‘ik wilde niet weer zo'n boek over prikkeldraad en gaskamers’

Theo Richmond, Konin: Een zoektocht. Vertaald door Josephine Ruitenberg. Uitgeverij Wereldbibliotheek, 548 blz., f59,90
ZEVEN JAAR LANG werkte de Britse filmer Theo Richmond aan Konin: A Quest. Richmond groeide op in een joods gezin in Londen als zoon van Pools-joodse immigranten. Zijn vader - die zijn naam van Ryczke in Richmond had gewijzigd - en zijn moeder waren beiden afkomstig uit Konin, een klein Pools stadje aan de spoorlijn van Poznan naar Warschau. Na de dood van zijn ouders besloot Richmond onderzoek te doen naar de geschiedenis van de joodse gemeenschap van Konin, die sinds 1945 niet meer bestaat.

Toen de Duitse troepen het stadje in september 1939 innamen, maakten de circa drieduizend joden van Konin ruim twintig procent van het totale inwonertal uit. Slechts enkele tientallen joden uit Konin overleefden de holocaust. Geen van de overlevenden vestigde zich nadien weer in het stadje; ze raakten verspreid over de hele wereld. Theo Richmond zocht ze op in Engeland, Israel en de Verenigde Staten en schreef een vuistdik verslag van zijn bevindingen. Zijn boek eindigt met een bezoek aan Konin.
Konin: A Quest is in Engeland en de Verenigde Staten zeer goed ontvangen. Het werd onlangs in Londen genomineerd voor de prestigieuze Duff-Cooperprijs voor de beste historische of biografische studie. Onder de titel Konin: Een zoektocht verscheen het boek vorige week in Nederland.
THEO RICHMOND: ‘Een van de eerste voorstellingen die ik van Konin had is het beeld van mijn moeder die als klein meisje over de bevroren Warta schaatst. Dat en het beeld van de Russische militaire kapel die in de muziektent speelde. Verder wist ik niets van het stadje. Mijn ouders spraken er met mij nooit over. Het interesseerde me niet. Een deel van mijn familie woonde er nog, zoveel wist ik. Konin kreeg pas na de oorlog betekenis, nadat wij hadden gehoord dat mijn vaders familie er niet meer was. Alle tantes, ooms, neven en nichten - verdwenen, alsof iemand ze weggetoverd had. Mijn vader is die klap nooit meer echt te boven gekomen.
Mijn ouders overleden in 1982. Door hun dood realiseerde ik me dat Konin, het joodse Konin aan het begin van deze eeuw, voor eeuwig aan het verdwijnen was. Vijfhonderd jaar hadden er joden gewoond. Dat was in 1945 voorbij. Nu verdwenen ook de laatste herinneringen. Misschien heb ik door dit boek te schrijven wel geprobeerd mijn ouders weer tot leven te brengen. Het is een gedenkboek, niet alleen voor de joodse gemeenschap maar ook voor mijn ouders.
Ik heb veel historische documentaires gemaakt voor de BBC en de commerciele televisie. Eigenlijk ben ik een gefrustreerde historicus. Ik ben in Afrika geweest, in Azie, op de Falklandeilanden. Ik heb voor de commerciele televisie jarenlang gewerkt voor This Week, het equivalent van BBC’s Panorama. Andere culturen interesseren me. Het filmen stelde me in staat mijn nieuwsgierigheid naar het vreemde te bevredigen. Dat is ook een reden waarom Konin mijn nieuwsgierigheid opriep.
Zes dagen per week werkte ik aan Konin. Ik heb zeven jaar lang niets anders gedaan, zelfs aan niets anders gedacht. Vier jaar lang heb ik geschreven zonder dat ik er zeker van was of er een boek van zou komen. Nadat ik een uitgever had gevonden, heb ik er nog drie jaar aan gewerkt. Met werken bedoel ik dat ik waarschijnlijk harder heb gewerkt dan ooit in mijn leven. Filmen vraagt veel van je, ook fysiek, maar geen enkele opdracht heeft zo veel van me gevergd als dit boek. Een jaar lang heb ik bandjes met interviews uitgetypt. Thuis spraken we Engels, dus ik heb er jiddisch voor moeten leren. Ik kon het niet lezen, niet spreken, niet schrijven, niet vertalen. Een groot probleem.’
'VANAF HET eerste moment wist ik dat ik een verhaallijn nodig had. Een montagevorm zou niet hebben gewerkt. Het boek had een lijn nodig die alle losse stukken bijeen hield. Die lijn was ikzelf; ik was de detective die met weinig informatie aan een ontdekkingsreis begint. Onlangs heb ik genoteerd hoeveel ik van Konin wist voordat ik begon met zoeken; de aantekeningen pasten op een briefkaart.
Toen ik begon, had ik geen idee dat dit mij zeven jaar zou gaan kosten. Ik dacht dat het voldoende was om met een paar mensen in Londen te praten. Ik nam zes maanden vrij om de research te doen. Ik dacht dat ik het boek in de weekeinden kon voltooien. Pas toen ik zag dat ik ook naar Amerika en Israel moest, besloot ik ook naar Konin te gaan, als laatste etappe. De structuur van het boek volgt uit de structuur die ik aanbracht in mijn research.
