De politie in een veranderende samenleving #1: Breda

‘Ik wilde vanaf mijn geboorte agent worden’

Dienstverslagen op Instagram, halal lunchpakketten en vrouwen die hun mannetje staan. Wat betekent meer diversiteit voor het politiekorps van Breda? ‘Je moet je als vrouw nu eenmaal meer bewijzen.’

Medium instagram account 02 rachid al kahja

‘Mag ik met je op de foto, Rachid?’ Drie jongens van een jaar of tien onderbreken hun voetbalspel en kijken wijkagent Rachid al Kahja bijna smekend aan. Hij lacht en pakt meteen zijn telefoon. Als de selfies zijn gemaakt, big smile in de camera, duim omhoog, vragen ze of de politieman mee wil voetballen. ‘Alsjeblieft Rachid, toe nou.’ Ze dollen wat, geven elkaar een boks en Rachid belooft later terug te komen om een balletje te trappen.

Rachid al Kahja, 34, wijkagent in Teteringen, een buurt in noordoost-Breda, heeft bijna zesduizend volgers op Instagram onder wie heel veel jongeren. Zijn mobiele telefoon is het verlengde van zijn hand, alles en iedereen die hij tegenkomt wordt met grote souplesse vastgelegd, foto of film, net wat uitkomt. Iedere dienst maakt hij een korte montage van wat hij meemaakt, ook van de middag die wij samen doorbrengen wordt een uitgebreid verslag gemaakt.

Teteringen, vroeger een apart dorpje, is inmiddels een welvarende wijk met veel groen en mooie huizen, grote problemen kennen ze er niet. Voor de bewoners in deze overwegend witte wijk was de komst van een wijkagent met een Marokkaanse achtergrond even wennen, vertelt Rob van Oosterhout, eigenaar van een mooie fietsenzaak met elegante, blauwe e-bikes en de nieuwste modellen racefietsen. Niet iedereen was meteen enthousiast. Maar omdat de wijkagent met iedereen contact zoekt, draaide men snel bij.

Vandaag bezoekt Al Kahja het dorpshuis waar senioren koffie drinken en bridgen, vervolgens rijdt hij naar de rand van de wijk waar twee buren het met elkaar aan de stok hebben. Een tachtigjarige man beklaagt zich al enige tijd over het barbecuegedrag van de buurman. ‘Deze situatie is belachelijk’, zegt de jongere buurman die wat sleept met zijn been vanwege een enkelblessure, opgelopen tijdens voetbal. ‘We gedragen ons al zestien jaar hetzelfde en tot voor kort was dat geen enkel probleem. Bovendien heeft geen van de andere buren last.’ Gedecideerd: ‘Dit moet stoppen.’ Al Kahja raadt de man aan contact te zoeken met Buurtbemiddeling Breda, die zijn getraind in burenruzies en proberen partijen bij elkaar te brengen. Ook dit bezoek komt op Instagram terecht, vanwege de privacy is er alleen bewegend beeld van de lichtgrijze tegels op de vloer.

Sommige collega’s vinden het maar zonde van de tijd, al die uren die Al Kahja aan film en fotografie besteedt. Maar Al Kahja gelooft heilig dat hij via Instagram veel dichter bij de bewoners komt en is dat niet juist de bedoeling? Laatst nog reisde een jonge fan uit De Bilt tijdens de vakantie helemaal naar Breda om Al Kahja te ontmoeten. ‘Heel bijzonder’, grijnst de wijkagent.

Breda is gemoedelijk, als je de harde en toenemende drugscriminaliteit even buiten beschouwing laat. De gewone criminaliteit, diefstal en woninginbraken, neemt al jaren af – al zeggen de agenten allemaal dat die cijfers vertekend zijn, omdat er volgens hen minder aangifte wordt gedaan; burgers denken dat er toch niets mee wordt gedaan. Overlast door mensen met psychische problemen neemt wel steeds meer toe. ‘Ik heb volgende week drie zittingen waarbij om een rechterlijke machtiging wordt gevraagd voor mannen die bedreigend overkomen, omdat ze hallucinerend over straat lopen’, zegt Henk Woestenberg. ‘Drie in één week, dat was vroeger ondenkbaar.’

