houdt van honkbal en de grote honkballers keren altijd terug uit hun pensioen. Let maar op’), maar Wolfe’s boeken blijven een onverminderd schrijfplezier uitstralen. Zijn romans zijn door de literaire critici nooit zo serieus genomen als die van de andere leden van zijn generatie, maar ze verkochten er des te beter om. The Bonfire of the Vanities (1987) over de schandaal zoekende media en snelle beursjongens, de ‘Masters of the Universe’, in het New York van de jaren tachtig, is inmiddels een klassieker in het satirische genre; A Man in Full (1998), over arm rijk en zwart blank in Atlanta, Georgia, was zo’n publiekssucces dat het een heel discours opleverde in de Amerikaanse letteren: is dit hoe de literatuur verder moet?

Het is een debat waar Wolfe zich wel en niet in mengde. Niet, want hij trok zich niets aan van kritiek. Wel, want hij schreef een veelbesproken essay in Harper’s (getiteld Stalking the Billion Footed Beast, in nieuwe edities van The Bonfire is het opgenomen als voorwoord) waarin hij een statement van Philip Roth aanhaalde, die in 1961 had gezegd dat de Amerikaanse samen­leving zo bizar aan het worden was dat alles wat de romanschrijver kan bedenken de volgende dag al links en rechts is ingehaald door de ochtendkrant. Alle schrijvers sindsdien zagen het als een opdracht zich van die bizarre samen­leving af te keren en zich op postmoderne genrespelletjes te verlaten. Wolfe pleitte voor een terugkeer naar het realisme, een terugkeer naar literatuur die zich engageert met de samenleving, waar de schrijver er op uit gaat en ziet wat er op straat gebeurt, en zo een rol vervult in die samenleving. Zijn verkoopcijfers zetten nog eens een streep onder zijn betoog.

‘Dat was mijn zwanenzang als literair essayist’, zegt Wolfe. ‘De meeste Amerikaanse schrijvers wonen lekker knus bij elkaar in de hippe stukken van Brooklyn. Ze wonen niet midden in de stad, ze wonen niet midden in Amerika. Maar heel weinig auteurs zouden vandaag nog een boek als The Bonfire of the Vanities kunnen schrijven, een boek gericht op gedetailleerde weergave van een sociale klasse, om de eenvoudige reden dat er geen schrijver is die op 75th Street Park Avenue woont.’ 75 en Park geldt als de duurste straat van New York. Wolfe zegt het zonder ironie, terwijl hij zelf toch echt nog geen vier blokken verderop woont, ter hoogte van het Metropolitan Museum. Als je zijn adres googelt vind je oude advertenties van makelaarssites; de vraagprijzen van de appartementen in zijn flatgebouw liggen tussen de negen en veertien miljoen dollar.

‘Maar toch is realisme, daar blijf ik van overtuigd, de reden dat mensen boeken lezen. Ze willen die link met de wereld hebben. En stiekem denk ik dat ik geen ongelijk heb gekregen. Wie zijn de populairste Amerikaanse romanschrijvers vandaag? Jonathan Franzen en Jeffrey Eugenides. Wat schrijven zij? Realistisch proza. Ziezo.’

Terug naar het bloed speelt zich af in Miami, Florida, een stad die gedomineerd wordt door Cubaanse vluchtelingen en hun nakomelingen, die allen verschillende relaties met hun verleden hebben. Sommigen willen het vergeten, voelen zich meer Amerikaan dan Cubaan, anderen blijven solidair met hun landgenoten die nog op Cuba wonen. Wolfe ging meer dan een dozijn keer naar de stad voor onderzoek. De splijtzwam in de roman komt wanneer de Cubaans-Amerikaanse politieagent Nestor Camacho (en hij maakt het woord ‘macho’ waar ook; hij bestelt zijn uniform een maat te klein zodat je zijn armspieren niet kunt missen) een bootvluchteling op een paar meter van de kust tegenhoudt. Voor de vluchteling is het pijnlijk: sinds het Castro-regime geldt voor Cubanen de regel dat als ze op open water worden opgepakt ze worden teruggestuurd. Als ze het Amerikaanse grondgebied ook maar met een voet aanraken, krijgen ze automatisch een verblijfsvergunning. Maar ook voor Nestor is het pijnlijk: hij heeft zijn Cubaanse roots verraden, Nestors vader keert zich van hem af, waardoor Nestor zich in allerlei bochten wringt, middels een groot onderzoek naar een Russische oplichter, om het eergevoel bij zijn vader weer te herstellen.

