Zijn we echt zo opgebrand?

Ik wil wel, maar ik kan niet

Er is in Nederland géén burn-out-epidemie, maar er lijden wel veel werkende mensen aan geestelijke uitputting. ‘Het is een symptoom van een onzekere samenleving in transitie’, menen deskundigen.

Het Amsterdam Dance Event besteedde dit jaar voor het eerst aandacht aan het geestelijk welzijn van muziekprofessionals, een onderwerp waar je niet meteen aan denkt bij deze swingende bedrijfstak waar miljoenen in omgaan. Door de zelfmoord van de Zweedse dj Avicii dit voorjaar is de glamour echter in een ander daglicht komen te staan. Diskjockeys vliegen met een stick in de binnenzak over de aardbol door tijdzones heen naar festivals, laden zich op om urenlang verheven op het podium zich helemaal te geven aan een uitzinnige massa. Over de schaduwkanten daarvan werd tijdens een paneldiscussie vrijuit gesproken: de enorme druk waaronder zij moeten presteren, de oververmoeidheid die ze onderdrukken met drank en pillen of juist door extreem te sporten. ‘Er is een kentering’, concludeerden de panelleden, ‘en die begint vandaag. Willen wij een duurzame carrière, dan moeten we op tijd afstand en rust nemen.’

Dat zelfs de dancewereld zich nu buigt over het stellen van grenzen in het werk past in een bredere trend. Van de brandweer en de politie tot de universiteit – in de afgelopen maanden voerden zij protestacties onder een gelijkluidend motto: het water staat ons aan de lippen door toenemende werkdruk. Het ongenoegen wordt onderbouwd door het ene na het andere rapport. Zo speelt het in de academische wereld vooral bij de wetenschappelijke docenten waarvan, aldus het onderzoek Drijfveren van onderzoekers van het Rathenau Instituut, ruim zeventig procent aangeeft dat de werkdruk hoog of veel te hoog is. In een reactie hierop worden er nu plannen van aanpak gelanceerd die verder gaan dan eerdere beloftes van beterschap of het gratuit aanbieden van cursussen ‘omgaan met stress’.

Werkdruk verschijnt niet opeens hoog op de agenda, en het probleem kan ook niet worden afgeschoven op de aantrekkende economie waardoor het toerental omhoog moet. Bij alle protesten benoemen woordvoerders structurele oorzaken: bezuinigingen op personeel, te krappe werkschema’s, overwerken, toegenomen bureaucratisering zodat er veel tijd gaat zitten in administratie die ten koste gaat van het werk waarvoor zij ooit hebben gekozen. Die ‘werkdruk’ trekt al langer een wissel op alles en iedereen. En met gevolgen: mensen raken opgebrand. Ze lijden aan een burn-out.

Het zal niemand ontgaan dat deze ‘nieuwe’ aandoening de laatste jaren zodanig rap is opgekomen dat er wordt gesproken over een epidemie. De getallen die in publicaties, op websites of in tv-programma’s als De mentale kreukels van Sophie Hilbrand worden aangehaald komen erop neer dat één op de zeven Nederlandse werknemers een burn-out heeft. Op de site van Geestelijke Gezondheidzorg (ggz) Nederland staat een omvangrijke lijst van signalen. Psychische symptomen, zoals concentratieverlies, besluiteloosheid, angst- en paniekaanvallen, geheugenproblemen, snel kwaad, snel geërgerd, gevoel van machteloosheid, neerslachtig, vlugger agressief, wantrouwend, onzekerheid, neiging tot verslaving. En lichamelijke symptomen: constante moeheid, slapeloosheid, gevoel van uitputting, pijn in de spieren, nek- en schouderpijn, buikpijn, energieloze stem, hoge ademhaling, geen zin in seks, snel moe of grieperig, hoge bloeddruk. Als de alarmbellen dan niet gaan rinkelen, kunnen de klachten overgaan in een ‘echte burn-out’.

Volgens de ggz-site is een burn-out ‘niet niks’: het zorgt voor totale lichamelijke en geestelijke uitputting. Normale handelingen zoals een boek lezen, een boodschap doen of op bezoek gaan lukt dan niet meer. Je gaat twijfelen aan je kwaliteiten. Niet alleen op het werk, maar ook in de privésfeer. Heeft iemand een burn-out, dan kan het maanden of zelfs jaren duren voordat hij of zij weer is hersteld. Burn-out wordt voorafgegaan door een langere periode van ongezonde stress en onvoldoende ontspanning. ‘Het is heel belangrijk om naar je lichaam te luisteren en de signalen niet te negeren.’