Ik sprak in Breda met elf politiemensen over hun vak in een veranderende samenleving; waarom kozen ze ervoor en wat brengt het ze? Negen mannen, twee vrouwen, vier van hen hebben helemaal of gedeeltelijk een niet-westerse achtergrond. Een vertekening van de werkelijkheid, want de politie in Breda is nauwelijks divers. Vinden ze dat dat anders moet?

Voor Rachid al Kahja was politieagent worden een roeping: ‘Ik wilde het bij wijze van spreken vanaf mijn geboorte. Als kind ging ik naar iedere open dag. De politie in Bergen op Zoom, waar ik woonde, wist precies wie ik was, ik verzamelde alle folders en flyers.’ Toen hij zeventienenhalf was, kon hij aan de opleiding beginnen. De politie had iets magisch, als agent hoorde je helemaal bij de Nederlandse samenleving en kon je ook nog iets betekenen voor de maatschappij.

Achteraf heeft hij onvoldoende van de politieopleiding genoten, vindt hij zelf, omdat hij voortdurend bezig was zichzelf te bewijzen. ‘Ik was zo ijverig, ik zat er iedere ochtend al om half acht en ik was ’s middags de laatste die vertrok. Ik moest mezelf af en toe in mijn arm knijpen, om te beseffen dat het echt gelukt was, dat ik, de zoon van een gastarbeider, op de politieacademie zat. Vergeet niet, ik heb alles zelf voor elkaar geknokt.’

Er is geen betere leerschool dan de politieschool, weet Al Kahja, die uit een gezin met acht kinderen komt, inmiddels. ‘De politie heeft me gemaakt wie ik nu ben. Ik was een jochie uit een andere cultuur, dat was soms lastig.’ Tijdens de opleiding moest hij ook over zijn gevoelens praten, de zin daarvan ontging hem. ‘Ik wist me er niet goed raad mee. Bij een verkeerscontrole moest ik me inleven in de ander, ik moest me voorstellen hoe mijn gedrag kon overkomen. Wat bedoelden ze daarmee, vroeg ik me af.’ Lachend: ‘Die automobilisten moesten toch gewoon naar me luisteren!’

De eerste keer dat Al Kahja in uniform op pad ging, was het meteen raak. Hij moest met een ervaren collega naar een kebabzaak waar een man zich op de wc door het hoofd had geschoten. Het bloed droop nog langs de muur, maar de brigadier die ter plaatse was, zat tot verbazing van Al Kahja ongeïnteresseerd aan de bar. Ook al kun je niets meer voor iemand doen, je kunt respect tonen door bijvoorbeeld je energie te steken in het begeleiden van de nabestaanden, zoals Al Kahja vervolgens deed. De dag erna moest Al Kahja onverwacht iemand reanimeren. Terwijl hij hiermee bezig was, zag hij de conciërge van zijn oude school de kamer binnenkomen. De man had altijd gezegd: je redt het niet bij de politie. ‘Ik keek in ogen vol ongeloof. Wat was dat een fijn moment.’

Rachid al Kahja heeft altijd het gevoel gehouden zich te moeten bewijzen. Daarom probeerde hij in zijn eerste jaren als politieman Nederlandser dan Nederlands te zijn. Werd hem door het publiek, inclusief Marokkaanse jongeren, gevraagd: ‘Bent u Marokkaan?’, antwoordde hij steevast: ‘Nee, ik ben politieman.’

‘Ik moest af en toe in mijn arm knijpen om te beseffen dat ik, de zoon van een gastarbeider, op de politieacademie zat’

Om zijn neutraliteit te benadrukken wilde hij zich tijdens zijn werk op geen enkele manier vereenzelvigen met de Marokkaanse gemeenschap. ‘Dat had met integriteit te maken, ik wilde laten zien dat ik aan de Nederlandse kant stond.’ Hij ging ver in het verloochenen van zijn achtergrond. ‘Als een Marokkaanse man of vrouw “salam aleikum” zei wanneer ik in uniform bij ze binnenkwam, verstijfde ik. Ik wilde niet op mijn Marokkaanse achtergrond worden aangesproken, daarom antwoordde ik in het Nederlands.’

Opleider Arie Slagmolen herinnert zich Al Kahja nog goed uit die begintijd. De jonge agent deed zo zijn best dat het bijna obsessief was. ‘Hij viel niet af te remmen, soms leek het of hij niet zichzelf was. Ik was daarom bang dat hij het niet zou volhouden.’ Dat gebeurde gelukkig wel en inmiddels is Al Kahja ontspannener. ‘Ik realiseer me dat ik mezelf tekortdeed. Ondertussen ben ik in balans, ik heb geaccepteerd wie ik ben, Rachid en de politieman zijn inmiddels één. Ik antwoord in het Marokkaans als iemand salam aleikum zegt en heb een goed contact met de Marokkaanse gemeenschap.’

