Waarom Édouard Louis schrijft

‘Ik wilde een harde zijn’

De Franse schrijver Édouard Louis (1992) verwerkte persoonlijke traumatische gebeurtenissen in twee boeken. Niet om af te rekenen met het (psychologisch) geweld dat hij ervoer, maar om de achterliggende oorzaken te kunnen begrijpen. ‘Ik stel de vraag: hoe kunnen we de cyclus van geweld doorbreken?’

© JOEL SAGET / AFP / ANP

Vijf jaar geleden, op kerstavond, wandelt Édouard Louis door nachtelijk Parijs terug naar huis. Het is koud, zijn oren doen pijn in de oostenwind die door de straten blaast. Louis, dan nog student, heeft de avond doorgebracht met zijn twee beste vrienden: socioloog en Foucault-biograaf Didier Eribon en filosoof Geoffroy de Lagasnerie. Ze hebben gepraat, gegeten en gedronken. Hoeveel flessen wijn weet Louis niet meer. Wel dat ze op het laatst luidkeels meezongen met de opera die Eribon op zette. Ter hoogte van Place de la République hoort Louis achter zich het geluid van snel naderende voetstappen.

‘Hé, vier jij geen Kerstmis’, zegt een stem. Momenten later loopt er een jonge man in joggingbroek naast hem, bekoorlijk glimlachend. Het is Louis’ noodlot, al weet hij dat op dat moment nog niet. Ergens heeft Louis wel zin in een avontuurtje met de geheimzinnige man. Maar hij wil óók naar huis, de fraai gebonden boeken van Claude Simon en Nietzsche lezen die hij eerder op de avond van zijn vrienden heeft gekregen. Stuurs loopt hij door, nukkig zwijgend. De man laat zich niet ontmoedigen, praat op Louis in, geeft complimenten.

2 oktober in Paradiso

Gidslezing met Édouard Louis

Op 2 oktober vindt de jaarlijkse Gidslezing plaats, deze keer gehouden door de jonge, internationaal doorgebroken auteur Édouard Louis. De Franse schrijver zal spreken over de stem van de onderklasse in de literatuur.

Aanmelden

Wanneer ze bij het Canal Saint Martin zijn, zwicht Louis en gaat hij het gesprek aan, aanvankelijk over de Berbers-Algerijnse herkomst van de man, die Reda blijkt te heten. Reda blijft maar aandringen. Louis weet dan al dat het een kwestie van tijd is dat ze met elkaar in bed zullen belanden. Helemaal als Reda zijn vinger op Louis’ lippen legt, hij de warmte van die vinger voelt, en zelfs de geur van die warmte. Eenmaal bij Louis in huis hollen ze de trappen op. Ze zijn uitgelaten; het gelach galmt door het trappenhuis. Binnen biedt Reda aan Louis te masseren. ‘Denk aan iets moois’, zegt hij terwijl Louis op zijn buik op het bed ligt. ‘Jou’, antwoordt Louis. Ze lachen. ‘Denk dan maar aan een mooie plek.’ Opnieuw: ‘Jou’. Dan bedrijven ze liefde. Ze praten, ineengestrengeld, en bedrijven dan weer de liefde. Zo gaat het door, tot ze in slaap vallen.

Tegen het ochtendgloren nemen ze om beurten een douche. Reda gaat eerst. Als Louis klaar is en op zijn telefoon wil kijken hoe laat het is, merkt hij dat het ding weg is – het moment dat de avond een voor Louis bijna fatale wending neemt. Reda staat in de hal op hem te wachten. Wanneer Louis hem even later omhelst om afscheid te nemen voelt hij een harde, rechthoekige vorm in de jas van Reda. Zijn iPad. Onverstoorbaar haalt hij het apparaat te voorschijn en legt het terug op tafel. ‘Heb je misschien mijn telefoon gezien?’ vraagt hij, stoïcijns.