Inmiddels ritselt het van specifieke risicogroepen. Millennials zouden een verhoogde kans hebben op een burn-out, omdat deze generatie perfectionistisch is, faalangst heeft, de hele dag aan het infuus van sociale media hangt en is opgegroeid met een overschat zelfbeeld en een dito toekomstbeeld. Vorige maand wees de Vlaamse krant De Morgen in het artikel Dé ziekte van onze tijd is een uitdijende epidemie geworden op weer een nieuwe doelgroep: tieners. ‘Zij gaan een onduidelijke toekomst tegemoet. De Belgische Hoge Gezondheidsraad vindt dat al vanaf het eerste leerjaar aan preventie gedaan moet worden, want aan de universiteiten zijn de psychologen niet aan te slepen om alle overspannen studenten te begeleiden: dertig procent van de doctoraatsstudenten blijkt zich ongelukkig en depressief te voelen.’ Of nog eerder terug in de levensloop: ook bij kleuters liggen er gevaren op de loer, zo staat beschreven in het boekje Burn-out begint in de kleuterklas: Hoe perfectionisme mensen doet opbranden. Inderdaad worden kinderen al vroeg in hun cognitieve en emotionele voortgang gemonitord in een leerlingvolgsysteem en daar raken ze gestrest van. En anders wel hun ouders, die zich zorgen maken of hun kroost keurig in de pas loopt met de prestatienormen om straks een goed schooladvies te krijgen.

Zit hierin misschien een overkoepelende oorzaak voor werkdruk, studiedruk, speel- en leerdruk met mogelijk uitputting tot gevolg? Dat iedereen in de meritocratische, neoliberale samenleving moet meedoen in de rat race waarbij de maakbaarheid van succes en geluk in handen ligt van elk individu – en dat wie niet meekomt uiteindelijk opbrandt? Of plakken we een etiket op een verschijnsel dat van alle tijden is – een baaldag, niet lekker in je vel zitten – maar dat nu wordt gemedicaliseerd? We leggen het vraagstuk voor aan een aantal deskundigen. Is burn-out een nieuwe volksziekte? En wat betekent dat, is het een symptoom van een ‘zieke’ maatschappij?

‘Er wordt van alles en nog wat over burn-out beweerd, de fictie rondom dit onderwerp tiert welig’, stelde Wilmar Schaufeli, hoogleraar aan de vakgroep sociale, organisatie- en gezondheidspsychologie van de Universiteit Utrecht, vorige maand in een artikel in het vakblad De psycholoog. Hij refereert daarin aan de overstelpende hoeveel publicaties – ruim honderdduizend artikelen, inclusief in de vakbladen – die de afgelopen jaren over dit onderwerp zijn verschenen. Zijn artikel kwam voort uit twee gemoedstoestanden, zegt hij door de telefoon: ‘Irritatie over allerlei uitspraken waar geen wetenschappelijke evidentie voor is. En verbazing dat de wetenschap geen afdoende antwoord heeft op voor de hand liggende vragen. Ik word door journalisten gebeld met steeds dezelfde vragen, maar de boodschap lijkt niet door te dringen: het begrip burn-out is onderhevig aan inflatie.’ In zijn artikel prikt hij een aantal mythes door.

Waar bij wetenschappers in ieder geval overeenstemming over bestaat is dat burn-out een mentale uitputtingstoestand is die samenhangt met werk. Maar over de aard en de ernst van de klachten lopen de meningen flink uiteen. Er ontstaat volgens Schaufeli verwarring doordat enerzijds redelijk onschuldige klachten waarvoor men niet per se hoeft te verzuimen, en anderzijds een langdurige stoornis worden geschaard onder dezelfde diagnose. ‘De achterliggende gedachte is dat een scala van milde klachten uiteindelijk zal leiden tot een échte burn-out. Daarvoor is geen hard wetenschappelijk bewijs.’