Hij vindt zijn beroep nog steeds prachtig, midden in het leven staan, iets voor een ander kunnen betekenen. Dat het gevaarlijk kan zijn, hoort erbij. ‘Ik weet dat iedere dag mijn laatste kan zijn, daar heb ik vrede mee. Dat is de juiste politiementaliteit.’

Het hoofdbureau van de politie in Breda, gelegen aan het Chasséveld in het centrum, heeft een prettige wachtruimte waar zelfs speelgoed voor kinderen ligt. Bezoekers worden met geduld geholpen van 09.00 uur tot 21.00 uur. ’s Nachts is het politiebureau dicht.

Dat weet niet iedereen. Henk Woestenberg trof die ochtend een wanhopige man voor de deur. Hij wilde naar binnen, maar het was nog geen negen uur. Woestenberg, een echte Brabander met een grote familie – zijn oma kwam nog uit een gezin met 24 kinderen – was getroffen door de radeloosheid van de man en nam hem mee het bureau in. Er speelde een scheidingskwestie. Zijn kinderen werden al drie maanden bij hem weg gehouden, terwijl hij als medevoogd wel recht had om ze te zien. Zijn vrouw en kinderen werden begeleid door de William Schrikker Groep, een instelling voor mensen met een beperking.

Hij had gelijk volgens Woestenberg, maar de steun van een advocaat, die hem op zijn rechten kon wijzen, zou hem enorm helpen. Zijn vrouw kon daar – ze had een uitkering – wel aanspraak op maken, maar de man, betonstorter, verdiende daar net te veel voor. De man zelf weet dit onrecht aan alle buitenlanders die het land maar binnen kwamen en alles kregen, terwijl hij nu met lege handen stond. Nee, van Nederland klopte volgens hem helemaal niets. De man was zo wanhopig dat hij dreigde zijn vrouw en kinderen iets aan te doen. Zijn dochter was binnenkort jarig en als híj haar niet mocht zien, ‘dan niemand’. Zijn emoties waren zo hevig dat Woestenberg er niet gerust op was. Daarom wordt van alle informatie nu een risicoanalyse gemaakt.

Woestenberg, 60, is wijkagent. De criminaliteit in zijn wijk is voornamelijk drugsgerelateerd en die business wordt steeds harder en dus gevaarlijker. In zijn wijk staat ook een moskee die volgens Nieuwsuur en NRC onder invloed zou staan van buitenlandse financiers. Woestenberg maakt zich er niet te druk om, hij heeft een goed contact met de bestuursleden. ‘Als er bijvoorbeeld gasten uit Arabische landen komen, krijg ik kaartjes met hun namen en gegevens, heel netjes.’ Die drugsbaronnen vindt hij veel gevaarlijker. In zijn vorige wijk waren de handelaren nog aanspreekbaar. ‘Als ik ze vroeg naar het bureau te komen, kwamen ze op hun fietsje’, maar die tijd is voorbij. ‘Het respect is weg. Die nieuwe generatie doet alles voor geld, ze deinzen voor niets terug, ze leggen zo gemakkelijk iemand om, ongeacht wat de straf is. Vroeger had je burenruzies en die gingen met blote handen, nu komen de wapens meteen te voorschijn.’

Als Woestenberg jonge mannen in een heel dure auto ziet rondrijden, houdt hij ze staande. ‘Ik wil weten hoe ze aan die auto komen, is dat zo gek?’ Hiermee doelend op de voortdurende discussie over etnisch profileren. ‘Stel dat de auto door bewezen drugsgeld gefinancierd is, dan is het toch de bedoeling dat we ze aanhouden? Ik noem dat soort mannen “windhappers”, ze lijken van de wind te leven.’ Hij beschrijft hoe zo’n conversatie verloopt. ‘Ik vraag: “Hoe kom je aan die auto?” “Gaat je niets aan”, is het antwoord. “Heb je wel inkomsten”, vraag ik dan. De bestuurder: “Gaat je ook niets aan.” Daarna deel ik mee dat ik een en ander zal doorgeven. Aan de Belastingdienst namelijk. Maar om die controle te ontwijken worden er steeds vaker gehuurde auto’s gebruikt, dus auto’s van verdachte verhuurbedrijven zet ik meteen aan de kant.’