‘Noem je me een dief?’ antwoordt Reda, agressief. Vanaf dit punt escaleert de situatie in hoog tempo. Voor Louis er erg in heeft slaat Reda hem een sjaal om zijn hals en begint hem uit alle macht te wurgen. In een reflex trapt Louis zijn geliefde-voor-een-avond die nu plotseling belager is geworden van zich af. Maar daarmee is het niet voorbij. ‘Ik ga je op je flikker geven, vuile nicht’, roept Reda, terwijl Louis met bonkende slapen zit bij te komen van de bijna-wurging. Na een absurd aandoend intermezzo, waarin Louis en Reda samen de telefoon gaan zoeken die in Reda’s zak zit, volgt een nieuwe escalatie. De nacht eindigt in brute verkrachting van Louis, onder dreiging van een pistool.

Louis verwerkte de traumatische gebeurtenissen van de kerstavond in een ook in het Nederlands vertaalde roman: Histoire de la violence (Geschiedenis van geweld). ‘Er staat geen letter fictie in’, zei hij in interviews. In Frankrijk veroorzaakte het boek bij verschijning de nodige deining. ‘Is Reda immers niet de laatste schakel in een lange ketting van gruwelen, die de Geschiedenis over Kabylië en haar migrantenklasse heeft uitgestort’, klonk het bijtend. Via de uitvoerige beschrijvingen van Reda’s immigrantenachtergrond en diens problematische jeugd zou Louis het geweld hebben willen goedpraten. Kortom: Reda is zielig, dus het is begrijpelijk dat hij uit stelen en verkrachten gaat.

‘Die verkrachting was nog niet eens de kern van het boek’, verzucht Édouard Louis, wanneer ik hem opzoek in Parijs. Dat is de passage waarin Louis op het politiebureau zit om aangifte te doen. Hij doet zijn verhaal, maar aarzelt dan. Wil hij werkelijk aangifte doen? Die hele helse procedure door? En zal Reda geen wraak op hem willen nemen? De dienstdoende agent houdt hem voor dat het te laat is. Zijn verhaal behoort hem niet langer toe. Zelfs als Louis zijn verklaring zou intrekken, dan is er inmiddels overstelpend forensisch bewijs. ‘Het ging niet meer om mij, kreeg ik te horen, maar om wat deze persoon de samenleving heeft berokkend. Dáár ageer ik tegen. Overigens is dat niet tot Frankrijk beperkt. Neem de vrouw die als dertienjarig meisje door Roman Polanski is misbruikt, die heeft haar hele leven willen schikken, de kwestie op een andere manier willen oplossen. Ze wilde zeggen: ja, híj heeft mij verkracht, maar tegelijk wil ik niet in een juridische procedure verzeild raken die me vernietigt.’

‘We wéten wat gevangenissen doen, en toch blijven we ze vullen. De irrationaliteit ervan stuit me tegen de borst’

De aarzeling om aangifte te doen was ingegeven door persoonlijke motieven (opzien tegen de procedure, angst voor wraak). Ze was óók politiek gemotiveerd. Geweld reproduceert geweld vindt Louis. En als je die keten wilt doorbreken, is de gevangenis de slechtst denkbare oplossing. ‘Ik ken de gevangenis, ik heb mijn neefje Sylvain er vaak opgezocht. Hij kwam er gewelddadiger uit dan hij erin ging. Al die jongens die naar Syrië zijn afgereisd, veel daarvan zijn in de gevangenis geradicaliseerd. Islamitische Staat zélf is opgericht in de gevangenis van Bush. We wéten wat gevangenissen doen, en toch blijven we ze vullen. Het is de irrationaliteit ervan die me het meest tegen de borst stuit. Dat is de centrale vraag die Histoire de la violence stelt. Hoe kunnen we geweld op een andere manier oplossen dan via tegengeweld? In het heel groot zag je dat na de aanslagen van 9/11 op het wtc in New York. Die brachten een eindeloze cyclus van geweld op gang. Ik stel de vraag: hoe kunnen we die doorbreken?’