Eind negentiende eeuw raakten door de telefoon, kranten en reizen met de trein de hersenen overprikkeld, met als resultaat een onvermogen om te werken

Burn-out werd in 1981 geïntroduceerd door Christina Maslach. Zij ontwikkelde een uitgebreide vragenlijst – de Maslach Burn-out Inventory (mbi) – om erachter te komen of iemand kenmerken vertoonde van emotionele uitputting, depersonalisatie en verminderde persoonlijke bekwaamheid. Ze stelde bovendien dat dit verschijnsel zich uitsluitend voordeed in sociale beroepen, zoals de zorg en het onderwijs. ‘De mbi is sindsdien een eigen leven gaan leiden’, constateert Schaufeli. ‘Er kwam een algemenere versie die nu gehanteerd wordt voor alle beroepsgroepen. Maar ook voor mensen die niet in economische maar wel in psychologische zin “werken”, zoals sporters, vrijwilligers en studenten. Zij ervaren hun activiteiten vanwege een verplichtend karakter als “werk” – en daarvan kunnen ze mentaal uitgeput raken.’

Die verbreding verklaart gedeeltelijk het zwartgallige beeld in de media. ‘Het essentiële verschil tussen klachten en diagnose gaat verloren in de cijfers die iedereen van elkaar overneemt. Zo rek je het begrip wel erg op.’ Er zijn geen aanwijzingen dat Nederland hoger scoort op burn-out dan andere landen. Als je naar statistieken kijkt van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (nea) is het aantal mensen dat lijdt aan uitputtingsverschijnselen in de afgelopen twintig jaar min of meer constant gebleven, met een kleine toename in de laatste jaren; het slingert al een hele tijd rond de tien à veertien procent.

‘Nee, op macro-economisch algemeen niveau is er geen burn-out-epidemie’, zegt eveneens arbeidssocioloog Fabian Dekker. Ook hij wijst erop dat je moet oppassen met hoe burn-out gemeten is. ‘Onderzoekers kijken naar psychosociale belasting, dat hoeft dus niet per se werkuitval te zijn. Organisatiepsychologen hebben het over een “permanent gevoel van opgebrand zijn”. Uitputting, niet meer functioneren, ’s avonds geen afstand meer nemen. Economen kijken objectief naar uitval, sociologen naar subjectieve beleving van groepen. Je hebt dus te maken met verschillende indicatoren.’

Zo bezien is er een discrepantie tussen enerzijds het idee van een epidemie en anderzijds de statistieken over werkdruk, werkuitval en burn-out – cijfers die bovendien ook nog vanuit een verschillend perspectief worden gemeten en geïnterpreteerd. Schaufeli ergert zich eraan dat die oprekking van het begrip burn-out het zicht vertroebelt op de ernst van individuele gevallen. ‘Als klinisch psycholoog behandelde ik zo’n twintig jaar geleden mensen die eraan lijden, en dat kan echt zwaar zijn, dat gaat richting een depressie. Maar er is ook maatschappelijk niet niks aan de hand. Ik kom veel in organisaties en daar wordt over dit onderwerp heel veel gesproken.’

Om dat te duiden, plaatst Schaufeli het fenomeen in een historische context. Hij vertelt dat lang voordat de term eind jaren zeventig in Amerika opdook er beschrijvingen waren van mensen die lijden aan mentale uitputting. Eind negentiende eeuw sprak men over een ‘neurasthenie’, zenuwzwakte. Het werd toen gezien als een gevolg van het moderne, jachtige leven. Door de telefoon, kranten en reizen met de trein raakten de hersenen overprikkeld en zouden daardoor de zenuwen verzwakken, met als resultaat extreme vermoeidheid en een onvermogen om te werken. De parallel is overduidelijk. Nu komt de overkill van prikkels door sociale media en turen naar een beeldscherm. ‘Zenuwzwakte viel eind negentiende eeuw samen met de overgang van een agrarische naar een industriële samenleving, burn-out met de transformatie van de postindustriële naar een dienstverlenende samenleving. Cultuurhistorisch zie ik burn-out als een symptoom van moderniteit.’