Woestenberg was altijd actief in de vakbond en het stelt hem teleur dat de jonge generatie zich niet meer wil organiseren. ‘Ze zien de politie als iets tijdelijks, als een fase in hun loopbaan.’

Dat kan zo zijn, maar jonge agenten vinden juist dat de politieopleiding een bepalende invloed op hen heeft gehad. Naast Rachid die extreem zijn best deed, zegt ook Cigdem Ercan, 28, dat de politie haar heeft gevormd. ‘Ik heb me kunnen ontwikkelen, ik weet beter wat ik wil, ik durf nu mijn mening te verkondigen. Vroeger was ik heel timide.’

Het was haar vader die haar pushte om bij de politie te gaan, hij meldde haar hoogstpersoonlijk aan. De eerste twee keer werd ze niet aangenomen, ze was niet stressbestendig genoeg en er werd ook aan haar doorzettingsvermogen getwijfeld. Toen ze de derde keer wél werd aangenomen, kwam ze in een klas met drie vrouwen en dertien mannen terecht. ‘Ik was de enige allochtoon en in het begin hield ik liever mijn mond.’ Langzaam kroop ze uit haar schulp en inmiddels is ze een gewaardeerde collega die naast haar werk een studie rechten is begonnen. En ze adviseert – zo’n extra opdracht heet in Breda ‘een taakaccent’ – collega’s bij eergerelateerd geweld.

Zoals bij de Turkse vrouw die door haar man naar Nederland was gehaald, de taal niet sprak en binnen werd gehouden. Toen de vrouw merkte dat haar echtgenoot haar bedroog, bedreigde hij haar en mocht ze helemaal niet meer buiten komen. Op een dag vluchtte ze uit huis, ging naar de politie en deed haar verhaal aan Cigdem Ercan, die haar op een geheim adres kon onderbrengen. ‘Een paar maanden later belde ze me om te vertellen dat het haar goed ging, ze had een huisje en woonde ergens waar haar man haar niet zou kunnen vinden.’ Zo’n afloop motiveert.

Ik vroeg agenten of politievrouwen een hoofddoek moesten kunnen dragen. De een vond van wel en de ander van niet. Cigdem Ercan kwam met een opmerkelijk antwoord: ze was tegen een hoofddoek, niet uit principe, maar omdat ze de vrouwen in kwestie wilde beschermen. Met een hoofddoek staan ze met 1-0 achter, zei ze, vanwege alle opmerkingen en beschimpingen van het publiek en misschien ook van collega’s die ze naar hun hoofd zouden krijgen. Moet je niet willen, maakt het werken alleen maar lastiger. De hoofddoek als splijtzwam.

Medium instagram account rachid al kahja
‘Ik gebruikte de nekklem regelmatig en altijd met succes, een collega gaf me zelfs de bijnaam “de wurger”’

De politie in Breda is nauwelijks divers; hier geen, zoals op verschillende politiebureaus in Amsterdam, stilte- of gebedsruimtes. Laatst waren er tijdens een bijeenkomst wel voor het eerst halal lunchpakketten. Ercan was er blij mee. ‘Toen een collega verbaasd vroeg waarom het eten ineens halal was, antwoordde ik: “Omdat ik dan ook mee kan eten.” Gelukkig snapte hij dat.’

Meer diversiteit lijkt hier niet als een dwingende noodzaak te worden gezien. ‘Niet tegen elke prijs’, zegt de een. ‘Als het de kwaliteit maar niet in de weg zit’, zegt de ander op basis van slechte ervaringen uit het verleden. Een vriend van een van de collega’s werd afgewezen, omdat de leiding liever een allochtoon zag komen. Ontstemd: ‘Terwijl mijn vriend heel goed was.’

Arie Slagmolen, een van de oudere agenten met jarenlange ervaring als opleider, weet hoe moeilijk het is om goede agenten te krijgen met een niet-westerse achtergrond. Vaak, valt hem op, hebben kandidaten die zich melden een ingewikkelde voorgeschiedenis, ze zijn kwetsbaar, houden het soms moeilijk vol in zo’n behoudend bolwerk. Degenen die wel geschikt zijn maar zich niet melden, zouden daartoe moeten worden overgehaald, stelt hij voor. ‘We moeten zelf gaan scouten. Mensen die we in ons werk of in onze vrije tijd tegenkomen actief benaderen, vragen of ze bij de politie willen komen werken.’