In Terug naar het bloed komt de Cubaanse gemeenschap over als een sterk patriarchale gemeenschap.

‘De vader is de baas, absoluut. Maar belangrijker, en daarom heet de roman ook Terug naar het bloed, is dat voor de tweede generatie de oorsprong van de vader heel bepalend is voor je sociale klasse. Als jouw vader oorspronkelijk uit grootstedelijk Havana kwam, dan zit het goed. Komt jouw vader uit de provincie, dan ben je een boertje. Als gevolg zie je dat mensen permanent over hun ouders liegen, of op z’n minst overdrijven.’

In de roman lijken alle personages ook sterk bezig het leven te leiden dat hun ouders voor ze bedacht hebben.

‘Ook dat was iets waar de mensen in Miami die ik voor mijn onderzoek sprak erg mee bezig waren. Hun ouders hadden alles achter moeten laten toen ze Cuba verlieten; ze begonnen in de VS met niets. Dat is een hele verplichting voor hun kinderen. Zij moeten de hoop van hun ouders waarmaken. Dat is een grote druk. En dat verklaart ook, deels waarom de Cubaanse bevolking in Miami veel minder integreert met de andere bevolkingsgroepen. Miami is een “melting pot”, alleen zijn de onderdelen niet gesmolten. Alle groepen bestaan naast elkaar, niet met elkaar. Erfgoed is heel nadrukkelijk een onderwerp daar, net als ras. De Cubanen maken onderling sterk onderscheid tussen de verschillende tinten huidskleuren. Hoe blanker hoe beter, denken ze vaak.’

In Terug naar het bloed zit een personage, een Haïtiaanse professor, wiens dochter zo’n lichte huid heeft dat hij probeert voor te doen alsof ze niet Haïtiaans is, maar Anglo-American.

‘Een van de mooiste verhalen vertelde een meisje me. Heel mooi meisje, grote ogen, perfect figuur. Wat me opviel was dat ze, voor Miami’s doen, een nogal ouderwetse bikini droeg. Met brede schouderbandjes, helemaal niet zo bloot als je gewend bent. Ze vertelde dat ze dat mooi vond, want als ze dan ’s avonds uitging, dan kon je het kleurverschil zien tussen de stukjes van haar huid die bedekt en die onbedekt waren geweest. Met andere woorden: zo kon je zien hoe blank ze werkelijk was.’

Identiteitspolitiek is in al uw romans een belangrijk onderwerp, telkens botsen sociale en culturele klassen met elkaar.

‘Op de verkiezingsnacht zei de ultra­conservatieve Bill O’Reilly van Fox News dat Amerika geen blanke meerderheid meer kende. Hij vond het vreselijk. Amerika werd nu ­gedomineerd door minderheden. Maar hij heeft niet opgelet. Als je de cijfers bekijkt van de grote openbare middelbare scholen in de doorsnee working class-wijken, de armere, gekleurde wijken van Queens en de Bronx – dan zie je dat iets van zestig procent van de scholieren die hun eindexamen halen Latino-roots hebben. Twintig procent is zwart, nog eens twintig procent is Aziatisch of blank. Dan kun je uittellen dat over tien, twintig jaar de Latino-gemeenschap erg dominant zal zijn in de stemmende middle class.’