Het proces van het schrijven dwong Louis tot afstand nemen, ‘tegen zich in te schrijven’, zoals hij het noemt. ‘Na die verkrachting had ik alleen maar zin om die verkrachter te verachten, te roepen dat hij wat mij betreft in de gevangenis kon wegrotten, de schoft. Maar je moet als schrijver sterker zijn dan dat. Je moet je impulsen onderdrukken en proberen de werkelijkheid te begrijpen. Ik had iets dergelijks toen ik En finir avec Eddy Bellegueule schreef. Ik haatte mijn ouders, verachtte ze, maar het schrijven noopte tot afstand, dwong me ze te begrijpen. Vandaar dat ik, net als bij Reda, een hoofdstuk inlaste over hun jeugd. Het geweld dat ze hun omgeving opleggen valt alleen te begrijpen in de bredere context, die ook uiterst gewelddadig is.’

Internationaal geldt Louis als het nieuwe literaire Franse wonderkind. Hij brak in Frankrijk door met En finir avec Eddy Bellegueule (2014), een autobiografische roman over zijn traumatische jeugd in een verwaarloosd arbeidersmilieu op het Franse platteland. Er werden in korte tijd 300.000 exemplaren van verkocht. Inmiddels is het boek in 25 talen vertaald. ‘Een daad van solidariteit en wraak inéén’, schreef The New Yorker dit voorjaar. Solidariteit met een wegkwijnende en verwaarloosde arbeidersklasse, die zich door links in de steek gelaten voelt en het heil bij het Front National van Marine Le Pen zoekt. Wraak voor het geweld dat Louis als ontluikende homoseksueel moest ondergaan.

Op school wordt hij opgewacht, in het gezicht gespuugd en in elkaar geslagen. Thuis gaat het er evenmin zachtzinnig aan toe. Met vriendjes en een neefje uit de buurt beleeft hij zijn eerste seksuele ervaringen. Wanneer daarover verhalen gaan rondzoemen breekt Louis zich het hoofd over de vraag waarom zijn neefje met de anderen mee lacht. Is hij niet bang om erop aangekeken te worden? Het voorwerp van afkeer en beledigingen of erger te worden? Al snel beseft hij: de misdaad bestaat niet uit het doen, maar uit het zijn. En vooral uit eruitzien als.

Schaamte speelt daarbij een belangrijke rol. ‘Mijn familie schaamde zich voor mij, omdat ik niet “mannelijk” was. Later schaamde ik me weer voor hen, om wat zij waren en om wat ik niet langer wilde zijn. Nog weer later schaamde ik me voor mijn schaamte. Aan schaamte ontsnappen? Dat kan dankzij het besef dat je niet de enige bent. Dat uiteindelijk niemand erin slaagt aan de normen te voldoen. Dat zag ik al met dat mannelijk ideaal uit mijn jeugd. Mijn vader riep aldoor dingen als: “Dat doe je niet als man, zo ben je geen man, gedraag je als een man”, et cetera. Maar in mijn boek schets ik hoe hij aldoor zat te huilen. Mijn broer ook. Mijn neefjes hadden seks met elkaar. Het grote mysterie van de wereld is dat zelfs als niemand in staat blijkt de norm te respecteren de regel toch blijft voortduren.’ Wil het plattelandsproletariaat zijn lot verbeteren, dan moet allereerst dat onderdrukkende masculiene ideaal van mannelijkheid sneuvelen, stelde Louis elders. Nodig is niet zozeer werkgelegenheid, als wel een seksuele revolutie.

Op het plaatselijke lycée neemt een docente Louis ten slotte onder haar hoede en krijgt gedaan dat hij naar een internaat in regiohoofdstad Amiens kan. Vandaar gaat hij eerst naar de plaatselijke universiteit en uiteindelijk naar de befaamde École normale supérieure in Parijs.

Louis werd in 1992 geboren als Eddy Bellegueule, volgens de traditie dat laaggeschoolde Fransen hun kinderen vernoemen naar Amerikaanse soapsterren. Kort voor de publicatie van zijn eerste roman veranderde hij zijn voor- en achternaam. Ook met dat andere stigma van zijn afkomst rekende hij af: zijn slechte tanden. Zo gauw hij het betalen kon liet hij zijn door systematische verwaarlozing geruïneerde gebit restaureren.

