Ik wil weer romantiek

Je hoort wel eens dat je uiteindelijk degene wordt die je hebt bestreden. Ik heb altijd wat gehad tegen de gearriveerde intellectueel die het zo goed wist en altijd veilige meningen had.

Veilige meningen waren bijvoorbeeld: de VPRO is okee, Veronica is fout. De Volkskrant is goed, De Telegraaf is fout. De oorlog in Vietnam is fout, het regime in Nicaragua is goed.
Hoe is bij mijzelf de stand van zaken nu?
Ik kijk zelden meer televisie - en als ik televisie kijk, dan is het de BBC, TV5, CNN, de VPRO of de Tros. (De Tros heeft leuke kunstprogramma’s, ’s avonds laat.)
De Nederlandse literatuur volg ik niet meer. Het afgelopen jaar las ik vertalingen en Amerikaanse of Engelse literatuur. Ik heb twee Nederlandse dichtbundels gekocht. Wat ik in het antiquariaat aan boeken heb aangeschaft, betrof wel Nederlandse auteurs, maar die waren al lang dood.
De opiniebladen (afgezien van De Groene, want daar sta ik dus zelf in) blijven zeker tot het weekend in de wikkel. Er staat zelden iets in dat ik de moeite waard vind. Daarentegen kan ik me ’s zondags verheugen op de tocht naar de boekwinkel om daar de Engelse kranten te kopen, en die vervolgens in het café te lezen.
Met mijn politieke opvattingen is het vreemder gesteld: ik ben linkser, maar zeker ook rechtser dan vroeger.
Rechts: ik heb te veel kennissen om me heen die werkloos zijn en daarvoor de schuld bij anderen leggen. Vooral tegen de werklozen uit roeping heb ik iets. Zeker in de zomer. Weg met de uitkeringen en de subsidies, denk ik met steeds grotere regelmaat.
Links: de teloorgang van de gezondheidszorg, het milieu en de toenemende commerciële manier van handelen en denken baart me zorgen. Dat gespeculeer op de beurs maakt me misselijk, hoewel ik zelf aandeeltjes heb.
Ouder worden ervaar ik als: eigenaardiger worden.
Er zijn steeds minder mensen met wie ik een goed gesprek kan voeren - ik merk dat men zich aan mij ergert, want ik ben constant negatief.
Verder word ik angstiger, en ik was al zo angstig. Mijn angst is echter nu meer maatschappelijk. Anders gezegd: was ik vroeger bang voor de dood, nu ben ik bang voor mijn toekomst. Ik heb geen pensioen opgebouwd en weet dus niet waar ik straks van moet leven.
Wat mij - paradoxaal genoeg omdat ik zelf zo angstig ben - het meest ergert is de algemene lafheid. Niemand durft meer wat. Iedereen speelt op zeker. Waar zie je nog een raar idee? Niet op de televisie, zelden in de kranten, nauwelijks meer in de stad. Er is een groot gebrek aan artistiek denken. Ik heb me altijd verzet tegen een woord als ‘leuk’, maar steeds vaker denk ik: 'Wanneer wordt het nou eens leuk? Wanneer bedenkt er iemand nu eens iets leuks? Iets geks, iets vreemds, iets wat alles in brand zet.’
Ik betrap me ook voortdurend op de gedachte: 'We hebben het te goed.’ Het ergert me dat - na een wandeling bijvoorbeeld - niemand zelf brood bij zich heeft, maar dat men naar een café of restaurant gaat om daar een tosti te eten. Hoogst zelden word ik bij mensen thuis uitgenodigd om daar te komen eten. En als ik eens mensen uitnodig, blijven ze te lang en houden ze geen rekening met het feit dat ik de volgende dag weer vroeg een stuk moet inleveren.
Tijdens een tafelgesprek valt - ook ik maak me daar schuldig aan - veel te vaak het woord 'ik’. Er vindt slechts een uitwisseling van meningen plaats, maar de argumentatie wordt tegenwoordig weggelaten of er wordt slechts één argument gegeven. Discussie om de discussie bestaat niet meer. Anders gezegd: het praten wordt steeds digitaler. Iets is goed of niet goed, mooi of niet mooi, juist of niet juist. Nuances verdwijnen.
Er is - maar dit is erg vaag - een groot gebrek aan sfeer.
Ik wil die sfeer van vroeger terug. De sfeer van opstandigheid, de sfeer van leuk, van twijfel, van iets proberen.
Depressie moet weer een vorm van romantiek worden.