Koos u er daarom voor uw roman in Miami te situeren?

‘Nee, ik begon aanvankelijk in San Francisco. Ik had een verhaal in gedachten over Amerikaanse veteranen en Vietnamese bootvluchtelingen; je hebt in Californië grote hoeveelheden Vietnamezen, ze hebben hun eigen kranten, hun eigen verenigingen. Maar toen ik daar research deed, bleek dat al snel een dood spoor. Ik sprak de taal niet. Ik kwam er niet in. Maar via mijn onderzoek naar immigratie las ik interessante dingen over Miami – toen ben ik daar beland.’

Dat klinkt als een non-fictie-aanpak van fictie: u volgt het verhaal, in plaats van andersom.

‘En waarom ook niet? Ik wil romans schrijven over “the fabric of Amerika”, het weefsel van onze maatschappij. Dan kun je zelf wel denken te weten hoe die in elkaar zit, maar het spreekt van meer wijsheid om je oor te luisteren te leggen bij anderen. Dus ik loop daar rond, met mijn bloknootje in mijn hand. Heel onschuldig, heel naïef.’

Het is moeilijk u voor te stellen als anonieme fly on the wall.

‘Maar als ik eropuit ga, draag ik niet mijn witte pak, hoor. Dan ben ik het mannetje van Mars. Ik zeg bij alles: “Goh, echt waar?” Als ik een bijdrage aan de psychologie heb geleverd – waarschijnlijk niet, maar toch – dan is het wat ik “information superiority” noem. Dat houdt in dat mensen die iets weten wat iemand anders niet weet zich superieur voelen. Daar kun je als journalist heel goed op inspelen. Ik merk het bij mezelf; als iemand me de weg vraagt en ik weet ’m, dan kan ik niet uitgebreid genoeg antwoorden (en omgekeerd, als je het niet weet, heb je eerder zoiets van “stomme vraag, laat me met rust”). Zo werkt dat als ik op reportage ga ook: ik doe alsof ik niets weet, waardoor de ander eindeloos enthousiast zijn kennis aan mij kan opleggen. Een zekere nederigheid past soms bij de romanschrijver.’

Wat heeft u ontdekt dat u anders nooit geweten zou hebben?

‘Zoveel. Markten waar alle Cubanen samenkomen maar waar geen blanke inwoner van Miami ooit van heeft gehoord waarschijnlijk. Bepaalde gewoonten, bepaald slang. Toen ik research deed voor The Bonfire sprak ik niet alleen Wall Street-jongens, ik sprak ook vrouwen die met ze gedate hadden. Ze vonden het vreselijk, zeiden ze. De yuppen wilden de hele date alleen maar over hun carrière praten. Wat ik anders nooit geweten had, was hoe het Wall Street-seksleven eruitzag: de vrouwen vertelden me dat het intens saai was. Het ging van humpa-humpa-BINGO!, en daarna rolden die yuppen van ze af en vielen ze als een beer in slaap.’

U begon als ‘cub reporter’ bij een lokale krant. Junior verslaggevertje. Hoe heeft u dat geholpen als romanschrijver?

‘Je moet leren blauwtjes te lopen. Een van mijn eerste klussen ging over burgemeester Rockefeller van New York. Hij scheidde van zijn vrouw en stond op het punt zijn minnares te trouwen en ik moest de straat op en aan voorbijgangers vragen wat ze daarvan vonden. Ik heb zelden zo vaak “fuck off” gehoord.’

Had u de discipline om door te gaan?

‘Het vergt geen discipline, het vergt eelt op je ziel, om zo vaak “nee” te horen.’

Kon u dat toen al aan?

‘Nee. Maar ik had een vader die niet tegen slappe knieën kon, dus die bleef me een schop onder m’n kont geven.’

Uw vader gaf u het idee om schrijver te worden?

