Opheffer

Ik wilde mislukken

Afgelopen zondag was ik toevallig even op het Museumplein op het moment dat FC-Utrecht-supporters antisemitische leuzen aan het roepen waren tegen Ajax-supporters, hoewel Ajax niet speelde, en ik dacht: eigenlijk wordt er helemaal niet gedis crimineerd, men probeert te kwetsen. Je kunt je afvragen wat erger is. De man die, in stilte, joden verachtelijke wezens vindt, of de jongen die «rotjoden» roept en niet weet wat hij zegt. In wezen zegt hij heel hard «poep» of «kut» of een ander woord waarop vroeger een taboe rustte. Rotjood is zo’n taboewoord.

Ik vond het intrigerend. Men wilde elkaar letterlijk dood hebben. Daartoe werd er gericht met stenen gegooid. Je weet dat als zo’n jongen werkelijk iemand vermoordt, hij spijt heeft, hij niet wist wat hij deed et cetera. Maar toch doet hij het. Nog wel onder het oog van de politie.

Ik heb dit 35 jaar terug ook gedaan! En ik kan maar niet achterhalen wat mij toen bezielde. De enige verklaring die ik heb, is dat ik tijdens het vechten en het stenengooien het idee had dat ik met iets belangrijks bezig was. Belangrijk in de zin van zinvol. Nu is dit belachelijk, dat zie ik ook wel, want er is niets belangrijks aan rellen, maar zo voelde ik het nu eenmaal. Ik had het gevoel dat ik leefde, dat er een beroep om me werd gedaan, dat ik iets kon en dat ik erdoor werd gewaardeerd. Hoe je het ook wendt of keert, het was avontuur, en dat had ik in mijn leven niet. Je maakte iets mee.

Zo heb ik ook op mijn vijftiende een duinpan in de fik gestoken met wat vriendjes. De politie kwam, de brandweer; het bericht haalde zelfs de krant (we zijn nooit ontdekt). Ik herinner me nog de sensatie die ik voelde. Het was verschrikkelijk, maar ook verschrikkelijk spannend. Het schuldgevoel was groot, maar ik had nu ook iets om me werkelijk schuldig te voelen. Mijn leven was door die zaken niet saai. Ik had macht over het slechte. Het was dezelfde sensatie die ik voelde als ik met Silvia F. was. Voor geld wilde zij wel haar borsten laten zien, en ik betaalde haar en ik kon bijna niet aan wat ik zag. De geilheid die mij overmande verwarde mij. Daarna moest er een ruit ingegooid worden, met veel geschreeuw. Of er moest in een brievenbus worden gepist.

Het waren puzzelstukjes die ik maar niet geplaatst kon krijgen. Maar wat het nou precies was? Ik weet het niet. Ik leefde er naartoe.

Ik weet ook precies wanneer het voorbij was. Dat kwam door de muziek en het schaken. Ik wilde opeens Bob Dylan of John Lennon zijn — wat ik eigenlijk nog steeds wil — en ik merkte dat ik net zo goed gitaar speelde als Bob, want ik kon zijn liedjes naspelen. En met schaken kon ik winnen en door daar stiekem boeken over te lezen kon ik een voorsprong houden op mijn vriendjes. Maar wat die klik nu precies heeft veroorzaakt, ik weet het niet. Domweg geluk, denk ik. Mazzel. Zoals ik ook op een gegeven moment ben opgehouden met LSD, en later met cocaïne.

Tegenwoordig heb ik geen behoefte meer aan kicks.

Ik zag die jongens op het Museumplein en probeerde te ontdekken of ik het ergens kon snappen, of ik door hen mezelf van toen kon verklaren. Ik was nu alleen maar bang. Ik zag dat de politie ze belangrijk maakte. Ik zag ook dat de politie niet weg kon blijven, want dan waren ze doorgegaan met vernielen. De jongens zouden doorgaan tot ze gepakt zouden worden. Ik herkende dat. Maar wat herkende ik nou precies? Ik kon alleen het woord «levenslust» bedenken. Levenslust die je alleen hebt door grote spanning. Het is alsof je gevangen bent in een narratieve structuur, en je wilt het einde weten en voelen: rellen, gepakt worden, gevangenis… mislukken. Als antiheld kun je held zijn van je eigen verhaal.