Vanuit dit perspectief kun je beter begrijpen waarom een mentale uitputtingstoestand ook voorkomt bij iemand die een activiteit als ‘verplichtend’ ervaart. In de gedigitaliseerde 24-uurseconomie zijn werk en privé door elkaar gaan lopen; met een iPhone kun je overal aan de slag – in bed of tijdens de vakantie, het houdt nooit op. Aan prikkels, professioneel en sociaal, valt nauwelijks te ontkomen. We zitten nu in de overgang naar een digitale, flexibele arbeidsmarkt, met de robotisering als toekomstperspectief. Een baan voor het leven en van nine to five is aan het uitsterven. Werknemers zijn flexwerkers of jobhoppers geworden – het kan niet anders dan dat die dynamiek invloed heeft op de geest.

Er is weliswaar geen spectaculaire toename van burn-out, maar als je nader naar de cijfers kijkt, zie je dat er twee groepen opvallen: mensen tussen de 25 en 34 jaar, de groep die begint met een baan, en de groep die aan het eind van hun loopbaan zit, tussen de 55 en 64 jaar. Arbeidssocioloog Fabian Dekker noemt voor beide de knelpunten: ‘Werk is minder zeker geworden door flexcontracten, de eisen van werkgevers nemen toe – zoals bijscholen – en daar krijgen de baan-intreders als eerste mee te maken. Technologie zorgt ervoor dat we onszelf steeds meer kunnen vergelijken met anderen, dat doet de generatie jongeren bij uitstek. Die ontwikkeling raakt vooral ook ouderen, die zich aan het eind van de rit moeten aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Alles daartussen heeft voldoende ervaring om te zien wat er verandert, en is fysiek en mentaal nog voldoende fit om zelfregie te ontwikkelen.’

Nederland scoort weliswaar internationaal hoog op allerlei work-life-balance-lijsten, maar dat zegt volgens Dekker niet veel: ‘Op macro-niveau gaat het met iedereen goed, maar vanuit verschillende gezichtspunten kan het iets anders betekenen. De werkbevlogen of werkverslaafde werknemers zijn het meest gevoelig voor burn-out. Ze hebben een hoge prestatiedruk, vergelijken zichzelf veel met anderen, of hebben een bepaald carrièredoel. Zelfs een goede werk-privé-balans weegt niet op tegen hun ambitieniveau. Persoonlijk falen is juist bij die groep het grootste taboe. De meeste werkverslaafden zijn hoogopgeleiden.’

‘Een miljoen euro verdienen voordat ik dertig ben. Kunt u mij zeggen hoe ik dat voor elkaar kan krijgen zonder een burn-out ­te krijgen?’

Dekker denkt dat verwachtingen een deel zijn van het probleem: ‘Nederland scoort op internationale lijsten over tevredenheid en geluk hoog, we zijn hartstikke tevreden, maar vooral hoogopgeleiden willen ook presteren, misschien wel meer dan ooit. Die hebben bepaalde verwachtingspatronen, en als er iets tegen zit heb je vrij snel kans op vermoeidheidsverschijnselen. Het zijn ook verschillende groepen, dat is het lastige. Je kunt niet zeggen: burn-out, dat zijn jonge hoogopgeleide mensen. Punt. Nee, ze zitten in het onderwijs, in de horeca, een deel in de zakelijke dienstverlening. Dus je hebt multifactoriële variabelen en groepen. Daaroverheen heb je een aantal algemene tendensen, zoals flexibel werk en technologie. Maar een psycholoog zal zeggen: het heeft ook te maken met persoonlijkheidskenmerken. In bepaalde sectoren zitten relatief meer mensen met persoonlijkheidsscores die een voorbode zijn van burn-out. Onderwijs, zorg en politie zijn sectoren waar de betrokkenheid hoog is – daarom kies je voor semi-publiek of publiek – waar het takenpakket is toegenomen, maar waarmee autonomie, salaris en arbeidsvoorwaarden niet in de pas lopen. Dat is natuurlijk extra zuur. Burn-out komt het meest voor bij bevlogen personen. Beroepen waar je heel betrokken bij bent en je niet zo snel ziek meldt.’