‘Ik wil me afzetten tegen het oude idee dat je van de arbeiders moet houden, zij aan zij met ze in de fabriek moet gaan werken’

Afgelopen jaar bracht Édouard Louis veel tijd door in de Verenigde Staten. Hij hield een lezingentour en doceerde Franse literatuur op Dartmouth College (New Hampshire). Over zijn maanden in New York hield hij een dagboek bij – te lezen op zijn persoonlijke website. Het verblijf in de VS was ook een kans om in de omgeving te verkeren van schrijvers die hij bewondert: Toni Morrison, Ta-Nehisi Coates en Zadie Smith. ‘Ik kan alleen schrijven in de omgeving van mensen die ik bewonder’, zegt hij. ‘Op een of andere manier trek ik me daaraan op. Het helpt me om tot het uiterste te gaan.’ Buiten de VS reisde hij naar Korea en Japan, en zijn lange Duitse tournee werd verslagen door Franse journalisten. Begin december werd in Noorwegen een bewerking van Histoire de la violence op de planken gezet. En finir avec Eddy Bellegueule werd eerder al voor het theater bewerkt. In Frankrijk is een verfilming in de maak.

Louis’ internationale roem contrasteert enigszins met het minuscule tweekamerappartementje dat hij bewoont, in een doodlopend straatje niet ver van het Parc Montsouris, in het Parijse 14de arrondissement. Er is een studeerkamer annex slaapkamer en een sober ingerichte salon annex keuken. Het aanrecht is leeg. Op de koelkast staat een kleine witte magnetron. Naast de deur van het inbouw-badkamertje lichten kleurige lampjes van een kitscherige kerstboom op. In de hoek van de kamer op een zwarte Eames-stoel zit Louis, kaarsrecht, het overhemd tot zijn adamsappel dichtgeknoopt. Hij spreekt geanimeerd, eloquent en voert het tempo van de discussie geleidelijk op. Ook daarin toont zich de normalien. Het was op de École normale dat Louis kennismaakte met het werk van de in 2002 overleden socioloog Bourdieu – wereldberoemd dankzij onder meer La distinction, waarin hij de term ‘cultureel kapitaal’ introduceerde. Louis maakt er geen geheim van dat hij diepgaand door Bourdieu is beïnvloed. Het blijkt al uit de consequent gebezigde termen als ‘geweld’, ‘sociale reproductie’ en ‘determinisme’.

© Denis Dailleux / Agence VU / HH

Voor Bourdieu is alles onderdrukking, zelfs als je je er zelf niet van bewust bent. Je denkt dat je Wilders stemt uit woede over de multiculturele samenleving, maar eigenlijk heb je een meritocratisch ideaal van de neoliberale samenleving geïnternaliseerd, dat het onmogelijk voor je maakt je te beklagen over de uitwassen van het kapitalisme. De taak van de socioloog is volgens Bourdieu om deze internalisering te ‘ontsluieren’ en dat plaatste hem in een geprivilegieerde positie om de wereld te begrijpen. De socioloog ziet de échte redenen voor het handelen van mensen, redenen die die mensen zelf niet zien. Die methodiek is niet zonder kritiek gebleven. ‘Voor Bourdieu is álles vals bewustzijn en onderdrukking’, sneerde filosoof Olivier Roy, ‘behalve, uiteraard, de leerstoel sociologie aan het Collège de France, vanaf waar men de waarheid verkondigt over het ongeluk van de anderen.’

In Hallencourt, het dorpje waar Louis opgroeide, kreeg Marine Le Pen in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen dit voorjaar zestig procent van de stemmen. ‘Toen mijn moeder voor het eerst Le Pen stemde, zei ze dat die partij de enige was die haar soort mensen hoorde’, zegt hij. De achterliggende reden is volgens Louis dat de anti-immigratie- en anti-EU-retoriek van Le Pen het enige overgebleven discours is waarin het verwaarloosde plattelandsproletariaat zijn lijden kan uitdrukken. ‘Eerst zei links: “Jullie lijden komt door het kapitalisme, dat gaan we bevechten, het vervangen door een beter systeem.” Maar nu dat discours niet meer bestaat heet het “dat jullie lijden komt door buitenlanders, door Brussel”. Met dat discours verschaften mijn dorpsgenoten en familie zich een vocabulaire voor het eigen lijden.’