‘Mijn vader was redacteur van een tijdschrift over agricultuur, The Southern Planter. In feite was hij een wetenschapper, gespecialiseerd in landbouw, maar toen ik zes of zeven was zag ik hem altijd achter zijn typemachine zitten, dus ik ging er vanuit dat hij schreef. En dus, want zo denken jonge jongens, dacht ik dat ik ook schrijver kon worden, dat het in mijn bloed zat. Het was dus een onterecht zelfvertrouwen, maar het was zelfvertrouwen niettemin.’

In uw romans vallen vaders nogal eens van hun voetstuk. Ze blijken niet de rechte rug te hebben die hun zoons denken dat ze hebben.

‘Weet je wat het is, mensen vragen me dat wel eens vaker. Of ze vragen me of hybris het dominante thema in mijn werk is, aangezien de hoogvliegende zakenlui in The Bonfire en A Man in Full steevast failliet gaan of in de bak eindigen. Ik zou dat graag bevestigen, omdat het mooi klinkt, maar de werkelijkheid is simpeler: je hebt een personage, en dat moet een avontuur beleven. You have to get them in trouble. Dan is een val uit de gratie een goed begin.’

leerde u van uw vader?

‘Hij was de eerste die me leerde naar dit gekke land te kijken. Toen ik klein was, ­kregen mijn vader en ik eens autopech. Ik weet niet meer precies waarnaar we op weg waren, maar ik heb het altijd heel precies onthouden, omdat je in die tijd als kleine jongen niet als vanzelf­sprekend op een roadtrip met je vader ging. Vaders werkten, moeders zorgden voor de kinderen. Maar enfin, we kregen autopech en ­moesten naar een garage. Een band moest vervangen worden, maar de monteur was met van alles en nog wat bezig, maar niet met onze band – dus na een tijdje zei m’n vader totaal ­geïrriteerd: “Hé, onze band staat daar, hoor!” En de monteur keek eens om naar mijn vader en zei: “Gee sir, don’t get your bowels in an uproar.”

Ik schrok, want ik kende mijn vader als een man met gezag, een strenge uitstraling, altijd strak in het pak. Ik dacht dat hij woedend zou worden. Maar hij begon juist ontzettend te lachen. “Don’t get your bowels in an uproar.” Dat was Amerika, zei hij, mensen letten niet op sociale status. Iedereen behandelt elkaar als gelijken.’

Amerika komt in uw romans niet bepaald naar voren als een land van gelijken.

‘Sinds de midcentury is er veel veranderd. Het gat tussen arm en rijk is nu net zo groot als in de Victoriaanse tijd en daarmee is statusbesef ook steeds groter.

Nog een anekdote: ten tijde van mijn onderzoek naar The Bonfire zat ik in een taxi met een Italiaanse aristocraat, een graaf of iets dergelijks. Continu werd hij door de taxichauffeur aangesproken met “Mac”: “Sure thing, Mac”, “No problem, Mac.” De graaf werd boos. “Er bestaat ook een ander drieletterig woord dat u kunt gebruiken, waardoor u een aanzienlijk hogere fooi kunt verwachten. Je schrijft het S-I-R.” Die taxichauffeur draaide zich om: u komt zeker van “the old continent” vroeg hij. “Ziet u, wij zijn hier naartoe gekomen om van al dat gezeik af te zijn.” Maar het is die mythe die voor zoveel frictie zorgt. Amerika wil graag geloven dat het een land van gelijken is, maar het tegendeel is juist heel erg waar.’

Had uw vader daar moeite mee?

‘Ik heb het wel eens met hem gehad over die frictie tussen sociale klassen, die zogenaamd niet bestaat in Amerika. Natuurlijk zag hij dit land veranderen, zei hij, “maar dat is in ieder geval een geweldig onderwerp voor schrijvers zoals jij”.’

Tom Wolfe, Terug naar het bloed. Uit het Engels vertaald door Mario Molengraaf, Prometheus, 608 blz., € 19,95