Paulus Lips, sinds dertien jaar huisarts in de Amsterdamse Jordaan, vertelt hoe de werkdruk in zijn praktijk door externe ontwikkelingen is toegenomen. Hij heeft gezien hoe de hulpvragen steeds complexer zijn geworden. Dat heeft te maken met taakverschuiving: wat voorheen door de ggz of de ouderenzorg werd uitgevoerd, komt nu bij de huisarts: ‘Ik heb een aantal patiënten met een bipolaire stoornis. Met hen spreek ik bijvoorbeeld af dat ik ze eens in de twee weken zie. Maar recent had een van hen een manische periode: die zie ik dan drie keer in de week, om de vinger aan de pols te houden, medicatie bij te stellen, en te overleggen met psychiaters. Taken die vroeger bij de ggz lagen. Hetzelfde zie je bij de ouderenzorg: verzorgingshuizen bestaan bijna niet meer. Als je nu wordt opgenomen in een verpleeghuis ben je al heel ziek. Alles wat daarvoor zit, komt bij de huisarts.’

Het is drukker geworden in de huisartsenpraktijk, het aantal hulpvragen is sterk gegroeid, maar ook de complexiteit ervan. Door die combinatie is de werkdruk erg toegenomen. ‘Complexere ziektebeelden vragen veel meer tijd om goed te bespreken. Gemiddeld staat er tien minuten voor een consult. Daar krijgen we voor betaald, maar dat is al lang de realiteit niet meer. Een goed gesprek over een oudere met dementie, daar ben je zo drie kwartier mee bezig. De meeste huisartsen zijn wel autonoom in die zin dat ze sturing kunnen geven aan hun werkomstandigheden en het team waarmee ze werken. Maar je hebt geen invloed op de landelijke ontwikkelingen, zoals de ouderen die langer thuis wonen en de bezuinigingen op de ggz.’

Van collega’s hoort hij dat het werk ten koste gaat van hun privéleven, goede nachtrust, plezier in het werk. Uit een onderzoek onder huisartsen kwam vorig jaar naar voren dat een kwart tegen een burn-out aan zit. Daarnaast geeft twee derde aan dat voor hen de grens is bereikt: ‘Het elastiekje staat gespannen. Komt er nog meer bij, dan gaat het niet goed.’

Burn-out is een symptoom van de moderniteit, stelt ook cultuurfilosoof Maarten Coolen. Met ‘moderniteit’ bedoelt hij niet zozeer een bepaalde historische periode, als wel een attitude waarin de idealen van de Verlichting – autonomie en zelfbepaling – centraal staan. ‘In onze tijd heeft moderniteit een reflexieve wending genomen. De identiteit van mensen ligt niet meer vast, zoals voorheen, door je plaats in de gemeenschap of je rol in het arbeidsbestel’, zegt Coolen. ‘Een gemeenschap of een baan kende vroeger zelf verhalen. Nu gaat het erom of je in staat bent op eigen kracht steeds weer opnieuw verhalen over jezelf te vertellen, anders besta je niet als persoon. Mensen met een burn-out lukt het niet meer om een narratief over zichzelf op gang te houden. Zij raken existentieel opgebrand.’

Coolen licht het toe met een voorbeeld. Hij was op een lezingenavond over burn-out in Rotterdam. Op het podium zaten een arbeidssocioloog, een psycholoog en hijzelf. ‘Er stond een vrouw op, die begon te vertellen: ze was op Berkeley geweest, had daar succes gehad maar kreeg daarna een burn-out. Dat had ze nu tot onderdeel van haar cv gemaakt, het was een hoofdstuk van haar narratief. Op dezelfde avond stelde een jongeman uit de zaal een vraag. Zijn narratieve constructie van zichzelf was echt extreem, hij maakte een projectie van hoe zijn leven moest worden. Hij zou een proefschrift gaan schrijven en een zaak beginnen, want hij wilde veel geld verdienen: een miljoen euro voordat hij dertig was. Toen vroeg hij het panel: “Kunt u mij zeggen hoe ik dat voor elkaar kan krijgen zonder een burn-out te krijgen?” Dat vind ik nou echt een symptoom van onze tijd. De vragensteller vroeg zich niet af of hij deze ambities moest verwezenlijken, dat was voor hem vanzelfsprekend, maar hoe hij dat kon doen zonder in een burn-out te raken’, zegt Coolen.