Het probleem met die redenering is dat Jean-Luc Mélenchon in Frankrijk een luid en duidelijk antikapitalistisch geluid laat horen. Waarom stemt het plattelandsproletariaat dan niet massaal op hem? Louis houdt vol: ‘Neem mijn moeder, die is op haar vijftiende van school gegaan. Als je haar vraagt waarom, zegt ze: “Ik vond er niets aan”, terwijl er allerlei mechanismen achter schuilgaan die dat verklaren, bijvoorbeeld dat dat in haar milieu nu eenmaal van meisjes werd verwacht, dat ze in zekere zin was voorbestemd om van school te gaan. Er is steeds die illusie van vrijheid van keuze die maakt dat mensen niet het systeem bevragen.’

Op de vraag in hoeverre er sprake is van determinisme kan Louis kort zijn, dat is ‘totaal’. ‘Hoe meer we erkennen dat we bepaald zijn, ons daar bewust van zijn, des te effectiever we kunnen proberen daar iets aan te doen. Zo zijn er veel mensen die zeggen: “Het is niet bepaald, jij zelf bent daar het beste voorbeeld van, want jij bent toch maar mooi aan je milieu ontsnapt.” Maar die ontsnapping is me gelukt doordat er twee bepaaldheden bij elkaar kwamen: ik groeide op in een arbeidersmilieu én ik was geboren als homo. Ik had geen keus dan te ontsnappen, want ik kon niet in die twee bepaaldheden tegelijk leven, ik kon niet én arbeider én homo zijn. Ik heb het lang geprobeerd, die homoseksualiteit te ontkennen. Ik wilde niets liever dan een stoere vechtjas zijn, meegaan met wat er in het milieu waarin ik opgroeide van me werd verwacht. Soms hoor je, in een popliedje of iets dergelijks, teksten als “we kunnen doen wat willen, we zijn vrij, als we het maar proberen”. Maar in wezen is dat is een heel gemakzuchtig discours. Te zeggen: je bent NIET vrij, dat is iets heel anders, dat willen mensen niet horen. Maar door de erkenning dat je niet vrij bent, kun je het misschien worden.

In Frankrijk bestaat een hele literatuur die begint met Le Rouge et le Noir van Stendhal, over een kind dat over een groot talent beschikt en zich op een of andere manier weet los te maken uit zijn milieu. Met En finir avec Eddy Bellegueule wilde ik die mythe juist doorbreken. Ik ben niet geboren als een heel geraffineerde jongen. Ik was juist heel erg als mijn familie, deed ook mijn best om zo te zijn.’ Op een bepaald moment is hij zelfs de meest stoere en homofobe jongen van zijn vriendengroep. ‘Ik deed heel erg een bepaald soort mannelijkheid na, en daar droomde ik ook van. Mijn wens was niet om een beroemde schrijver te worden, maar een harde uit het dorp. Het was dat mijn omgeving me er maar steeds op wees dat ik anders was (“jij bent een nicht, et cetera”) en ik er niet aan ontkwam het ook te worden. Ik wás niet anders, ik ben anders geworden en dat is het grote verschil met Julien Sorel uit Le Rouge et le Noir.’

Het is ook een manier om de lezer aan het werk te zetten, vertelt Louis. ‘Als je schrijft “hij werd anders geboren, maar wist te ontsnappen”, sta je de lezer toe passief te blijven. Maar als je schrijft “hij werd hetzelfde geboren, maar is anders geworden”, is er ergens iets gebeurd, dan is er een actie geweest en dat vraagt oplettendheid van de lezer.’

