Opheffer

Ik wil terug naar traag

Wie wil alles eigenlijk korter en sneller?

Ik wil dat bijvoorbeeld niet. Mijn collega’s ook niet. Eigenlijk wil niemand dat die nadenkt.

Toch hoor ik het steeds.

Men wil geen krant meer lezen, want de berichten zijn te lang en te uitgebreid. Dus maakten wij de berichten korter en sneller. Gevolg: nog nooit lazen zo weinig mensen een krant.

Politici zeuren steeds maar over het feit dat hun boodschap kernachtig moet zijn, «sound bytes». Nu geven ze dus sound bytes, en ziet: Tjakka Ratelband mag opeens meedoen.

Kort en snel — de vloeken van deze tijd.

Naar iets dat zich traag ontwikkelt zou niet worden gekeken en geluisterd. Dat zal best. Maar moeten die mensen die niet willen kijken en luisteren dan bereikt worden? Van dat korte en dat snelle is niemand echt beter geworden; ja, het voetbal. Maar ook in de sport is niemand echt beter geworden van kort en snel. Zijn de sporters er gezonder door geworden? Is de sport leuker om naar te kijken? Om kort en snel te zijn, moet ik ook al beginnen als ik kort en snel ben. Als je voor je vijfde jaar geen viool speelt, of op de evenwichtsbalk danst, of met computers speelt, dan kun je wel vergeten dat je ooit een groot violist wordt, of een groot turnster of een grote computerkraker.

Wie bepaalt dat? Wie bepaalt eigenlijk dat mijn buurvrouw geen groot violiste is omdat ze pas op haar zestiende is begonnen? Wie zegt dat iemand die op zijn vijftigste begint geen groot musicus kan worden? Hij is misschien minder snel, maar zijn dan alleen snelle stukken mooi om te spelen? Is snelheid dan een artistiek criterium? Sinds wanneer, en wie zegt dat?

Korter en sneller — het is de roep der dommen.

Teletekst is kort en snel. Maar je weet niks als je alleen teletekst leest. «Twee vliegtuigen in wtc.» En dan?

Sms’en is kort en snel. Het is in plaats van praten gekomen. Vorig jaar werd ik nog ge-sms’t met de mededeling: ga je mee eten? Nu krijg ik op mijn telefoonscherm een bordje met een mes en vork te zien. Niet eens een vraagteken. Alleen het symbool, dat ik eigenlijk toevallig begrijp.

Hoe korter, hoe sneller, hoe meer ik moet interpreteren. En het interpreteren van mensen is altijd fout, omdat we dan per definitie niet weten of het goed is wat we hebben geïnterpreteerd. Bordje met mes en vork. Bij mij eten? Bij jou? Hoe? Ik zend een hartje terug.

Liefde? Ironie? Gemeend? Gemakkelijk?

De mensen spreken ook sneller en korter. Laatst hoorde ik eerst Joop den Uyl. De goede man stamt nog uit mijn tijd. Daarna hoorde ik Heinsbroek. Toch alweer een vijf tiger. Heinsbroek sprak twee keer sneller dan Den Uyl. Maar wat slordig. «Ja, kijk eens hier… Wat is dat nou… Luister, kijk…»

Ik wil terug naar traag. Als alles korter en sneller gaat, zou je meer tijd overhouden om te leven. Wie weet er precies hoe hij moet leven? Niet die maniakken die alles korter en nog korter en nog sneller willen. Ik hoor hoe men lidwoorden weglaat in conversatie. Kan. Mooi? Nee! Misschien loop ik straks hopeloos achter. Misschien kan niemand mij straks verstaan. Ik sluit het niet uit. Wie weet vragen mijn kleinkinderen straks: «Oop, de is?»

Ik zal dan begrijpen dat ze me vragen: «Opa, wat betekent ‹de› in deze zin?» Maar misschien begrijp ik dat ook niet.

Ik zal nooit mijn tachtigjarige moeder vergeten die aandachtig naar de radio had geluisterd en toevallig bij een popzender terecht was gekomen. Ze had een briefje gemaakt van alles wat ze niet begreep. Ik las: «Alweer een dijk… Gestegen van 23 naar 11… Een kraker, uit je bol, nieuwe cd-box, hallo, mag ik een emmertje… etc. etc.» Allemaal zaken die ze niet begreep. Ze zei toen, tien jaar geleden: «Eigenlijk heb ik er geen woord van begrepen… En het was toch Nederlands.»