Net als Fabian Dekker denkt hij dat verwachtingen een deel van het probleem zijn: die zijn hooggespannen, alles moet verlopen volgens een keurige uitgestippelde lijn op het cv. De teleurstelling zit er al bij voorbaat ingebakken. ‘Het op gang houden van verhalen waardoor je pas iemand bent is een serieus probleem. Een levensopgave. Dat burn-out gemedicaliseerd wordt, vind ik problematisch. De meeste mensen denken dat je ziek bent als je hulp vraagt, maar dat is niet zo’, zegt Coolen.

Gebrek aan autonomie op de werkvloer. Een ontbrekend narratief. Te hoge verwachtingen. Te veel prikkels. Onzekerheid over de toekomst – verklaringen voor mentale uitputting zijn er genoeg. Waar ligt de oplossing? Terug naar de pre-industriële tijd is natuurlijk geen optie. Zat iedereen vroeger zondag een dik uur stil in de kerkbanken, nu is Nederland massaal aan de mindfulness en yoga en laat zo’n beetje iedereen met een drukke baan zich begeleiden door een personal coach. Bij werkgevers heeft het onderwerp aandacht gekregen en in organisaties draaien afdelingen Human Resources overuren om ervoor te zorgen dat het personeel op tijd grenzen trekt.

Coolen begrijpt deze reactie van werkgevers, maar wel is het een symptoom van het probleem. ‘Je moet aan mensen niet alleen maar nieuwe eisen stellen waaraan ze moeten voldoen. Maar instituties in het leven roepen, of bestaande aanpassen, die ruimte bieden aan het reflectief in stand houden van een levensverhaal – en erkennen dat deze “taak” soms moeilijk is.’ Hij noemt dat ‘institutionalisering van de permanente zelfreflectie’.

Huisarts Paulus Lips vertelt dat er nu experimenten worden gedaan met meer tijd per patiënt: vijftien minuten in plaats van tien. Dan blijkt dat de werkdruk enorm afneemt, de kwaliteit toeneemt, en zelfs de kosten afnemen, omdat je minder verwijst en minder aanvullend onderzoek doet. ‘Je zou zeggen: een win-win-situatie. Toch zien we het niet gebeuren. Dat heeft te maken met het financieringssysteem en de zorgverzekeraars: als het aantal verwijzingen daalt, dalen ook de inkomsten van het ziekenhuis. Je ziet dat het ziekenhuis dat weer gaat opvullen met andere zorg, om genoeg omzet te draaien. Dat is vreselijk frustrerend voor ons: de oplossing hebben we in zicht, maar omdat het elders niet goed te regelen is, wordt het bij ons niet uitgevoerd.’

En zo ondermijnt een systeem intrinsieke motivatie. ‘De sleutel ligt in bevlogenheid’, zegt arbeidspsycholoog Wilmar Schaufeli. ‘Want het zijn gezonde mensen die vastlopen.’ Hij doet nu onderzoek naar bezieling in het werk. Hij kwam daar enige jaren geleden op tijdens een sabbatical in Spanje. ‘Ik snapte niet waarom de een wel een burn-out krijgt en de ander die hetzelfde werk doet niet. Ja, het heeft met persoonlijkheidskenmerken te maken, maar ook met iets anders. Vroeger werkte je voor het loonzakje, nu wordt er meer waarde gehecht aan zaken als “blijven leren”. Dus ik dacht: ik ga het omdraaien en kwam uit bij de positieve psychologie. Uit mijn onderzoek blijkt dat mensen die verslaafd zijn aan hun werk en daardoor zo hard werken zich uitputten, maar dat mensen die bevlogen zijn hard werken omdat ze intrinsiek zijn gemotiveerd – dat beschermt hen juist tegen het krijgen van een burn-out. Met andere woorden: het gaat er niet om óf je hard werkt maar waaróm je dat doet wat bepaalt of je burned-out raakt. Als een cultuur in een organisatie open is, mensen betrokken worden bij het proces, de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen, dan zie je dat er heel hard gewerkt kan worden zonder geestelijk uitgeput te raken. Natuurlijk zal het niet lukken om werkstress uit te bannen. En burn-out is geen doodvonnis.’

Op tijd rust nemen. Permanente zelfreflectie. Bevlogenheid. Er is uitkomst. Maar dat moet juist niet stollen in ‘beleid’, met een concept van tijdseenheden, checklists, invulformulieren en monitoren met evaluatiemomenten. Als je daar alleen al aan denkt, slaat de vermoeidheid acuut toe.