Het vertrek uit Konin ging niet gepaard met romantische gevoelens. Ik heb gewoon de trein terug naar Warschau genomen. Ik kan wel allerlei mooie gedachten formuleren over het sluiten van de cirkel, maar als ik eerlijk ben, zat ik vooral te piekeren over mijn materiaal. Mijn hoofd zat vol met: “Hoe kan ik hier ordening in aanbrengen? Wat moet er eerst?” Het was de ambachtsman in mij die zich zorgen maakte over hoe hij zijn werkstuk in elkaar ging zetten.
IK ZIE MIJZELF niet de geschiedenis van een land beschrijven. Ik zou nooit een boek kunnen schrijven dat De joden van Polen heet. Geef me een klein stadje als Konin of mijn woonplaats Richmond en mijn hoofd begint te werken. Als het al niet gedaan was, zou ik goed een geschiedenis van Richmond kunnen schrijven. Het verschil tussen Richmond en Konin is dat Richmond dertig jaar een deel van mijn leven is, terwijl Konin al een deel van mijn leven uitmaakt sinds ik als kind thuis onder de tafel speelde terwijl de volwassenen over dat vreemde buitenland zaten te praten.
Konin is onderdeel van mijn persoonlijke geschiedenis en van de geschiedenis van miljoenen joden. Duizend jaar lang hebben er joden in Polen gewoond; zij hebben een grote cultuur tot bloei gebracht. Ik hoopte dat dit boek een microkosmos zou zijn. Als ik een puntje op de landkaart van Polen aanwijs en dat stipje pakkend weet te beschrijven, vertelt dat iets over die cultuur als geheel. Niet alleen aan joodse lezers, maar aan iedereen.
Ik heb nooit gewild dat mijn boek in een literair getto terecht zou komen. Ik wil niet dat het alleen aantrekkelijk is voor joodse lezers. Daarom ben ik ook zo opgelucht dat de meeste recensenten geen joden zijn. Ik heb brieven ontvangen van Poolse katholieken, van Engelse dominees, van vele niet-joden die zich geraakt voelen door het boek.
De plaatsvervangend burgemeester van Konin heeft mij uit genodigd. De inwoners van Konin zijn heel enthousiast over het boek. Er is een wereld voor hen opengegaan. In het midden van de negentiende eeuw woonden er in Konin meer joden dan niet-joden. Vijfhonderd jaar speelden die mensen een grote rol in het leven van hun stad, maar de huidige bewoners weten van niets! In hun bibliotheek is tot nu toe niet een boek te vinden over de joden van Konin! Hopelijk wordt mijn boek nu vertaald.’
'IK WILDE GEEN holocaustboek schrijven. Er zijn geweldige holocaustboeken verschenen: historische analysen, autobiografieen van overlevenden, studies over de concentratiekampen. Dat wilde ik allemaal niet. Ik wilde Konin heroprichten. Ik was bijna meer geinteresseerd in hoe de bewoners leefden dan in hoe ze stierven. We weten hoe de joden van Konin zijn gestorven. Ik kende geen enkel ander boek dat het onderwerp op deze wijze benaderde. Dat is waarschijnlijk ook een reden waarom het schrijven mij zo moeilijk afging: ik kon mij aan niemand spiegelen. Ik heb geprobeerd sociologie, geschiedenis en antropologie te verbinden.
Het laatste wat ik wilde was dat lezers zouden denken: “Daar heb je weer zo'n boek over prikkeldraad en gaskamers.” Mensen hebben mij daar natuurlijk wel over verteld. Ik begon mijn interviews vaak met te zeggen dat het mij niet ging om iemands oorlogservaringen. Ik vroeg: “Kunt u mij vertellen hoe uw eerste schooldag eruit zag? Hoe haalde uw moeder water? Wie bakte het brood?” Zij vertelden mij over de dood van hun ouders en ik vroeg: “Wat voor een wc had u thuis?” Iedereen had namelijk een wc achter in de tuin. Zij vroegen mij dan of ik vijfduizend kilometer had gevlogen om hen lastig te vallen over hoe zij vroeger naar de wc gingen. “Ja”, zei ik dan, “dat is toch ook een onderdeel van het leven? Wat voor wc- papier gebruikte u?” Soms vertelden mensen mij over Auschwitz. Ik kon dan natuurlijk moeilijk zeggen “Stop, dat interesseert me niet.” De schaduw van de holocaust ligt over het boek. Zonder de holocaust zou het niet geschreven zijn, zou het niet nodig zijn geweest Konin uit de vergetelheid te redden.
Iemand vroeg mij laatst of ik het boek ook zou hebben geschreven als mijn ouders wel over Konin hadden gepraat. Ik weet het niet. Misschien is het feit dat ik zo weinig van Konin wist, wel de reden dat ik hieraan ben begonnen. Dat ik toch mijn nieuwsgierigheid naar die mysterieuze wereld wilde bevredigen.’