De richtlijnen uit Den Haag komen als een douche over hen heen, vinden de agenten, ze krijgen veel te veel taken tegelijk. Zelfs de wijkagenten moeten gewone diensten draaien waardoor ze te weinig tijd overhouden om de wijk echt goed te leren kennen. Beseft de leiding in Den Haag dat wel? Staat die niet te ver van de werkvloer af? De korpsleiding had in de zaak-Mitch Henriquez, de man die als gevolg van zijn arrestatie overleed nadat een nekklem was gebruikt, zijn agenten publiekelijk moeten steunen. ‘Hoofdcommissaris Erik Akerboom had voor de rechter moeten staan’, zegt een van de agenten. Het dramatische incident en de gevolgen ervan heeft agenten onzeker gemaakt. Dat de nekklem nu helemaal niet meer mag worden gebruikt vinden ze een paniekreactie.

Vakbondsman Woestenberg vindt dat één incident niet had mogen leiden tot een ‘compleet nieuw werkproces’. ‘Ik gebruikte de nekklem regelmatig en altijd met succes, een collega gaf me zelfs eind 1990 de bijnaam “de wurger”.’ Hij doet het voor: ‘Je klemt de spieren in de nek en je vouwt je arm gewoon dicht. Van het strottenhoofd moet je afblijven. Met het minste geweld, krijg je het meeste effect. Tja, daar denken ze nu anders over.’

In Breda vinden agenten al het tumult over etnisch profileren, ook zo’n nationaal besproken onderwerp, nogal overdreven. In politiewerk is intuïtie nu eenmaal een bepalende factor, net als je onderbuik, benadrukken ze allemaal. En bij de briefing voor iedere nieuwe dienst worden nu eenmaal disproportioneel veel verdachten van buitenlandse komaf getoond. Wat wil je dan?

Het gaat onbewust, denkt Cigdem Ercan, die er meteen bij vertelt dat haar man vanwege zijn uiterlijk en omdat hij in een leuke auto rijdt vervelend genoeg ook vaak wordt aangehouden. Hoe doe je je werk zonder bevooroordeeld te zijn? ‘We hebben veel meer kennis nodig’, zegt ze. En dan niet alleen via duur ingekochte cursussen, want die zijn er genoeg, maar er zouden meer goede gesprekken over heikele kwesties op de werkvloer moeten worden gevoerd.

Om dat te doen moet je over een drempel, want in Brabant ligt het niet voor de hand om het over zoiets persoonlijks te hebben. Terwijl, zegt Miriam van Meel, onderlinge feedback in dit werk heel belangrijk is. Je moet elkaar voortdurend kunnen corrigeren, juist wanneer ingrijpende beslissingen mede op gevoel worden genomen. Ze is een van de weinigen die altijd op een collega af stapt als iets haar niet zint. ‘Ik krijg de indruk dat ze dat prettig vinden.’ Waarom gebeurt het dan niet vaker? Kennelijk, zegt men, is dat niet de cultuur binnen de politie. Leidinggevende Dennis Heistek zou ook graag zien dat agenten elkaar onderling vaker corrigeren. ‘Dat ze tegen elkaar zeggen: “Zoals jij optrad, klopt niet”.’ Toch gebeurt het onvoldoende.

De politiecultuur mag worden opgeschud, vindt Nassim Asaad, 27, al weet hij niet of goede gesprekken over bijvoorbeeld diversiteit veel zullen helpen. ‘Dat praten vraagt veel tijd en daarna verwateren de goede bedoelingen weer.’ Concrete maatregelen zoals meer mensen met een andere achtergrond aannemen, zetten volgens hem meer zoden aan de dijk.

Asaad is een veelbelovende politieman, die na de havo uit huis wilde en toen hij een spotje op tv zag voor de politie koos. Zijn ouders gingen toen hij zes was uit elkaar en hij groeide voornamelijk bij zijn moeder op. Zijn vader was uit Libanon gevlucht, hij hertrouwde later met een Libanese vrouw bij wie hij nog een paar kinderen kreeg. Asaad rijdt nog regelmatig door de wijk waarin hij opgroeide en waar Miriam van Meel nu wijkagent is. ‘Jonge kinderen lopen vaak laat op straat’, zegt Asaad. ‘Ze gaan te jong hun eigen weg en krijgen onvoldoende waarden en normen mee. Als er ergens bonje is en wij moeten komen, zie ik dat de vader geen controle heeft en de moeder haar mond houdt. Zo jammer.’