En finir avec Eddy Bellegueule vertelt het verhaal van Louis’ emancipatie, zijn ‘ontsnapping’ zo je wil. De wereld waar hij vandaag komt is dusdanig primitief, zó gewelddadig, zó verstoken van elke cultuur dat je als lezer niets liever hoopt dan dat die ontsnapping ook slaagt. Toch toont Louis zich tegelijk ook solidair, zegt hij voor het plattelandsproletariaat te willen opkomen. ‘Als ik zeg me daarvoor te willen inzetten, zeg ik niet dat ik ze ook per se sympathiek moet vinden. Ik vecht tegen het geweld, en of de mensen die daar onder gebukt gaan aardig zijn of niet, maakt me niet zo veel uit. Ik wil me juist afzetten daarmee, tegen het oude idee van de liefde in de politiek, dat je van de arbeiders moet houden, zij aan zij met ze in de fabriek moet gaan werken. Of te proberen te laten zien dat ze authentieker zijn dan de bourgeoisie, zoals een schrijver als Jean Genet of een cineast als Pier Pasolini dat deed, dat ze niet hypocriet zijn, solidair met elkaar zijn, eenvoudig. Ik wil juist radicaler zijn, zeggen dat “zelfs als ze het niet verdienen ik me dan nóg voor ze wil inzetten”.

Ik kan me toch prima inspannen voor het Franse gevangeniswezen zonder dat ik de gevangenen zelf nu per se heel aardig vind? In mijn boeken strijd ik tegen de onderdrukking, tegen de uitsluiting waaronder leden van mijn familie gebukt gaan, maar dat hindert me niet om te laten zien dat er binnen in die wereld óók allerlei mechanismes van geweld zijn, door mannen vooral, er is veel homofobie, racisme. Het zijn zaken die los van elkaar staan.

De filosoof Pascal zegt ergens dat hij zich telkens opnieuw verbaast over de wereld. Dat heb ik ook wat betreft alle verschillende vormen van geweld en hoe gemakkelijk we dat accepteren. Denk maar aan de zwerver voor de supermarkt die je voorbij loopt.’ Schaamte daarover is wat Louis als schrijver voortdrijft. Dus niet over zichzelf, zijn familie, of over zijn eigen schaamte, maar schaamte over de wereld. In de Franse literaire wereld voelt hij zich wat dat betreft tamelijk eenzaam. ‘Zeker, je hebt mensen als Patrick Chamoiseau of Annie Ernaux, maar afgezien daarvan zou je denken dat Franse schrijvers het normaal vinden wat er in de wereld gebeurt. Voor mij is dat onvoorstelbaar. Steeds als ik achter mijn computer kruip, voel ik daar schaamte over. Hoe kun je literatuur bedrijven in zo’n wrede wereld? Daarmee wil ik niet zeggen dat je je laptop dan maar moet dichtklappen en voedsel aan daklozen moet gaan uitdelen. Nee, je moet die schaamte intact houden, haar onderhouden en koesteren.’

Wie Édouard Louis over mannelijke dominantie, sociale reproductie en het repressieve kapitalisme hoort oreren, houdt zijn hart een beetje vast. Toch zijn En finir avec Eddy Bellegueule en Histoire de la violence allerminst sociologische traktaten in romanvorm. Het subject blijft intact; er is zelfs een existentialistische dimensie. Die blijkt goed in de scène die aan de verkrachting voorafgaat. Reda zegt Louis ‘op zijn flikker’ te zullen gaan geven. Alsof hij plotseling zijn eigen homoseksualiteit niet meer onder ogen durft te komen. Maar Louis was daar eerder getuige van. En daarom moet die nu gestraft. Maar wie straft Reda daar uiteindelijk mee? Hij wil ‘kapotmaken wat hij heeft om het niet meer te hoeven zijn’. Na de verkrachting, wanneer Louis op de overloop staat, terwijl het bloed langs zijn benen loopt, stamelt Reda een zacht ‘het spijt me’, alvorens het hazenpad te kiezen. Dat is geen Bourdieu, dat is Dostojevski.