Opheffer

Ik wil vrijheid van meningsuiting

Het hakenkruis. Dat is voor mij een symbool. Het staat voor zes miljoen joden die zijn omgebracht, Hitler, racisme, antisemitisme, fascisme, kortom: voor het zwartste van het zwartste. De davidster, dat is voor de Palestijn het symbool van: fascisme, onrechtmatige landbezetting, het doden van vluchtelingen in vluchtelingenkampen, racisme, van het zwartste van het zwartste. Als er in Amsterdam wordt gedemonstreerd, mag je van de burgemeester niet laten zien een davidster, dan een isgelijkteken en dan een hakenkruis. Je mag ook geen Israëlische vlaggen verbranden, ook geen Palestijnse Arafat-doeken, want dat kwetst.

Symbolen kwetsen. We weten dat symbolen tekens zijn die naar iets verwijzen, en dat «iets» hebben wij, eenvoudige stervelingen, erin gelegd. Het kruis is voor de één symbool van God, voor de ander symbool van zijn gekrenkte jeugd waarin priesters constant aan zijn piemeltje zaten te voelen. Sym bolen betekenen alleen iets in de ogen van mensen — een hond pist graag tegen een hakenkruis — en wat ze precies betekenen hangt af van de geschiedenis, de opvattingen, ervaringen, noem maar op.

Natuurlijk kwetsen symbolen, zoals ze ook gelukkig kunnen maken. De Israëlische vlag in top maakt joden gelukkig, maar op de tank van een Israëlische soldaat is het voor de Palestijn iets vreeswekkends. Toch willen we de strijd tussen symbolen (davidster = hakenkruis) verbieden, terwijl die per definitie minder slachtoffers maakt dan de werkelijke strijd. De strijd tussen symbolen is in wezen een strijd tussen generalisaties. Want dat zijn symbolen. In een teken zit een reeks van betekenissen. Een symbool is te vergelijken met een kop in de krant. Israël voert oorlog, staat er in de kop. In het artikel lezen we wat en hoe en tegen wie. Als je symbolen gaat verbieden, zou je dus, redenerend naar analogie, ook onwelvoeglijke krantenkoppen moeten verbieden. Israël fascistenstaat. Of Palestijnse martelaren vredesduiven. Als het om krantenkoppen gaat, weten we meteen dat we dat niet moeten doen want dan komt de vrijheid van meningsuiting in het geding. Als het om symbolen gaat — wat vaak de krantenkoppen zijn van hen die slecht kunnen lezen — komen er opeens allerlei verbodsbepalingen.

Nog nooit is de vrijheid van meningsuiting zo onder druk komen te staan als tegenwoordig. De afgelopen week hoorde ik Felix Rottenberg, Frits Bolkestein, Job Cohen, Thom de Graaf, Boris Dittrich, enkele bedenkingen koesteren tegen de totale vrijheid van meningsuiting. Argument: fascistische of antisemitische uitingen moet je niet tolereren, die zijn trouwens ook strafbaar. Dat je die uitingen moet bestrijden, vind ik ook, maar dat doe je niet door ze te verbieden. Homohaat of antisemitisme worden niet minder als je mensen verbiedt te zeggen dat ze een hekel hebben aan homo’s of aan joden.

De totale vrijheid van meningsuiting kwetst altijd iemand. En vaak is dat ook de bedoeling. Iemand verbaal kwetsen is een tactiek om een argument kracht bij te zetten. Dat is misschien niet netjes, maar het is nu eenmaal zo. Dan kun je beter weten wie kwetst en waar hij dat doet, dan dat hij het doet in het geheim en onvoorspelbaar. Symbolen en taal kwetsen, maar doden niemand — in gelijke mate maken symbolen en taal je gelukkig. Als ik nu kijk naar de pijl door het hart die ik tien jaar geleden van mijn geliefde kreeg, dan doet me dat nu zeer, terwijl het me toen gelukkig maakte.

Ik ben kortom, voor de totale vrijheid van meningsuiting. Het is de snelste manier om welk symbool dan ook, welke generalisatie dan ook, totaal overbodig en zinloos en dus ongevaarlijk te maken.