Asaad is zich wel bewust van zijn gemengde achtergrond, maar wordt er weinig op aangesproken, hoewel sommige collega’s graag grapjes over zijn achternaam maken. En er was die keer dat Asaad in Oosterhout, een voornamelijk ‘wit’ gebied, bij een incident met huiselijk geweld werd geroepen. Die mensen wilden niets van hem weten. ‘Als ik een vraag stelde, kreeg mijn collega antwoord.’ Asaad lijkt gevoelige situaties liefst te omzeilen. Tot nu toe is dat de meest praktische strategie gebleken. Als collega’s op basis van een ‘onderbuikgevoel’ automobilisten staande houden, of ‘een jonge man met een petje op zijn hoofd “plat” willen controleren’, haalt Asaad zijn schouders op. ‘Oké, zeg ik dan, als jij dat wilt.’ Terwijl hij het er niet mee eens is. ‘Nee, ik zeg niet wat ik ervan vind. Dat heb ik één keer gedaan en daar werd niet goed op gereageerd. Ik hoorde er meteen niet meer bij.’ Om niet in ongemakkelijke situaties te belanden, houdt hij uit zelfbescherming liever zijn mond.

Pas toen het fout ging, zoals destijds bij de rapper Typhoon die aan de kant werd gezet omdat hij in een dure auto reed en de agent toegaf dat de kleur van Typhoon ook een rol speelde, werd etnisch profileren een gespreksonderwerp. ‘Ik begrijp het ook wel’, zegt Asaad vergoelijkend. ‘Bij de briefing verschijnt de ene na de andere buitenlandse kop op het scherm, je wordt ermee doodgegooid. Je moet als agent objectief blijven, maar hoe doe je dat?’ Asaad weet het antwoord, vastbesloten: ‘Door je aan de wet te houden en niet op basis van je gevoel of je onderbuik te handelen.’

Als collega’s een auto staande houden, vertelt hij, vragen ze niet alleen de bestuurder om zijn papieren, maar ook de andere inzittenden. ‘Dan zeggen ze dat ze dat doen op basis van artikel 3 van de politiewet, maar in artikel 3 wordt de algemene taakstelling van de politie beschreven en daar staat niet dat iedereen zomaar gecontroleerd mag worden.’ >

Volgens Rob Verhoeven heeft Asaad het bij het juiste eind. Een politieman moet altijd proberen bij de feiten te blijven. Een tijdje terug was de politie druk met een stel Marokkaanse jongens in Zundert. ‘Ze bedreigden ons en kinderen van collega’s werden zelfs op een vervelende manier aangesproken. Er waren voortdurend woninginbraken en we hadden er geen grip op. Op een dag zag de politie na weer zo’n woninginbraak een wit bestelbusje wegrijden. Ik durf te beweren dat we allemaal op zoek gingen naar Marokkaanse jongens. Dat was de mindset, misschien wel begrijpelijk, maar niet goed. De inbraak bleek namelijk door twee witte mannen te zijn gepleegd. Omdat de politie zo gefocust was op die Marokkaanse jongens, een soort tunnelvisie, zijn andere politiemensen ermee aan het werk gegaan. Die nieuwe aanpak, er kwamen straatcoaches, een jeugdhonk – dat heeft enorm geholpen.’

‘Als je het goed doet, dan beschouwen ze je als een Nederlander; doe je het fout, dan ben je een allochtoon’

De soms harde cultuur binnen de politie maakt het lastig om te reageren als er een ongepaste opmerking wordt gemaakt. ‘Ik wil een allemansvriend zijn’, zegt Rachid al Kahja. ‘Dat is mijn zwakte. Als een collega iets vervelends zegt over Turken of Marokkanen moet ik echt moed verzamelen om er een opmerking over te maken. Vaak laat ik het maar gaan, omdat ik bang ben voor de consequenties. Want hoe zal de collega reageren? Ik heb wel eens meegemaakt dat een collega het over die “kut-Marokkanen” had, maar toen hij besefte dat ik naast hem zat meteen zei: “Jij niet hoor, Rachid, jij bent een goeie.” Dat is niet prettig, je went er nooit aan, maar ik besef ook dat het niet zal veranderen.’

De leiding wil best dat het verandert. Toen een collega op een Facebook-pagina waar duizenden agenten op keken een zeer grievende post over Marokkanen had geplaatst, werd de man, van wie algemeen bekend was dat hij het niet zo op had met Marokkanen, naar huis gestuurd en het is de vraag of hij ooit nog terugkomt.

‘Als je het goed doet, beschouwen ze je als Nederlander, maar doe je het fout, dan ben je een allochtoon’, is de nuchtere opvatting van de agent die met zijn moeder en broer en zussen vanuit Iran naar Nederland vluchtte. Als hij vroeger de stad in ging, kwam hij in sommige cafés alleen binnen als hij met andere Nederlanders was. ‘Ik snapte dat wel, ze wilden gewoon geen rotzooi.’ Hij vindt Nederland heel tolerant. ‘Dat wordt onvoldoende gezien, sommige groepen geven zoveel overlast.’ Van hem hoeft de politie niet diverser te worden. ‘Al die verschillende achtergronden interesseren me geen reet, je moet gewoon je werk goed doen.’

Dat vindt eigenlijk iedereen die ik heb gesproken. Maar zou de politie iets opener kunnen zijn en sensitiever tegenover andere culturen? Dat anderen niet alleen het gevoel hebben welkom te zijn, maar dat er ook rekening met hen wordt gehouden. Zowel Cigdem Ercan als Rachid al Kahja moet ieder jaar weer knokken voor een aangepast rooster tijdens ramadan.

Het was de droom van de agent die uit Iran was gevlucht: ‘Om iets te betekenen voor Nederland, als allochtoon mijn bijdrage te leveren.’ Maar tijdens de opleiding stuitte hij op een muur van onbegrip en voelde hij zich steeds kleiner worden. ‘Mijn aanvankelijk grote idealisme werd een zandkorreltje.’ Was dat zijn fout? Of van de politieleiding? Was het een botsing van culturen? Een verschil in perceptie? Misschien is er geen eenduidig antwoord.

Dat Miriam van Meel niet de gemiddelde agent was, maar vrouw, gescheiden, 37, bleek een voordeel toen ze elf jaar geleden bij de politie solliciteerde. Ze had bij het uwv gewerkt, was daarna het bedrijfsleven in gegaan, maar dat gaf niet genoeg voldoening. Ze voedde in haar eentje twee kinderen op; die situatie was lastig, maar maakte haar ook sterk. Toen ze op een dag een tv-spotje van de politie voorbij zag komen dacht ze meteen: daar wil ik werken. Ze vroeg zich wel af of ze genoeg te bieden had als niet meer zo jonge vrouw met een tenger postuur. ‘Maar de leiding zei dat die nadelen ook voordelen konden zijn.’ Van Meel kon rust brengen, deëscaleren. ‘Toen ik met de opleiding begon, was de jongste in mijn klas achttien. Ik zorgde ervoor dat ik fysiek goed kon meekomen, ik wilde er niet achteraan sukkelen.’

Naast wijkagent werd ze algemeen commandant in de horeca. Op drukke uitgaansavonden heeft ze dan de leiding. Sommige collega’s waarderen haar om de rust die ze uitstraalt, anderen hebben moeite met een vrouw in zo’n leidinggevende positie, vertelt ze. Collega’s bevestigen dat er twijfels waren of ‘zo’n vrouwtje wel tegen die taak was opgewassen’. Van Meel maakt zich er niet druk om: ‘Je moet je als vrouw nu eenmaal meer bewijzen.’

Ze is pas sinds september 2017 wijkagent in Doornbos-Linie, een buurt met relatief veel armoede en redelijk wat gezinnen met een niet-westerse achtergrond. Van Meel is er, vertelt ze, heel vriendelijk ontvangen. Ze wil zo veel mogelijk buurtbewoners bereiken; ze houdt wekelijks spreekuur en bezoekt ook winkeliers. Een Turkse middenstander vertelde haar laatst dat sommige vrouwen niet meer over het Edisonplein durfden te lopen uit angst voor vervelende opmerkingen die de mannen maakten. Die zouden roepen dat ze als vrouw niet alleen over straat mochten gaan. ‘Ik was verbaasd: ik weet dat Nederlandse mannen vrouwen nafluiten, maar deze variant kende ik niet. Ik ben naar de lunchroom gegaan waar de mannen vaak buiten zitten en heb een praatje met hen gemaakt. Ze hadden een andere lezing: ze zeiden dat deze vrouwen niet alleen buiten komen, omdat ze zich snel onveilig voelen. Een cultuurkwestie. Nu probeer ik met de vrouwen in contact te komen, ik wil hun kant van de zaak horen. Dat is helaas nog niet gelukt.’

Een andere keer kwam een Somalische vrouw in spijkerbroek en blouse bij haar langs. Ze werd lastiggevallen en uitgescholden door een landgenote die van haar eiste dat ze zich zediger zou gaan kleden. ‘Ik ben het gesprek aangegaan en heb haar verteld dat we dat in Nederland niet zo doen’, zegt Van Meel. ‘Hier zijn geen kledingvoorschriften.’ De vrouw deed alsof ze het begreep, maar haar slachtoffer was kennelijk zo geïntimideerd dat ze nu toch maar een hoofddoek is gaan dragen.

Het inloopspreekuur is iedere maandagmiddag in een kamertje in wijkcentrum Balieweide. Een oudere man en vrouw zitten al even te wachten. Zij wonen allebei in de flat erboven, wel apart, ieder op een andere verdieping. De vrouw woont er net zeven maanden; haar huis even verder in de wijk heeft ze verkocht om hier – geen trappen maar een lift – zorgeloos van haar oude dag te kunnen genieten. ‘Ik was gewaarschuwd’, begint de vrouw haar verhaal. ‘Buren vroegen me of ik niet bang was om boven die Turk te wonen.’ Nee hoor, zei ze dan, want ze was haar buurman nog amper tegengekomen. Tot vorige week woensdag, toen ze net was thuisgekomen van boodschappen doen en even op haar balkon stond. Geëmotioneerd: ‘Hij stond beneden op zijn balkon en begon uit het niets te schreeuwen dat ik een slechte vrouw was en dat hij me kapot ging maken. Kapot, kapot. Ik was totaal verbouwereerd én bang, ik voelde de angst in mijn lijf. Ik riep naar mijn vriend: “Kom meteen naar beneden.”’

Niet dat het hielp. De buurman noemde haar vriend een viezerik en bezwoer onder het maken van obscene gebaren dat hij hem zou doodmaken. Sindsdien durft de vrouw niet meer in haar eentje de lift in te gaan. Daar komt bij dat de boosaardige buurman, die overigens al in de zeventig is en waarschijnlijk psychische problemen heeft, eerder had toegeslagen. De vorige bewoonster had hij een keer bij de keel gegrepen in diezelfde lift. Naar aanleiding van dat incident zou de vrouw zijn verhuisd. De man van de woningbouwvereniging weet meer. Van Meel wil samen met hem optrekken. Ze belt, maar hij heeft een drukke agenda.

De man zegt met tranen in zijn ogen dat hij niet voor zichzelf in staat als de man zijn vriendin wat zou aandoen. Van Meel drukt hem op het hart rustig te blijven. De vrouw, zichtbaar teleurgesteld: ‘Maar zo kan ik niet leven, ik moet wel in m’n eentje de lift in kunnen.’ Dan belooft Van Meel dat ze de man binnen een paar dagen zal gaan opzoeken. Als de man van de woningbouwvereniging geen tijd heeft, gaat ze alleen.

Dit was wat het stel wilde horen. Niet alleen steun van de politie, maar ook actie. Een beetje opgelucht verlaten ze het kamertje.


Dit verhaal is tot stand gekomen met steun van Fonds 1877

Politie en diversiteit

De politietop is vast van plan het politiekorps diverser te maken. In 2017 kwam Parrhesia, een onafhankelijke denktank van de politie, met een zwartboek over discriminatie en intolerantie bij de politie met daarin persoonlijke ervaringen van agenten. Juist in dat jaar scoorde de politie goed wat betreft de instroom van agenten met een migratieachtergrond. Het streven was 25 procent, eind 2018. Dat cijfer is inmiddels gehaald. De ambitie van meer diversiteit veroorzaakt ook onrust binnen het van oudsher gesloten bolwerk. Margalith Kleijwegt sprak met tientallen agenten over hun vak in een veranderende samenleving en portretteerde twee eenheden, één in Breda en één in Amsterdam. Het verhaal over Amsterdam staat volgende week in De Groene.